Sinds de ziekte van Henk voelt onze vriendschap niet meer als vriendschap, maar als een rooster dat nooit ophoudt
Mijn telefoon lag vanmorgen ondersteboven op tafel terwijl ik koffie zette. Dat doe ik sinds een paar maanden. Niet omdat ik iemand wil negeren, maar omdat ik bij ieder geluidje meteen denk: Henk of Marijke.
Rob vindt dat ik overdrijf. Hij zegt het nooit hard, maar ik zie het aan hem. Dan kijkt hij naar mijn telefoon, zucht een beetje en vraagt of we nog wel naar de markt gaan. Alsof de markt iets groots is. Gewoon even naar het centrum van Amersfoort, kaas halen, een broodje vis misschien. Vroeger deden we dat zonder erbij na te denken.
Henk en Marijke wonen twaalf minuten fietsen bij ons vandaan, in een seniorenappartement vlak bij het station. Wij kennen ze sinds 1981. Onze kinderen zaten ongeveer tegelijk op de basisschool. We hebben samen gekampeerd in Frankrijk, kerst gevierd in veel te kleine vakantiehuisjes, elkaars ouders begraven. Toen Rob na zijn reorganisatie een tijd zonder werk zat, was Henk degene die elke dinsdagavond aanbelde met twee biertjes en zei dat ze eerst maar eens Ajax moesten afkraken voordat ze over serieuze dingen begonnen.
We waren nooit van die vrienden die alles letterlijk samen deden. Juist niet. We konden maandenlang alleen op vrijdagavond bij elkaar eten en toch precies weten hoe het met de ander ging. Als er iets was, stonden we er. Dat was vanzelfsprekend, zonder dat iemand het ooit had hoeven uitspreken.
Twee jaar geleden kreeg Henk de diagnose Parkinson. Eerst dacht ik eerlijk gezegd: vervelend, maar hij blijft Henk. Hij had al jaren wat last van trillen. Bij het inschenken van wijn morste hij soms een beetje en hij maakte daar zelf grappen over. Maar het ging sneller dan we hadden verwacht. Hij loopt nu moeilijk, raakt snel moe en in drukte raakt hij het overzicht kwijt. Autorijden doet hij niet meer.
Marijke doet heel veel. Dat zie ik ook. Ze regelt medicijnen, afspraken, de huishouding, alles eigenlijk. Ze zegt vaak dat het wel gaat, maar ze ziet er soms uit alsof ze drie nachten niet heeft geslapen. Daarom zeiden we in het begin ook overal ja op.
Natuurlijk rijden we jullie naar de neuroloog.
Natuurlijk komen we eerder bij dat etentje, dan helpen we Henk rustig naar binnen.
Natuurlijk nemen we een rolstoel mee als we naar de Keukenhof gaan.
Het waren losse dingen. Zo voelde het tenminste. Tot het geen losse dingen meer waren.
Er kwamen appjes in de ochtend: of Rob Henk even naar de fysio kon brengen, want Marijke had zelf een afspraak bij de mondhygiënist. Of ik mee wilde naar de HEMA omdat Henk nieuwe onderhemden nodig had en Marijke hem niet alleen in het pashokje kon helpen. Of we zondag niet thuis konden blijven, want Henk had een slechte dag en wilde graag mensen om zich heen.
Dan stond er meestal bij: “Als het niet uitkomt, hoor.” Maar ik wist inmiddels dat er geen goed antwoord was op die zin.
Een keer zei ik dat ik al met mijn zus naar Zwolle zou gaan. Marijke stuurde terug: “Nee hoor lieverd, ga lekker. Henk is gewoon wat teleurgesteld, maar dat trekt wel bij.” Ik heb die dag in Zwolle voortdurend op mijn telefoon gekeken. Mijn zus vroeg drie keer of er iets was. Ik zei van niet, terwijl ik nauwelijks hoorde wat ze vertelde.
Rob werd stiller. Hij is nooit iemand geweest die makkelijk over gevoelens praat. Hij helpt gewoon. Hij repareerde een loszittende keukenkast bij Henk en Marijke, monteerde een beugel in de gang, zocht een tweedehands scootmobiel uit via Marktplaats. Maar op een zondagavond, toen we net onze jassen uit hadden na weer een middag daar, zei hij: “Ik wil volgende week gewoon een keer nergens heen.”
Ik reageerde meteen geïrriteerd. “Dat wil ik ook wel, maar wat moeten zij dan?”
Hij keek me aan alsof ik iets geks zei. “Zij hebben toch ook kinderen?”
Dat hebben ze. Een dochter in Deventer en een zoon in Haarlem. Allebei werkend, allebei met hun eigen gezin. Ze komen regelmatig, echt wel. Maar niet op een woensdagmiddag als Henk zich eenzaam voelt. Niet als de lift het niet doet. Niet als Marijke even wil wandelen zonder dat ze tegelijk bang hoeft te zijn dat hij valt.
Dus werden wij de tussenruimte. De mensen die dichtbij woonden en geen baan meer hadden. Alsof pensioen betekende dat onze tijd ineens van iedereen was.
De echte ruzie begon niet eens met een schreeuwpartij. Het was aan onze eettafel, met bloemkool uit de oven en een fles rood die Henk nauwelijks aanraakte omdat zijn medicatie niet goed viel. Hij had die middag gezegd dat hij graag weer een keer met z’n vieren naar Texel wilde, zoals vroeger. Een midweek. Marijke keek meteen opgelucht. Rob keek naar zijn bord.
Ik zei dat het misschien beter was om eerst iets kleins te doen. Een nachtje weg, of een dag naar de kust.
Henk werd heel stil. Daarna zei hij: “Ik ben toch niet ineens van porselein?”
Dat bedoelde ik niet. Maar ik wist ook dat een midweek Texel voor ons niet meer hetzelfde zou zijn. Wij zouden een aangepast huisje moeten zoeken, vervoer regelen, zorgen dat er overal een stoel was, rekening houden met rustmomenten, medicijnen, een toilet dat dichtbij moest zijn. En vooral: als Henk onrustig of uitgeput zou raken, zouden Marijke en ik het opvangen, terwijl Rob waarschijnlijk deed alsof hij nog even naar de supermarkt moest om een kwartier buiten adem te halen.
Na het eten stelde Rob voor om voortaan vaste momenten af te spreken. Bijvoorbeeld elke woensdagmiddag koffie, en om de week op zaterdag iets samen doen. Hij zei het voorzichtig, bijna te voorzichtig. Hij vertelde dat we anders zelf geen plannen meer maakten, omdat we nooit wisten wanneer er iets tussen zou komen.
Marijke knikte eerst. Ik dacht zelfs: gelukkig, ze snapt het.
Maar Henk zei: “Dus we moeten een afspraak inplannen om vrienden te mogen zijn.”
Rob zei dat dat niet was wat hij bedoelde.
“Nee,” zei Henk. “Jij bedoelt dat wij voortaan in een vakje passen. Woensdag van twee tot vier, als het jullie uitkomt.”
Ik voelde mijn gezicht warm worden. Ik zei dat we niet zijn verzorgers zijn. Meteen toen ik het uitsprak, wilde ik het terugnemen. Niet omdat het niet waar was, maar omdat het zo hard klonk.
Henk keek niet naar mij. Hij keek naar zijn handen. “Dat weet ik ook wel,” zei hij. “Maar iedereen zegt dat. En vervolgens verdwijnt iedereen een beetje.”
Marijke begon af te ruimen terwijl haar bord nog halfvol lag. Dat doet ze als ze wil voorkomen dat ze huilt. Ik ken haar te goed om dat niet te zien.
Sindsdien is het anders. We hebben wel contact, maar minder vanzelfsprekend. Henk appt Rob soms alleen een duimpje bij een foto of een oud voetbalfilmpje. Marijke stuurt mij praktische dingen: of ik een goed adres weet voor huishoudelijke hulp, of de apotheek op zaterdag open is. We spreken nog steeds op woensdag af, meestal. Alleen zit er nu iets gespannens onder, alsof we allemaal weten dat dat ene vaste moment niet alleen gezelligheid is maar ook een afspraak waar iemand bang voor is.
Vorige week belde Marijke op dinsdagavond. Henk had een rotdag gehad en wilde graag dat we langskwamen. Rob en ik zaten net met onze jassen aan, klaar om naar de film te gaan. We hadden kaartjes voor een kleine film in de Lieve Vrouw, iets waar we al weken zin in hadden.
Ik heb gezegd dat het die avond niet kon, maar dat ik de volgende ochtend koffie kwam drinken.
Daarna heb ik vijf minuten in de gang gestaan met mijn tas nog in mijn hand. Rob vroeg of we moesten afzeggen. Ik zei nee. In de bioscoop heb ik bijna niks van de film onthouden.
De volgende ochtend was Henk opgewekt. Hij vertelde over een documentaire die hij had gezien en maakte een flauwe grap over zijn fysiotherapeut. Marijke zette koffie alsof er niets was gebeurd. Niemand noemde mijn afzegging.
Toen ik wegging, zei Henk alleen: “Tot woensdag dan.”
Ik zei ja. En ik wist niet of ik opgelucht was of verdrietig.