Na dertig jaar vriendschap wilden zij geen vaste vrijdagavond meer — en toen ging ook ons jubileumfeest niet door
De twaalf flessen witte wijn staan nog in onze logeerkamer. Niet omdat ik ze bewust bewaar. We drinken gewoon bijna geen witte wijn, en de mensen voor wie ik ze had gekocht komen niet meer op vrijdag.
Dat klinkt zieliger dan ik het bedoel. Maar het is wel hoe het nu is.
Ik ben drieënzestig. Mijn vrouw Marijke en ik wonen al tweeëndertig jaar in dezelfde straat in Deventer. Peter en Els wonen schuin achter ons. Onze kinderen zaten bij elkaar in de kleuterklas. Zo begon het, met een geleende fietspomp en kinderen die bij de verkeerde voordeur naar binnen liepen.
Later werden het vakanties op dezelfde Franse camping. Verjaardagen waarbij niemand meer vroeg hoe laat je kwam. Toen Marijke werd geopereerd aan haar heup, bracht Els eten en hielp ze haar douchen. Ik kon dat ook, maar Marijke wilde het liever niet van mij. Dat heeft me destijds meer geraakt dan ik toegaf.
En toen Peters broer plotseling overleed, heb ik hem uit Duitsland opgehaald. Vier uur rijden zonder dat hij veel zei. Je houdt zoiets niet bij, dacht ik altijd. Inmiddels merk ik dat ik het blijkbaar toch ergens heb opgeslagen.
Vrijdag aten we samen. De ene week bij ons, de andere bij hen. Geen culinaire toestanden. Soms gewoon nasi, soms haalden we vis. Na het eten kaarten, of de televisie aan en commentaar leveren. Het was niet verplicht. Alleen gebeurde het bijna altijd.
Peter stopte vorig jaar met zijn werk. Els was een paar maanden eerder gestopt. Ze hadden gerekend, gespaard en besloten dat het kon. Ik werk nog drie dagen bij een bouwmaterialenhandel. Marijke werkt niet meer; ze heeft nog steeds last van haar heup en loopt buiten met een stok.
Wij waren oprecht blij voor ze. We hebben zelfs een ontbijtmand laten bezorgen op Peters eerste vrije maandag.
De eerste veranderingen vond ik leuk. Ze gingen zes weken naar Portugal met een gehuurde camper. Els stuurde foto’s van stranden en een parkeerplaats waar ze volgens haar ‘fantastisch vrij’ stonden. Ik zag vooral grind en een afvalcontainer, maar goed. Iedereen zijn vakantie.
Daarna kwamen er mensen bij. Een stel dat ze tijdens een wandelweek hadden ontmoet, ergens in de veertig. Een gescheiden vrouw uit hun Spaanse les. Via hen kwamen ze bij een eetclub terecht.
Ik maakte daar flauwe opmerkingen over.
‘Moeten jullie straks ook op zo’n festival met een muntje voor je bier?’
Peter lachte eerst mee. Later niet meer.
Het gesprek over de vrijdagen kwam bij ons, terwijl Marijke koffie zette. Els had haar jas nog aan. Dat herinner ik me vooral. Ik dacht dat ze haast had.
‘We willen eigenlijk van die vaste avond af,’ zei ze. ‘Niet van jullie, hè. Maar gewoon eens kijken hoe een week loopt.’
Ik vroeg of één keer per maand dan wel kon.
‘Liever niet meteen weer iets vasts,’ zei Peter.
Dat vond ik het pijnlijkste. Dat zelfs één afgesproken avond blijkbaar al te veel was.
Marijke schonk koffie in voor vier, hoewel Els zei dat ze niets hoefde. Niemand raakte die vierde kop aan.
Ik zei dat vriendschap toch ook betekende dat je rekening met elkaar hield. Peter zei dat hij veertig jaar op de klok had geleefd en daar nu even klaar mee was.
‘Wij zijn je werk toch niet?’ zei ik.
Hij keek naar Els. Zij keek naar haar jas.
We hebben die avond nog wel gegeten. Ik weet niet meer wat. Wel dat ik ontzettend mijn best deed om normaal te praten, wat waarschijnlijk erger was dan gewoon boos zijn.
Misschien had het daarna kunnen wennen. We hadden best andere mensen kunnen bellen. Dat deden we nauwelijks. Op vrijdagen bleef ik rond halfzes denken dat ik iets vergeten was.
Marijke vond dat ik te veel op hun foto’s keek.
‘Je wordt er alleen maar chagrijnig van.’
Ze had gelijk. Toch liet ze me een week later zelf een foto zien van Els aan een lange tafel met allemaal mensen die wij niet kenden.
In september zouden we ons dertigjarige vriendschapsjubileum vieren. Dat was Els’ idee geweest, het jaar ervoor. Geen groot feest, ongeveer achtentwintig mensen in een zaaltje bij een eetcafé. Onze kinderen, een paar buren, mensen van vroeger. De datum stond vast. Ik had de reservering geregeld en tweehonderd euro aanbetaald.
Peter belde op een dinsdag tussen twee klanten door. Er was een mogelijkheid om met hun nieuwe vrienden naar Nieuw-Zeeland te gaan. Ze konden een camper delen. Alleen viel het precies over ons feest heen.
Hij zei dat ze lang hadden getwijfeld.
Ik vroeg niet hoelang.
‘We kunnen het toch verzetten?’
Alsof onze kinderen niet vrij hadden gevraagd. Alsof dat zaaltje zomaar beschikbaar bleef. Ik zei dat hij het zelf maar moest afzeggen.
‘Doe nou niet zo, Henk.’
Toen heb ik iets gezegd waar ik nog steeds achter sta en me tegelijk voor schaam.
‘Wij waren blijkbaar goed genoeg tot jullie leukere mensen konden krijgen.’
Peter zuchtte. Ik hoorde ergens een kraan lopen.
‘Dat vind ik echt een nare opmerking.’
Ik heb opgehangen.
Die avond zette ik in de groepsapp met de genodigden dat het feest niet doorging omdat Peter en Els liever op reis gingen. Precies zo. Marijke vroeg of ik dat even wilde laten liggen, maar ik had het al verstuurd.
Els belde haar huilend. Niet mij.
De volgende ochtend kreeg ik van Peter de helft van de aanbetaling terug, met als omschrijving: ‘Zoals afgesproken.’ We hadden niets afgesproken. Ik heb zeker tien minuten naar die twee woorden gekeken.
Marijke is daarna alleen bij Els geweest. Daar was ik eerst boos om. Ook dat nog. Alsof zij toestemming van mij nodig had om haar eigen vriendin te spreken.
Ze vertelde bij thuiskomst dat Els zich al langer schuldig voelde als ze op vrijdag iets anders wilden doen. Dat ik dan ‘nou, veel plezier dan’ zei op een toon die kennelijk niet vrolijk klonk.
Dat zal best. Ik dacht dat ik mijn teleurstelling juist netjes inhield.
Het feest is afgezegd. Een deel van het geld kregen we terug. De wijn hadden we zelf gekocht.
Peter en Els vertrekken volgende maand. Vorige week kwam hij een geleende ladder terugbrengen. We hebben in de schuur staan praten, met de deur open omdat de lamp kapot is.
Hij zei dat ze ons niet kwijt wilden.
Ik zei dat het daar wel op leek.
Verder kwamen we niet echt. Hij vroeg of we voor hun vertrek een keer wilden eten. Ik moest bijna lachen om ‘een keer’, maar ik heb het niet gedaan.
Zondag gaan we naar hen toe. Marijke heeft het afgesproken. Ze vroeg gisteren of ik van plan was de hele avond moeilijk te doen.
Ik zei van niet. Ik hoop dat dat waar is.