“De tweede vrouw is al geweest, u mag binnenkomen”: Het moment waarop mijn leven instortte in het ziekenhuis
‘Mevrouw de Vries? U mag naar binnen. De tweede vrouw is al geweest.’
Die woorden galmden door de steriele gang van het ziekenhuis, terwijl ik met trillende handen mijn tas probeerde recht te trekken. Mijn hart bonsde in mijn keel. De tweede vrouw? Wat bedoelde die verpleegkundige? Ik keek haar aan, maar ze glimlachte vluchtig en draaide zich alweer om, alsof ze niets bijzonders had gezegd.
Ik liep op automatische piloot de kamer binnen waar mijn man, Bart, lag. Zijn gezicht was bleek, zijn ogen gesloten. Even vergat ik alles, behalve de angst dat ik hem misschien zou verliezen. Maar de woorden van de verpleegkundige bleven rondzingen in mijn hoofd. De tweede vrouw…
‘Bart,’ fluisterde ik, terwijl ik zijn hand pakte. Hij opende zijn ogen en keek me aan, even verward, toen opgelucht. ‘Sanne… je bent er.’
‘Wie was hier net?’ vroeg ik zachtjes, mijn stem trillerig. Hij kneep even in mijn hand, maar keek weg. ‘Gewoon… een collega.’
‘Een collega? De verpleegkundige zei…’ Ik slikte. ‘Ze zei dat de tweede vrouw al geweest was.’
Hij trok zijn hand terug en keek me niet aan. ‘Ze vergist zich vast.’
Maar ik kende Bart langer dan vandaag. Er was iets mis. Iets wat groter was dan een simpele vergissing.
De rest van het bezoek verliep in stilte. Ik probeerde hem gerust te stellen, maar voelde hoe er een kloof tussen ons groeide. Toen ik naar huis reed door de regenachtige straten van Utrecht, voelde ik me leeg. Mijn gedachten maalden: wie was die andere vrouw? Was het echt een vergissing?
Thuis wachtte onze dochter Lotte op me, met haar huiswerk uitgespreid over de keukentafel. ‘Hoe is het met papa?’ vroeg ze meteen.
‘Hij slaapt veel,’ antwoordde ik vaag. ‘Het komt vast goed.’ Maar zelfs Lotte hoorde de onzekerheid in mijn stem.
Die nacht lag ik wakker, luisterend naar het getik van de regen tegen het raam. Ik dacht aan onze bruiloft in het stadhuis van Amersfoort, aan de vakanties op Texel, aan de avonden samen op de bank. Was dat allemaal een leugen geweest?
De volgende ochtend besloot ik terug te gaan naar het ziekenhuis, eerder dan gepland. In de gang ving ik een gesprek op tussen twee verpleegkundigen.
‘Ze lijken wel op elkaar, hè? Die vrouwen van meneer de Vries.’
‘Ja, bizar! Ik snap wel dat ik ze door elkaar haalde.’
Mijn maag draaide zich om. Ik liep naar de balie en vroeg: ‘Sorry, kunt u mij vertellen wie er gisteren bij Bart de Vries op bezoek is geweest?’
De baliemedewerkster keek even op haar scherm. ‘Eh… gisterenmiddag was er een mevrouw Jansen. Zij stond als contactpersoon genoteerd.’
Jansen? Die naam zei me niets. Mijn handen trilden toen ik terugliep naar Barts kamer.
‘Bart,’ begon ik zodra ik binnenkwam, ‘wie is mevrouw Jansen?’
Hij sloot zijn ogen en zuchtte diep. ‘Sanne…’
‘Vertel het me alsjeblieft,’ smeekte ik.
Hij keek me eindelijk aan, zijn ogen nat van tranen. ‘Het spijt me zo…’
En toen kwam het hoge woord eruit. Hij had al drie jaar een relatie met iemand anders – Marieke Jansen – en ze hadden zelfs samen een zoontje van twee.
Het voelde alsof de grond onder mijn voeten wegzakte. Alles waar ik in geloofde, alles wat ik dacht te weten over mijn leven, bleek ineens wankel.
‘Hoe kon je dit doen?’ schreeuwde ik bijna. ‘Hoe kon je mij en Lotte dit aandoen?’
Hij huilde nu openlijk. ‘Ik weet het niet… Het is gewoon gebeurd… Ik wilde jullie niet kwijt…’
Ik rende de kamer uit, blind van woede en verdriet.
De dagen daarna waren een waas van telefoontjes met familieleden die allemaal hun eigen mening hadden (‘Je moet hem eruit gooien!’ riep mijn zus Anneke), gesprekken met Lotte die niet begreep waarom papa niet meer thuis kwam slapen (‘Heeft papa een nieuwe vriendin?’), en slapeloze nachten vol zelfverwijt.
Mijn moeder kwam langs met appeltaart en probeerde me te troosten. ‘Je bent sterk, Sanne,’ zei ze zachtjes terwijl ze mijn hand vasthield. ‘Je komt hier doorheen.’ Maar ik voelde me allesbehalve sterk.
Op een avond belde Marieke Jansen zelf aan. Ze stond daar met rode ogen en trillende lippen.
‘Mag ik even met je praten?’ vroeg ze zachtjes.
We zaten zwijgend tegenover elkaar aan de keukentafel. Ze vertelde dat Bart haar had beloofd te kiezen voor haar en hun zoontje, maar dat hij nooit echt afscheid had genomen van mij en Lotte.
‘Ik wist niet dat hij nog zo veel bij jullie was,’ zei ze schuldig.
‘En ik wist niet eens dat jij bestond,’ antwoordde ik bitter.
We huilden allebei. Twee vrouwen die dachten dat ze uniek waren voor dezelfde man.
De weken daarna probeerde ik mijn leven weer op te pakken. Ik ging weer werken als juf op de basisschool, maar merkte dat ik snel boos werd op de kinderen of ineens moest huilen tijdens het voorlezen van een verhaal.
Lotte trok zich steeds meer terug en wilde niet meer praten over haar vader. Mijn zus Anneke bleef aandringen om Bart definitief uit ons leven te bannen, maar ergens kon ik het niet over mijn hart verkrijgen om hem helemaal te verbannen – hij bleef immers Lottes vader.
Op een dag stond Bart ineens voor de deur met bloemen en tranen in zijn ogen.
‘Mag ik binnenkomen?’ vroeg hij schor.
Ik liet hem binnen, maar hield afstand.
‘Ik wil alles goedmaken,’ zei hij zachtjes. ‘Voor jou, voor Lotte…’
‘Dat kan niet meer,’ antwoordde ik. ‘Je hebt alles kapotgemaakt.’
Hij knikte langzaam en liep weer weg, gebroken.
Langzaam leerde ik mezelf opnieuw kennen – zonder Bart, zonder het idee van het perfecte gezin waar ik altijd in geloofd had. Ik vond steun bij vriendinnen, bij mijn moeder, bij Lotte die langzaam weer openbloeide toen ze zag dat ook zonder haar vader thuis het leven doorging.
Toch blijft er altijd die vraag knagen: hoe goed ken je iemand eigenlijk? En kun je ooit weer echt vertrouwen na zo’n verraad?
Misschien is dat wel wat ik jullie wil vragen: wat zouden jullie doen als je ineens ontdekt dat je leven gebouwd is op leugens? Zou je ooit nog kunnen vergeven?