Ik dacht dat ik Marijke beschermde, maar misschien hield ik haar vooral bij ons vast

Vorige week stond ik in Marijkes keuken en zag ik drie verhuisdozen onder haar eettafel staan. Niet eens mooie dozen, gewoon van die bruine van de Gamma, met een rol brede tape erbovenop. Op één doos had ze met een zwarte stift geschreven: SERVIES MEE?

Dat vraagteken maakte me veel bozer dan het had moeten doen.

Marijke en ik kennen elkaar sinds 1987. We zaten toen allebei op een verjaardag van iemand die we verder niet eens meer spreken. Mijn man Kees raakte aan de praat met Henk over Ajax en motoren, en Marijke en ik stonden in de keuken wijn in plastic bekertjes te drinken. Daarna ging het snel. Eerst af en toe etentjes, later vakanties met de kinderen, oud en nieuw, Pasen, verjaardagen, zelfs de begrafenissen van onze ouders.

Wij waren altijd met z’n vieren. Dat klinkt misschien benauwend, maar zo voelde het nooit. Henk was de luidruchtigste van ons allemaal, altijd te laat, altijd nog even een omweg willen maken. Kees en hij fietsten op zondag. Marijke en ik liepen op donderdagavond een rondje door het park, ook toen we eigenlijk allebei te moe waren. Onze kinderen zijn niet elkaars beste vrienden geworden, dat gebeurt blijkbaar niet vanzelf, maar ze kennen elkaar wel alsof ze neef en nicht zijn.

Toen Henk twee jaar geleden ziek werd, waren we er ook. Eerst met maaltijden en ritjes naar het ziekenhuis. Later met stil zitten in die woonkamer, terwijl Henk boven lag te slapen. Ik heb Marijke geholpen zijn overhemden weg te doen. Niet allemaal tegelijk. Eerst één vuilniszak. Toen nog één. Ze zat erbij met een deken om haar schouders, midden in juni.

Na zijn overlijden bleef ik bijna dagelijks contact zoeken. Soms belde ik, soms stuurde ik alleen: ik ben thuis, hoor. Kees deed klusjes. Een lamp ophangen, de dakgoot schoonmaken, de auto naar de garage brengen. We vonden het vanzelfsprekend. Marijke ook, dacht ik.

Maar een halfjaar geleden begon ze over Portugal.

Niet over een vakantie. Over echt weggaan. Ze had in Lagos een appartement gehuurd voor drie maanden, vertelde ze eerst. Om te kijken. Via een Nederlandse vrouw die ze in een Facebookgroep had leren kennen. Er was een yoga-aanbieding, ze wilde Portugees leren en misschien vrijwilligerswerk doen bij een dierenopvang.

Ik weet nog dat ik zei: “Maar waarom zou je dat in hemelsnaam doen?”

Ze keek me toen al anders aan. Niet gekwetst precies. Meer alsof ik iets bevestigde waar ze bang voor was.

“Waarom niet?” zei ze.

Ik begon meteen over praktische dingen. Haar huis. Haar pensioen. De huisarts. Wat als er iets gebeurt? Je hebt daar niemand, zei ik. Alsof niemand hebben altijd het ergste is wat je kan overkomen.

Ze zei dat ze dat juist prettig vond klinken.

In het begin dacht ik: het waait wel over. Iedereen roept na een overlijden wel eens dat hij het roer omgooit. En Marijke was nooit iemand die rustig een boekje ging lezen en dan zei dat het wel goed kwam. Maar ze ging echt Portugees leren. Ze nam online lessen op dinsdagmiddag. Ze verkocht Henks motor, waar ze eerst nog geen vijf minuten naar kon kijken. Daarna kwam er een makelaar langs.

Ik voelde me bij iedere stap meer buitengesloten, en daar schaam ik me voor. Want het was haar leven. Haar huis. Haar geld. Haar verdriet ook, al hadden wij Henk natuurlijk óók verloren.

Tegelijk had ik het gevoel dat ze deed alsof de afgelopen dertig jaar niets betekenden. Alsof wij alleen handig waren geweest voor de ziekteperiode en nu een soort oude meubels werden die niet mee pasten in haar nieuwe appartement aan zee.

In die keuken vroeg ik haar wat ze met die dozen bedoelde.

“Dat zie je toch?” zei ze. Ze klonk vermoeid. “Ik ben aan het uitzoeken.”

“Je gaat dus echt alles verkopen.”

“Waarschijnlijk wel.”

Ik zei dat ik het onverantwoord vond. Dat woord gebruikte ik echt. Alsof ik haar moeder was. Marijke legde haar handen plat op het aanrecht en keek naar buiten. Haar tuin was altijd Henks trots. Er stonden nu vooral natte bladeren op de tegels.

“Anja,” zei ze, “ik ben drieënzestig. Ik heb geen toestemming nodig.”

Daar ging iets bij mij dicht. Ik zei dat het niet om toestemming ging, maar dat ze niet kon verwachten dat wij vrolijk zouden doen alsof het normaal was. Kees zou haar gaan missen. Ik ook. We hadden afspraken, gewoontes, een heel leven samen gehad.

“Ja,” zei ze. “Gehad.”

Dat was gemeen, vond ik. Of misschien vooral raak.

Ik heb toen dingen gezegd waar ik niet trots op ben. Dat ze vluchtte. Dat Portugal haar Henk niet terug zou geven. Dat ze na drie maanden misschien huilend terug zou komen en dan geen huis meer had. Het klonk allemaal zorgzaam in mijn hoofd, maar ik hoorde mezelf steeds harder praten.

Marijke werd niet hard terug. Dat was bijna erger.

“Jij bent bang dat ik Henk achterlaat,” zei ze. “Maar ik probeer juist te ontdekken wie ik ben nu hij er niet is. En iedere keer als ik bij jou ben, heb ik het gevoel dat ik weer Marijke-en-Henk moet zijn. Of Marijke-die-het-zwaar-heeft. Ik kan niet ademhalen als iedereen blijft kijken of ik het wel red.”

Ik heb mijn jas gepakt zonder koffie te drinken. Buiten begon het te miezeren. Ik reed naar huis en bleef op de oprit zitten, terwijl Kees al twee keer achter het raam verscheen. Uiteindelijk stapte hij zelf naar buiten. Hij vroeg alleen: “Is het misgegaan?”

Ik zei: “Ze wil ons gewoon achterlaten.”

Kees keek naar de straat, niet naar mij. “Of ze wil ergens heen,” zei hij.

Daar was ik ook boos om. Hij kon dat lekker rustig zeggen, terwijl hij niet degene was die elke donderdag met Marijke liep. Maar later die avond zag ik hem Henks oude nummer nog in zijn telefoon staan. Hij had het nooit verwijderd. Hij drukte niet op bellen, natuurlijk. Hij zat alleen te kijken.

Marijke vertrekt over zes weken. Eerst voor drie maanden, zegt ze nog steeds, maar haar huis staat inmiddels onder voorbehoud verkocht. Ze heeft me een bericht gestuurd dat ik altijd welkom ben, al weet ze dat ik vliegen vreselijk vind. Ik heb teruggestuurd dat ik blij voor haar ben. Dat was niet helemaal waar. Ik heb er daarna tien minuten naar zitten staren voordat ik op verzenden drukte.

Donderdag is onze wandeldag. Ik weet niet of ik haar moet appen. Misschien doet zij dat ook niet. Misschien lopen we allebei rond zes uur een rondje door onze eigen buurt, met onze telefoon in onze jaszak en zonder dat iemand belt.