Mijn buurvrouw dacht dat ik altijd op haar kind zou passen: Hoe zeg ik ‘genoeg’?

‘Kun je vanmiddag weer even op Sophie passen? Het is echt maar een uurtje, beloofd!’ De stem van mijn buurvrouw, Marieke, klinkt opgejaagd door de dunne muur die onze huizen scheidt. Ik kijk naar de klok. Het is al de derde keer deze week. Mijn hart bonkt in mijn borst, mijn handen trillen een beetje als ik mijn telefoon oppak om haar te antwoorden. ‘Ja, natuurlijk, breng haar maar even langs,’ hoor ik mezelf zeggen, terwijl ik eigenlijk wil schreeuwen: ‘Nee! Ik kan niet meer!’

Toen ik drie jaar geleden in deze straat in Utrecht kwam wonen, voelde ik me meteen welkom. Marieke stond op de stoep met een zelfgebakken appeltaart en haar dochtertje Sophie aan haar hand. We raakten aan de praat over de buurt, de scholen, de beste plek voor koffie. Onze vriendschap groeide snel. We deelden verhalen over onze jeugd, onze dromen, onze angsten. Toen Marieke haar man verloor aan een plotseling hartinfarct, was ik degene die haar vasthield terwijl ze huilde. Ik was er voor haar, omdat ik wist hoe het voelde om iemand te verliezen. Mijn eigen moeder was overleden toen ik twaalf was. Die leegte, dat verdriet – ik herkende het in haar ogen.

In het begin voelde het goed om te helpen. Sophie was een lief, rustig meisje. Ze zat graag bij mij aan de keukentafel te tekenen, terwijl ik werkte aan mijn freelance opdrachten. Marieke was dankbaar, bracht bloemen of een fles wijn als bedankje. Maar langzaam veranderde er iets. De bedankjes werden minder, de verzoeken vaker. ‘Kun je Sophie morgen ophalen van school? Ik red het niet met mijn werk.’ ‘Zou je haar zaterdag kunnen meenemen naar de speeltuin? Ik moet echt even boodschappen doen.’

Op een dag, terwijl Sophie op de bank lag te slapen, voelde ik een steek van irritatie. Mijn eigen leven stond stil, terwijl ik het hare draaiende hield. Mijn werk leed eronder. Mijn vrienden klaagden dat ik nooit meer tijd had. Zelfs mijn vader, die altijd begripvol is, zei laatst: ‘Je bent geen oppas, Lieke. Je moet aan jezelf denken.’ Maar hoe doe je dat, als iemand op je rekent? Als je weet dat ze het moeilijk heeft?

‘Lieke, ik weet niet wat ik zonder jou zou moeten,’ zei Marieke laatst, haar ogen vochtig. ‘Je bent als familie voor ons.’ Ik glimlachte, maar voelde me gevangen. Familie betekent zorgen voor elkaar, toch? Maar waar ligt de grens?

De spanning tussen ons groeide. Ik merkte dat ik haar appjes soms negeerde, dat ik me schuldig voelde als ik ‘nee’ zei. Maar het werd steeds moeilijker om mijn eigen grenzen te bewaken. Op een avond, na weer een lange dag met Sophie, barstte ik in tranen uit. Mijn beste vriendin, Sanne, belde precies op dat moment. ‘Lieke, je moet haar vertellen hoe je je voelt. Anders raak je jezelf kwijt.’

De volgende ochtend stond Marieke alweer voor de deur. ‘Kun je Sophie vandaag meenemen naar het park? Ik heb een sollicitatiegesprek.’ Ik voelde de woorden op mijn tong branden. ‘Marieke, ik moet met je praten.’ Ze keek me verbaasd aan. ‘Natuurlijk, wat is er?’

Mijn stem trilde. ‘Ik help je graag, echt waar. Maar het wordt me te veel. Ik heb ook mijn eigen leven, mijn werk, mijn vrienden. Ik voel me soms meer oppas dan vriendin.’

Er viel een pijnlijke stilte. Marieke keek naar haar handen. ‘Ik… ik wist niet dat je het zo voelde. Je had het eerder moeten zeggen.’

‘Ik wilde je niet teleurstellen,’ fluisterde ik. ‘Maar ik moet ook voor mezelf zorgen.’

Ze knikte langzaam. ‘Het spijt me, Lieke. Ik ben gewoon zo gewend geraakt aan jouw hulp. Maar je hebt gelijk. Ik moet het anders oplossen.’

De dagen daarna voelde ik me schuldig én opgelucht. Marieke hield afstand. Sophie kwam niet meer spontaan langs. Ik miste haar, maar voelde ook ruimte in mijn hoofd. Ik kon weer werken, mijn vrienden zien, tijd voor mezelf nemen. Maar de leegte bleef knagen. Had ik het goed gedaan? Was ik een slechte vriendin?

Op een avond, terwijl ik uit het raam keek naar de lege straat, hoorde ik zachtjes een stem. ‘Lieke?’ Het was Sophie, met een tekening in haar hand. ‘Ik heb deze voor jou gemaakt.’ Op het papier stonden wij samen, hand in hand, met een grote zon erboven. Mijn hart brak en smolt tegelijk.

Ik knielde bij haar neer. ‘Dank je, lieverd. Jij bent altijd welkom. Maar soms moet Lieke ook even rusten, snap je?’ Ze knikte, haar ogen groot en wijs.

Marieke kwam haar halen. Ze keek me aan, haar blik zachter dan voorheen. ‘Dank je, Lieke. Voor alles. Ik hoop dat we weer vriendinnen kunnen zijn, zonder dat het als een verplichting voelt.’

Ik glimlachte. ‘Dat hoop ik ook.’

Nu, maanden later, zijn de verhoudingen veranderd. We zien elkaar minder, maar als we samen zijn, is het oprecht. Ik heb geleerd dat grenzen stellen niet betekent dat je iemand in de steek laat. Het betekent dat je jezelf respecteert. Maar soms vraag ik me nog steeds af: Hoe weet je wanneer je genoeg hebt gedaan? En hoe zorg je ervoor dat je niet jezelf verliest in het helpen van een ander?

Wat zouden jullie doen in mijn situatie? Waar ligt voor jullie de grens tussen helpen en jezelf wegcijferen?