Het huis dat niemand mag: Mijn laatste grote beslissing

‘Dus, je gaat het huis aan een goed doel schenken? Aan vreemden?’ De stem van mijn nichtje Marieke trilt van ongeloof en een vleugje woede. Ik kijk haar aan, haar ogen flitsen heen en weer tussen mij en de oude foto van mijn man op de schoorsteenmantel. ‘Waarom niet?’ zeg ik zacht. ‘Jullie komen hier nooit, behalve als het om geld gaat.’

Het is een regenachtige middag in maart. De wind rukt aan de ramen van het huis in Amersfoort, het huis dat ik samen met Jan heb gebouwd, steen voor steen, in de jaren tachtig. Ik ben zestig nu, Jan is al tien jaar dood. Kinderen hebben we nooit gehad. Mijn familie – een paar nichtjes en neven – woont verspreid over het land. Ze bellen alleen als ze iets nodig hebben. Of als het over mijn testament gaat.

‘Tante Els, je weet dat we allemaal van je houden,’ zegt Marieke, haar stem honingzoet. ‘Maar je moet toch ook aan de familie denken. Dit huis hoort bij ons.’

Ik voel de woede in mijn buik borrelen. ‘Jullie hebben nooit gevraagd hoe het met mij gaat. Nooit een kaartje met kerst, nooit een bezoekje op mijn verjaardag. Alleen als het over geld gaat, staan jullie ineens op de stoep.’

Marieke kijkt weg, haar wangen kleuren rood. ‘Dat is niet waar. Je bent gewoon zo… afstandelijk geworden sinds oom Jan er niet meer is.’

Misschien heeft ze gelijk. Sinds Jan stierf aan die verdomde kanker, is het huis stil. De kamers zijn gevuld met herinneringen, maar niemand om ze mee te delen. Soms praat ik hardop tegen zijn foto. Soms huil ik ’s nachts, als de wind huilt door de kieren van het oude huis.

De familie kwam pas weer opdagen toen ze hoorden dat ik ziek was. Niets ernstigs, gewoon ouderdomskwalen, maar genoeg om ze te laten ruiken dat het einde misschien in zicht is. Plotseling kreeg ik telefoontjes, bloemen, zelfs een appje van mijn neef Bas, die ik al vijf jaar niet had gezien. ‘Hoe gaat het met je, tante Els? Als je hulp nodig hebt, ik ben er voor je.’

Maar ik ben niet dom. Ik weet wat ze willen. Dit huis, met zijn grote tuin en de oude appelboom waar Jan zo trots op was. De waarde is flink gestegen de laatste jaren. Ze zien eurotekens, geen herinneringen.

Vorige week zat ik aan de keukentafel, de papieren voor me uitgespreid. Een notaris uit Utrecht had me alles uitgelegd. ‘U kunt uw huis nalaten aan wie u wilt, mevrouw Van Dijk. Familie, vrienden, een goed doel… Het is uw keuze.’

Ik dacht aan de stichting voor zwerfjongeren in de stad. Hoe vaak had ik niet gezien dat jonge mensen op straat sliepen, zelfs in de winter? Jan en ik wilden altijd iets goeds doen, maar het kwam er nooit van. Misschien is dit mijn kans om iets te betekenen.

‘Je doet ons pijn, tante,’ zegt Marieke nu, haar stem breekt. ‘We zijn je familie. Je hoort bij ons.’

‘Waar waren jullie toen ik Jan verloor?’ vraag ik. ‘Waar waren jullie toen ik maandenlang alleen was, toen ik niet wist hoe ik de dagen door moest komen?’

Ze zwijgt. Buiten tikt de regen harder tegen het raam. Ik voel me moe, zo moe van het vechten, van het alleen zijn, van het moeten verdedigen van mijn eigen keuzes.

Die avond, als Marieke weg is, loop ik door het huis. Mijn hand glijdt over de houten trapleuning, die Jan ooit zelf heeft geschuurd. In de woonkamer ruikt het nog steeds naar zijn aftershave, een geur die ik nooit meer in de winkel heb gevonden. Ik ga zitten in zijn oude stoel en sluit mijn ogen.

‘Wat moet ik doen, Jan?’ fluister ik. ‘Is het egoïstisch om het huis niet aan de familie te geven? Of is het juist egoïstisch van hen om alleen maar te komen als ze iets willen?’

De volgende ochtend belt Bas. ‘Tante Els, ik hoorde van Marieke dat je rare plannen hebt met het huis. Je moet niet alles weggeven aan vreemden. Denk aan ons, aan de familie. We kunnen het huis goed gebruiken, voor de kinderen, voor vakanties…’

‘Bas, wanneer was de laatste keer dat je hier was?’ onderbreek ik hem. ‘Weet je nog hoe de tuin eruitziet? Of waar Jan zijn gereedschap bewaarde?’

Hij stamelt iets over drukte, werk, kinderen. Ik leg de telefoon neer. Mijn hart bonkt in mijn borst. Ik voel me schuldig, maar ook opgelucht. Voor het eerst in jaren heb ik het gevoel dat ik zelf mag beslissen.

De dagen verstrijken. Ik krijg brieven van de familie, sommige vriendelijk, andere ronduit dreigend. ‘We zullen het aanvechten,’ schrijft een nichtje. ‘Je bent niet meer jezelf sinds Jan dood is. Je hebt hulp nodig.’

Ik huil. Ik schreeuw. Ik gooi een bord kapot tegen de muur. Maar ik verander mijn testament niet.

Op een dag sta ik in de tuin, onder de appelboom. De lente is begonnen, de knoppen staan op springen. Ik denk aan de zomers met Jan, aan het lachen, het samen eten in de tuin. Aan de plannen die we hadden, de reizen die we nooit maakten.

Een buurvrouw, mevrouw De Vries, komt langs. Ze brengt een appeltaart. ‘Ik hoorde van de familie dat je het moeilijk hebt,’ zegt ze voorzichtig. ‘Als je wilt praten, ik ben er.’

We drinken koffie in de keuken. Voor het eerst in maanden voel ik me gehoord. Mevrouw De Vries vertelt over haar eigen eenzaamheid, over haar kinderen die in het buitenland wonen. We lachen om de kleine dingen, om de vogels in de tuin, om de katten die altijd op het dak liggen te zonnen.

‘Je moet doen wat goed voelt, Els,’ zegt ze. ‘Het is jouw leven, jouw huis. Laat je niet chanteren.’

Die nacht slaap ik diep. Ik droom van Jan, van zijn hand in de mijne, van zijn stem die zegt: ‘Je bent sterker dan je denkt, Els.’

De volgende ochtend bel ik de notaris. ‘Ik wil het huis nalaten aan de stichting voor zwerfjongeren,’ zeg ik vastberaden. ‘En ik wil dat mijn familie het pas hoort als ik er niet meer ben.’

De notaris knikt. ‘Dat kan geregeld worden, mevrouw Van Dijk. U heeft het recht om uw eigen keuzes te maken.’

De weken daarna voel ik me lichter. De familie blijft bellen, schrijven, smeken. Maar ik neem niet meer op. Ik besteed mijn tijd aan de tuin, aan het schilderen van de kozijnen, aan het opruimen van oude spullen. Ik vind een doos met brieven van Jan, vol liefde en hoop. Ik huil, maar het zijn tranen van opluchting.

Op een avond, als de zon ondergaat en het huis baadt in goud licht, sta ik in de woonkamer. Ik kijk naar de foto van Jan, naar de lege stoel, naar de schaduwen op de muur.

‘Dit huis is gebouwd op liefde, niet op hebzucht,’ fluister ik. ‘Misschien is het tijd dat het weer liefde brengt, aan mensen die het echt nodig hebben.’

En soms vraag ik me af: wat betekent familie eigenlijk, als ze alleen komen als er iets te halen valt? Is het niet beter om te kiezen voor mensen die je nooit gekend hebt, maar die je hulp echt waarderen? Wat zouden jullie doen, als je in mijn schoenen stond?