Veertig jaar waren we elke donderdag samen, maar sinds ons pensioen voelt die afspraak anders

Ik heb onze reis naar Portugal pas in de groepsapp gezet toen de aanbetaling al gedaan was. Dat was laf. Normaal stuurde ik Henk meteen een link als we ergens enthousiast over waren. Nu had ik eerst geboekt, zodat er niets meer te bespreken viel.

Zijn reactie kwam na ruim een uur.

‘Drie donderdagen dus.’

Geen fijne reis, geen vraag waar we heen gingen. Alleen dat. Ik liet mijn telefoon aan Marijke zien. Ze zuchtte en ging verder met het schoonmaken van het koffieapparaat.

We kennen Henk en Els bijna veertig jaar. Onze kinderen zaten samen op de basisschool. Eerst dronken we koffie tijdens sportdagen, later gingen we met twee volgeladen auto’s naar Frankrijk. Henk kon achteruit met een caravan. Ik niet. Daar heeft hij ongeveer twintig jaar grappen over gemaakt.

De donderdagavond ontstond toen de kinderen uit huis gingen. De ene week bij hen, de andere bij ons. Gewoon eten. Andijviestamppot, pasta, soms Chinees als niemand zin had om te koken. Er werd niet gevraagd of het doorging. Alleen wie er aan de beurt was.

Die vanzelfsprekendheid vond ik jarenlang prettig.

Toen Marijke borstkanker kreeg, kwam Els op donderdag bij ons koken, ook als Marijke niets binnenhield. Henk reed me een keer naar het ziekenhuis omdat ik na drie nachten nauwelijks slapen niet meer achter het stuur durfde. Hij wachtte twee uur op een plastic stoel, zonder daar ooit een punt van te maken.

Dat moet ik erbij vertellen. Anders lijkt dit een verhaal over twee mensen die ons geen plezier gunnen. Zo is het niet.

Ik ben achtenzestig en werkte tot anderhalf jaar geleden als onderhoudsmonteur. Marijke stopte vorig voorjaar bij de thuiszorg. We hebben lang uitgekeken naar een periode waarin niet alles tussen diensten, boodschappen en verplichtingen door hoefde.

We zijn niet rijk, maar ons huis is bijna afbetaald. Er kan wat. Een paar weken weg buiten het hoogseizoen. Een cursus waar je overdag heen moet. Niet voortdurend op zondagmiddag denken aan maandag.

Marijke ging keramieken. Ik sloot me aan bij een wandelgroep. Dat laatste vond ik aanvankelijk behoorlijk ongemakkelijk. Allemaal mensen die elkaar al kenden, en ik met mijn nieuwe schoenen. Inmiddels loop ik op dinsdag met een stuk of acht anderen. Soms drinken we daarna ergens koffie.

Henk vroeg de eerste keer of ik mijn eigen vrienden niet gezellig genoeg meer vond.

Ik lachte. Hij ook. Ik weet nog steeds niet hoeveel grap daarin zat.

Het begon niet meteen met ruzie. We sloegen een donderdag over voor een lang weekend op Terschelling. Daarna eentje omdat we met mensen van de wandelgroep naar een lezing gingen. Els schreef: ‘Wij houden die avond wel altijd voor jullie vrij.’

Dat voelde als een verwijt, maar ze had ook gelijk. Zij planden om ons heen. Wij waren daarmee opgehouden zonder het echt te zeggen.

Er was bovendien een donderdag waarop ik pas op woensdag afbelde. Een oud-collega had kaartjes over voor een concert. Els had al stoofvlees gemaakt. Ik zei dat je dat prima kon invriezen.

Als ik het nu opschrijf, hoor ik hoe bot dat klonk.

We hebben aangeboden om vaker op andere dagen af te spreken. Maar Els wil niet steeds hoeven vragen wanneer er nog een gaatje is. Dat woord gebruikte ze: gaatje.

‘Vroeger hoorden wij gewoon bij jullie week.’

Ik zei dat ze daar nog steeds bij hoorden.

‘Als er niets leukers is,’ zei ze.

Daar werd ik kwaad van. Vooral omdat die concertavond natuurlijk precies zo was gegaan.

Henk en Els hebben minder mensen om zich heen dan wij. Hun dochter woont in Denemarken. Hun zoon komt geregeld, maar heeft een druk gezin. Een bevriend stel is verhuisd naar Limburg. Henk loopt slecht sinds een heupoperatie en lange reizen trekt hij niet meer.

Toen ik zei dat ze misschien zelf ook iets nieuws konden oppakken, keek hij naar zijn bord.

‘Ja, dat zal wel moeten.’

Ik had het goed bedoeld. Tenminste, dat hield ik mezelf voor. Er zat ook irritatie in. Ik wilde niet verantwoordelijk zijn voor hoe vol hun week was.

Vorige maand kwamen ze op zondagmiddag langs. Els had een papieren agenda meegenomen. Zo’n grote, met een elastiek eromheen. Ze legde hem naast de koekjes.

Ze hadden nagedacht, zei ze. De donderdagen moesten voortaan beschermd worden. En misschien de eerste zondag van de maand, zodat we ook nog eens samen ergens heen konden.

Vakanties konden natuurlijk, maar dan wel in overleg.

Marijke vroeg wat ‘in overleg’ betekende.

‘Gewoon, dat we rekening met elkaar houden,’ zei Henk.

‘Maar moeten we dan toestemming vragen?’

‘Dat zegt toch niemand?’

Daarna praatten we allemaal net iets harder dan nodig was.

Henk zei dat je op onze leeftijd mensen niet meer zomaar vond. Dat wij nu gezond genoeg waren om van alles te ondernemen, maar dat dat kon veranderen. Hij wees niet naar Marijke, maar ik dacht wel aan haar ziekte. Misschien deed hij dat ook.

Ik zei dat ik niet met pensioen was gegaan om opnieuw vrije dagen aan te vragen.

Els klapte haar agenda dicht.

Daar heb ik spijt van. Niet omdat ik die vaste dagen alsnog wil, maar omdat ik zag dat ik haar voor schut zette. Ze had iets meegenomen waarvan ze dacht dat het ons zou helpen.

We hebben nog koffie gedronken. Henk vroeg of ik de lekkage bij de schuur inmiddels verholpen had. Ik vertelde uitgebreid over een kapotte daktrim. Geen van ons wist hoe we weg moesten komen uit dat gesprek.

Sindsdien hebben we twee keer samen gegeten. Eén keer was het bijna als vroeger. We zaten te lachen om de buurman van Henk, die zijn eigen auto had klemgezet met een gehuurde aanhanger. Bij het afscheid zei Els dat het toch fijn was, zo met zijn vieren. Marijke kreeg tranen in haar ogen. Ik keek naar mijn schoenen.

Thuis zei ze dat ze de donderdagen eigenlijk ook mist. Niet iedere week, maar wel dat je ergens heen kunt zonder eerst zes berichten te sturen. Tegelijk wil zij niet stoppen met keramiek omdat de vervolgcursus alleen op donderdagavond is.

Portugal gaat door. We hebben afgesproken na terugkomst bij hen te eten. Els vroeg welke datum, en ik heb een zondag genoemd. Daar heeft ze een duimpje op gestuurd.

Gisteren wilde ik Henk bellen over iets onbenulligs op televisie. Ik had zijn naam al opgezocht, maar bedacht toen dat hij misschien weer over de agenda zou beginnen. Ik heb niet gebeld.

Dat vind ik op dit moment nog het vervelendst.