Ik wilde onze vakantie afzeggen voor mijn vriendin, maar mijn man zei dat we haar niet langer konden redden

De paspoorten lagen al twee weken in het laadje bij de telefoon. Rob had de reisbescheiden uitgeprint, ouderwets op papier, omdat hij bang was dat zijn telefoon precies op Schiphol leeg zou zijn. Acht dagen Zuid-Portugal. Een klein appartementje in Tavira, geen groepsreis, geen verplicht programma. Alleen zon, een huurautootje en eindelijk geen agenda.

Ik had er zin in gehad. Echt. Tot Marijke op donderdagmiddag belde.

Ik zag haar naam op mijn scherm en voelde meteen die bekende spanning onder in mijn buik. Dat klinkt hard, want Marijke is al ruim dertig jaar mijn vriendin. We leerden elkaar kennen toen onze kinderen nog op de basisschool zaten. We gingen met vier stellen kamperen in Frankrijk, zaten bij elkaars verjaardagen, deelden de irritaties over ouders, werk en pubers. Toen mijn moeder overleed, stond zij met een pan soep voor de deur zonder eerst te vragen of dat uitkwam.

Dus nee, ik wil niet doen alsof zij zomaar iemand is.

Maar na haar scheiding van Kees was het alsof ze stukje bij beetje uit haar eigen leven verdween. Kees was degene die altijd de belastingaangifte deed, afspraken maakte, de auto naar de garage bracht. Ik heb Marijke vroeger vaak geplaagd dat ze hem wel erg makkelijk alles liet regelen. Ze lachte daar dan om en zei dat zij weer andere dingen deed. Misschien was dat ook zo. Alleen: toen hij wegging, bleef er ineens een stapel ongeopende enveloppen liggen en iemand die de gordijnen drie dagen dicht liet.

In het begin vonden Rob en ik het vanzelfsprekend. Elke dinsdag gingen we koffie drinken. Rob keek naar haar DigiD en de brieven van de gemeente, ik nam soms een maaltijd mee. We sleepten haar een paar keer mee naar buiten, eerst een rondje om het park, later koffie bij De Hema. Ze zei dan dat het haar goeddeed.

Alleen gebeurde er thuis niets meer zonder dat Marijke er tussendoor kwam.

Op dinsdagavond kreeg ik foto’s van aanmaningen. Zaterdagmorgen belde ze soms al om half negen omdat haar cv een vreemd geluid maakte. Als ik niet opnam, belde ze Rob. Als Rob ook niet opnam, stuurde ze berichten als: ‘Geeft niks hoor, ik red me wel.’ Daar kon ik dan de hele ochtend niet meer van genieten, omdat ik wist dat ze daarmee eigenlijk bedoelde dat ze zich verlaten voelde.

Rob is geen ongevoelige man. Hij heeft haar vaker geholpen dan ik. Hij reed naar haar huisarts toen ze zelf niet durfde, zat eens twee uur in de wacht bij de energieleverancier en heeft haar oude laptop opnieuw ingesteld nadat ze per ongeluk van alles had verwijderd. Maar bij hem sloeg het op een gegeven moment om in irritatie. Bij mij in schuldgevoel.

De huisarts had voorgesteld dat Marijke met de praktijkondersteuner zou praten en misschien weer contact zou opnemen met de ggz. Ze was eerder in behandeling geweest, jaren geleden, na een burn-out. Maar nu zei ze dat ze geen zin had om ‘weer een dossier’ te worden.

‘Jullie kennen me tenminste,’ zei ze dan. ‘Bij zo’n hulpverlener moet ik alles helemaal opnieuw vertellen.’

Dat begreep ik ook nog. Ik heb zelf ooit met mijn vader bij maatschappelijk werk gezeten toen hij na zijn beroerte niet meer alleen kon wonen. Je bent moe van formulieren en wachtlijsten voordat er überhaupt iemand naast je zit. Maar tegelijk begon ik te merken dat wij geen vriendin en vriend meer waren. We waren een soort noodnummer geworden, zonder dienstrooster en zonder einde.

Rob en ik kregen er ruzie over op de meest lullige momenten. In de supermarkt bijvoorbeeld, bij het vak met koffie.

‘Zullen we vanavond gewoon eens niet opnemen?’ zei hij.

Ik zei dat je zoiets niet kon plannen, omdat je niet wist hoe slecht het met haar ging.

‘Precies,’ zei hij. ‘En daarom leven wij dus al een jaar alsof er elk moment brand kan zijn.’

Ik werd kwaad. Ik zei dat hij makkelijk praten had, dat Marijke hem niet om emotionele dingen belde maar mij. Dat was niet eerlijk van me. Hij had gelijk dat ik haar verdriet vaak bij hem neerlegde zodra we thuis waren. Ik vertelde hem alles: wat ze had gezegd, hoe stil haar huis was, dat ze weer niet gedoucht had. Alsof hij dat ook allemaal moest dragen omdat ik het niet alleen kon.

Twee maanden voor de vakantie hadden we met Marijke afgesproken dat we in die week iemand van haar straat zouden vragen om af en toe even aan te bellen. Haar buurvrouw, Els, had dat zelfs aangeboden. Niet elke dag, maar wel een paar keer. Marijke zei toen dat het prima was. Ze keek zelfs even op toen ik vertelde over Portugal en vroeg of we een foto van de zee wilden sturen.

Die donderdag belde ze dus. Ik nam op in de keuken, met een boodschappentas nog op de grond.

Ze huilde niet eens hard. Dat vond ik erger. Ze praatte heel zacht en zei dat ze die nacht bijna niet had geslapen. Dat ze het gevoel had dat ze in een put zat. Dat ze bang was voor de week dat wij weg zouden zijn.

‘Ik denk niet dat ik dat kan, Anja,’ zei ze. ‘Ik denk echt niet dat ik alleen kan blijven.’

Ik zei meteen dat ik langs zou komen. Rob hoorde het aan mijn stem en schudde al zijn hoofd voordat ik had opgehangen.

Bij Marijke zat ik op de rand van haar bank. Er stonden drie mokken op tafel, waarvan ik niet wist of ze van die dag waren. De gordijnen waren dicht, hoewel de zon buiten scheen. Ze zei dat Els aardig was, maar niet begreep hoe het voelde. Haar broer woonde in Drenthe en sprak ze nauwelijks. Haar dochter in Groningen had het druk met werk en een baby. Iedereen had altijd iets.

Toen ik voorzichtig over de huisarts begon, keek ze me aan alsof ik haar weg wilde sturen.

‘Jij ook al?’

Dat kwam aan. Ik zei dat ik haar niet weg wilde sturen, dat ik juist wilde dat er meer mensen waren die konden helpen. Maar het klonk slap, zelfs voor mezelf.

Thuis zei ik tegen Rob dat ik dacht dat we niet konden gaan. Hij zette de waterkoker uit, terwijl die nog niet eens kookte.

‘Anja, als we nu afzeggen, wat dan? Dan gaan we met kerst misschien niet weg omdat ze kerst alleen zit. En volgend voorjaar ook niet, want dan is er weer iets.’

‘Ze zegt dat ze het niet aankan.’

‘Dan moet er hulp komen die daarvoor is. Niet jij, niet ik.’

Ik gooide hem voor de voeten dat hij haar liet vallen. Hij zei dat ik ons liet vallen. Daarna hebben we een tijd niet gepraat. We zaten gewoon in dezelfde woonkamer. Hij keek naar een quiz op tv die hij niet volgde, ik scrollde op mijn telefoon zonder iets te lezen.

De volgende ochtend heb ik Marijke gebeld. Mijn handen trilden zo erg dat ik mijn koffie over het aanrecht morste. Ik vertelde dat we zouden gaan, maar dat ik niet wilde doen alsof er niets aan de hand was. Ik zei dat ik samen met haar de huisarts zou bellen, diezelfde dag. En dat Els wist dat ze mocht aanbellen. Ook heb ik haar dochter een bericht gestuurd. Niet om haar onder druk te zetten, maar gewoon eerlijk: dat het niet goed ging en dat wij een week weg zouden zijn.

Marijke werd eerst heel stil. Daarna zei ze: ‘Dus jullie gaan gewoon.’

Ik zei ja.

Ze hing niet boos op. Dat was misschien nog moeilijker. Ze zei alleen: ‘Nou, fijne vakantie dan.’

We zijn uiteindelijk gegaan. De eerste twee dagen keek ik voortdurend op mijn telefoon. Marijke reageerde kort. Haar dochter had gebeld, vertelde ze. De huisarts had een afspraak geregeld bij de praktijkondersteuner. Verder schreef ze weinig.

Op de derde avond stuurde ze een foto van een boterham met kaas op een bord, met erbij: ‘Zelf gemaakt, kijk mij eens volwassen doen.’ Ik moest lachen en huilde daarna op het balkon, heel zacht, omdat ik niet wist of ik opgelucht was of me schaamde.

Sinds we terug zijn, gaan we nog steeds bij haar langs, maar niet meer op vaste momenten en niet voor haar hele administratie. Rob helpt haar één middag per maand met dingen die echt niet lukken. Ik drink soms koffie met haar, als vriendin. Dat verschil probeer ik vast te houden, al lukt het niet altijd.

Vorige week belde ze om negen uur ’s avonds. Ik zag haar naam, keek naar Rob en liet het twee keer overgaan. Toen nam ik toch op.

Ze wilde alleen weten of ik nog een goed recept had voor soep met courgette. Rob hoorde het en keek me aan. Ik zei niets. Ik zocht het recept op en stuurde het haar door.