Onze vaste donderdagavond viel uiteen toen mijn beste vriend ineens naar een gemeenschap in Spanje wilde verhuizen

De stoel van Frank staat nu al bijna drie maanden leeg bij ons aan tafel. Dat klinkt misschien kinderachtig, maar ik kijk er elke donderdag nog steeds als eerste naar zodra ik de kamer binnenkom. Marjan zet dan vier borden neer, merkt het zelf ook, en haalt er twee weer weg zonder iets te zeggen.

We kennen Frank en Els sinds 1987. Onze kinderen zaten op dezelfde basisschool in Amersfoort. Eerst stonden we buiten bij het hek wat te praten over overblijfbriefjes en luizencontroles, later gingen we op zaterdag met z’n vieren fietsen. Toen de kinderen uit huis waren, bleef er juist meer over. Iedere donderdag aten we om en om bij elkaar. Geen chic gedoe. Pasta, stamppot, een keer iets uit de oven dat te lang erin had gestaan. Daarna wandelen langs de Eem of gewoon een rondje door de wijk, afhankelijk van het weer en onze knieën.

Frank was altijd degene die zei dat hij nog lang niet klaar was met werken. Hij had een klein installatiebedrijf, was overal handig in en kreeg zichtbaar plezier van een storing waar een ander van baalde. Maar vorig voorjaar verkocht hij het bedrijf vrij plotseling aan een jongere collega. Hij was toen zestig, net als ik. We hadden een etentje voor hem geregeld, met slingers die Els eigenlijk te overdreven vond.

In het begin leek hij vooral opgelucht. Geen telefoontjes meer om half zeven ’s ochtends, geen personeel dat ziek was op een dag dat er drie klussen liepen. Hij ging mediteren. Eerst thuis, met een app op zijn telefoon. Daarna een retraite in Drenthe. Daar ontmoette hij mensen die in Andalusië woonden, in wat hij een leefgemeenschap noemde.

Ik had er eerlijk gezegd weinig bij gedacht. Frank kon zich ergens helemaal in vastbijten. Vroeger waren het racefietsen, toen zuurdesembrood. Dit zou ook wel weer overwaaien.

Maar op een donderdagavond schoof hij zijn glas naar de rand van de tafel en zei hij dat hij en Els naar Spanje zouden gaan. Niet op vakantie. Voorgoed, of in elk geval voor langere tijd. In die gemeenschap leefden mensen eenvoudig, vertelde hij. Ze verbouwden groente, kookten voor bezoekers, hielpen in dorpen in de buurt en deelden veel van hun inkomen. Hij had daar, naar eigen zeggen, voor het eerst in jaren rust in zijn hoofd gevoeld.

Els zat naast hem met haar handen om haar servet gevouwen. Ze keek niet op.

Frank zei dat hun huis verkocht kon worden. Het was afbetaald en sinds de huizenprijzen zo waren gestegen, zou er genoeg overblijven voor een klein appartementje daar in de buurt en een bedrag dat ze in het project konden steken. Hij zei het opgewekt, bijna alsof hij vertelde dat ze een nieuwe caravan hadden gekocht.

Marjan vroeg: “En de meisjes dan?”

Daarmee bedoelde ze hun dochters, maar vooral de kleinkinderen. Els past iedere dinsdag op de twee kinderen van haar oudste dochter. De jongste is drie en noemt haar oma Else, omdat hij Els nooit goed kon zeggen.

Frank haalde zijn schouders op. “Die kunnen toch langskomen? En videobellen bestaat ook nog.”

Toen keek Els eindelijk op. Ze zei heel zacht: “Je videobelt niet met een kind van drie, Frank.”

Die avond liep ik met Frank terug naar hun huis. Marjan bleef nog even bij Els. Ik weet nog dat het miezerde en dat Frank zonder jas liep, alsof hij het koud hebben ook als een soort oefening zag.

Ik zei tegen hem dat Els tijd nodig had. Hij werd daar kortaf van. Niet boos, meer teleurgesteld in mij.

“Jij snapt toch wel dat je niet op je zestigste moet blijven hangen omdat het vertrouwd is?” zei hij.

Ik zei dat vertrouwd niet hetzelfde is als vastgeroest. Dat klonk achteraf nogal belerend. Hij antwoordde dat Els al dertig jaar alles rondom huis en kinderen had gedragen terwijl hij werkte, en dat hij nu eindelijk iets vroeg wat echt belangrijk voor hem was.

Daar kon ik niet makkelijk tegenin. Want daar zat waarheid in. Frank had veel gemist. Verjaardagen, ouderavonden, een keer zelfs de diploma-uitreiking van hun jongste omdat er ergens een grote lekkage was. Els had hem daar nooit hard op afgerekend, voor zover ik weet.

Thuis vertelde Marjan dat Els tijdens de afwas had gehuild. Niet dramatisch, gewoon stil, met tranen die bleven komen terwijl ze borden afspoelde die allang schoon waren. Ze wilde Frank zijn geluk niet afpakken, had ze gezegd. Maar ze wilde ook niet haar huis, haar vriendinnen van de aquagym, haar dochters en haar rol als oma inruilen voor een plek waar ze niemand kende en waar alles van haar werd verwacht omdat ze ‘open moest staan voor verandering’.

Marjan was meteen duidelijk. “Els moet niet meegaan als ze dat niet wil.”

Ik zei dat een huwelijk ook betekent dat je elkaar soms volgt. En ik hoorde mezelf praten en dacht tegelijkertijd: zou ik Marjan vragen haar hele leven op te geven omdat ik ineens ergens stilte had gevonden? Waarschijnlijk niet. Maar Frank was mijn vriend. Ik wilde niet degene zijn die tegen hem zei dat zijn droom egoïstisch was.

Vanaf dat moment werd alles stroef. Frank vond dat wij Els in haar twijfel hielden. Els vond dat wij niet moesten doen alsof dit een gezamenlijk plan was. Marjan appte haar vaker dan ze mij vertelde. Ik belde Frank soms in de schuur, omdat ik geen zin had in weer een discussie thuis.

Het ergste was een zondagmiddag in juli. Frank en Els kwamen langs omdat ze “duidelijkheid wilden”. Dat woord viel de laatste maanden steeds vaker. Frank had een vertrekdatum in oktober op het oog. Els had nog niets getekend voor de verkoop van het huis.

Hij zei dat haar uitstel niet alleen hem raakte, maar ook de mensen in de gemeenschap die op hem rekenden. Els zei toen, veel harder dan ik haar ooit had gehoord: “Niemand daar rekent op jou, Frank. Jij wilt dat ze op jou rekenen.”

Daarna was het stil. Ik keek naar mijn koffie en dacht dat ik iets moest zeggen. Ik zei uiteindelijk dat het misschien niet eerlijk was om Els te dwingen meteen ja te zeggen.

Frank keek me aan alsof ik hem had verraden. “Dus jij kiest ook haar kant.”

Marjan zei dat het geen teams waren. Dat maakte hem nog bozer, juist omdat het natuurlijk wel zo voelde.

Frank is begin oktober alleen vertrokken, eerst voor drie maanden. Hij huurt daar nu een kamer op het terrein. Els is in hun huis gebleven. De verkoopopdracht is ingetrokken, al weet ik niet of dat definitief is. Soms stuurt Frank foto’s van olijfbomen en een lange tafel buiten. Hij ziet er bruin en mager uit, maar ook lichter, als dat kan.

Els komt af en toe op donderdag eten. Niet elke week. Soms zegt ze op het laatste moment af omdat haar dochter haar nodig heeft, of omdat ze gewoon geen zin heeft om uit te leggen hoe het gaat. Dan eten Marjan en ik met z’n tweeën aan die veel te grote tafel.

Vorige week zei Els dat Frank met kerst misschien terugkomt. Ze zei het terwijl ze haar jas al aanhad. Marjan vroeg of ze daar blij mee was.

Els deed lang over haar antwoord.

“Nou,” zei ze, “ik heb zijn favoriete mok nog niet weggegeven.”

Daarna liep ze naar haar fiets, en ik bleef in de deuropening staan tot ze de hoek om was.