Ik wist niet of ik moest aanbellen of wegblijven toen onze beste vrienden ons niet meer binnenlieten

Ik heb de sleutel van het huis van Kees en Marijke nog steeds aan mijn sleutelbos hangen. Een klein zilverkleurig dingetje, met een blauw plastic label eraan waarop Marijke jaren geleden met stift hun adres schreef. Hij zit tussen die van onze schuur en de fietsaccu-oplader. Ik kom hem iedere dag tegen, maar ik weet niet meer of ik hem nog mag gebruiken.

Mijn vrouw Ellen en ik kennen Kees en Marijke sinds 1987. We woonden toen allebei net in een nieuwbouwwijk in Amersfoort, met jonge kinderen, te hoge hypotheekrentes en van die tuinen waar alleen zand in lag. Kees hielp mij met de schutting. Ik had geen idee hoe je een waterpas vasthield en hij deed alsof hij dat niet zag.

Daarna ging het vanzelf. Elke eerste zaterdag van de maand aten we bij elkaar. Om en om. Niet chic, maar wel uitgebreid. Marijke maakte altijd iets waar ze drie dagen van tevoren al mee begon. Ellen en ik waren meer van een grote pan stoofvlees, goede wijn erbij en dan zien we wel. In september gingen we een week weg. Eerst met de kinderen naar Frankrijk, later zonder kinderen naar Drenthe, Limburg, een huisje in Zeeland. De laatste jaren meestal naar Duitsland, omdat Kees dol was op wandelen in het Teutoburgerwoud en we dan boodschappen deden bij een enorme Edeka alsof dat een uitje op zichzelf was.

We waren geen mensen die elke dag belden. Juist niet. Maar als er iets was, wist je elkaar te vinden. Toen mijn vader overleed, stond Kees de volgende ochtend voor de deur met broodjes van de bakker en zei hij alleen: „Ik heb koffie gehaald, want ik dacht dat jullie die misschien vergeten waren.” Dat was Kees.

Het begon met kleine dingen. Hij vertelde tijdens een diner drie keer hetzelfde verhaal over een oud-collega van de gemeente. De eerste keer lachten we nog. De tweede keer keek Marijke naar haar bord. De derde keer legde ze haar hand op zijn arm en zei: „Ja, die heb je al eens genoemd, Kees.”

Hij keek haar aan alsof zij iets heel vreemds zei.

Later, toen Ellen en ik naar huis reden, zei zij dat we er niet te veel achter moesten zoeken. Hij was 62, we waren allemaal wel eens vergeetachtig. Ik zei dat ik dat ook wel wist, maar dat hij ook twee keer had gevraagd waar onze dochter woonde. Onze dochter woont al negen jaar in Zwolle. Kees was bij haar bruiloft geweest.

In de maanden erna werden de avonden stiller. Kees liet gesprekken langs zich heen glijden. Soms zat hij er heel gewoon bij en maakte hij een droge opmerking zoals vroeger, waardoor ik dacht dat ik mezelf gek maakte. En dan ineens wist hij niet meer hoe hij de vaatwasser open moest doen in ons huis, terwijl hij daar al tientallen keren borden in had gezet.

Marijke deed alsof er niets was. Of nou ja, niet alsof. Ze stuurde. Ze vulde zinnen aan, veranderde van onderwerp, haalde alvast zijn jas als we weggingen. Ze werd ook sneller geïrriteerd, vooral als Kees iets kwijt was. Dan zei ze met een stem die te opgewekt klonk: „Kijk nou eerst even goed, Keessie.” Hij had een hekel aan die naam. Dat wist zij beter dan wie ook.

Op een woensdag belde Marijke mij. Niet Ellen, mij. Dat vond ik al opvallend.

Ze zei: „Jeroen, Kees heeft onderzoek gehad. Het is niet goed. Ze noemen het een beginnende vorm van Alzheimer.”

Ik stond op dat moment in de Gamma met een pak pluggen in mijn hand. Ik weet nog dat ik naar een man keek die een kar met laminaat voortduwde, en dat ik dacht: die man heeft gewoon een normale woensdag.

Marijke zei dat Kees zelf nog niet wilde dat veel mensen het wisten. De kinderen wisten het. Haar zus ook. Verder liever niemand. „Hij schaamt zich er verschrikkelijk voor,” zei ze. „Hij denkt dat iedereen hem nu gaat behandelen alsof hij er niet meer bij is.”

Ik zei dat ik het begreep. Dat zei ik echt. Maar ik zei ook dat Ellen en ik er voor hen waren. Boodschappen, rijden naar afspraken, een keer koken, wat dan ook. Marijke bedankte me en zei: „Als we iets nodig hebben, laat ik het weten.”

Dat is zo’n zin waar je normaal niet aan twijfelt. Bij Marijke wel. Zij vroeg nooit makkelijk om hulp. Zelfs niet toen ze haar pols brak en met één hand een appeltaart probeerde te maken voor twaalf mensen.

We gingen nog twee keer eten. De eerste keer verliep ongemakkelijk, vooral omdat we allemaal ons best deden om niet ongemakkelijk te doen. Kees zei weinig. Toen ik voorstelde om dit jaar misschien weer naar het Sauerland te gaan, keek hij op en zei: „Daar zijn we toch vorig jaar geweest?”

Dat waren we niet. We waren er vijf jaar geleden geweest.

Marijke kneep haar lippen op elkaar. Ellen begon meteen over een hotel dat zij online had gezien, maar ik zag Kees kleiner worden aan tafel. Niet letterlijk natuurlijk. Hij zat daar nog steeds met zijn brede schouders en zijn geruite overhemd, maar hij leek ergens achter een ruit te zitten waar wij niet bij konden.

De tweede keer zegde Marijke op de middag zelf af. Kees had hoofdpijn, zei ze. Daarna werd het elke keer iets. Te moe. Slecht geslapen. Bezoek van de kinderen. Een afspraak. De jaarlijkse vakantie werd uitgesteld en uiteindelijk helemaal niet meer genoemd.

Ik begon vaker te bellen. Niet iedere dag, ik ben ook niet gek. Eerst eens per week. Marijke nam meestal niet op en stuurde dan later: druk, bel je snel. Soms belde ze niet terug.

Ellen vond dat ik haar moest laten. Zij zag ook hoe moe Marijke klonk als ze wél opnam. „Jij wilt iets doen omdat jij dit niet kunt verdragen,” zei Ellen op een avond. Dat kwam hard aan, juist omdat er iets van waar was.

Maar ik wilde Kees ook niet kwijtraken terwijl hij nog gewoon thuis was. Ik wilde niet doen alsof onze vriendschap alleen bestond uit leuke etentjes en vakantiefoto’s.

Op een zaterdag ben ik zonder afspraak langsgegaan. Ik had een tas met mandarijnen bij me, wat eigenlijk een idioot gebaar was. Alsof mandarijnen iets oplossen. Hun auto stond voor de deur. Ik belde aan.

Marijke deed pas na een tijdje open. Ze had een vest aan over haar pyjama en keek eerst langs mij heen, de straat op.

„Is Kees ziek?” vroeg ik.

„Nee. Hij rust.”

Ik hield de tas een beetje omhoog. „Ik was in de buurt.” Dat was niet waar. Ik was twintig minuten omgereden.

Ze zuchtte. Niet boos, meer uitgeput. „Jeroen, je moet niet steeds onverwacht komen.”

Ik zei dat ik alleen even wilde kijken hoe het ging. Dat we vrienden waren. Dat we niet wilden dat ze alles alleen moest doen.

Toen keek ze me eindelijk recht aan. Haar ogen waren rood, maar haar stem was scherp.

„En denk je dat ik niet weet dat ik hulp nodig heb? Denk je dat ik het fijn vind om Kees steeds uit te leggen waarom mensen langskomen? Hij wil geen project worden. Hij wil niet dat jij hem komt controleren of hij nog weet wie je bent.”

Dat laatste had ik niet gezegd, maar het trof me wel. Misschien zat het ergens in mij, die angst.

Ik zei: „Ik kom niet voor zijn geheugen. Ik kom voor hem.”

„Dat verschil kun jij misschien maken,” zei ze. „Hij niet altijd meer.”

Ik heb de mandarijnen op het bankje in de hal gezet. Ze zei nog wel dank je, automatisch bijna. Daarna deed ze de deur dicht.

Thuis zei Ellen niets toen ik binnenkwam. Ze zette gewoon thee. Ik heb die avond onnodig hard de vuilnis buiten gezet en later mijn excuses aangeboden omdat ik tegen haar snauwde over iets onbenulligs.

Een week later stuurde Marijke een bericht. Ze schreef dat ze spijt had van haar toon, maar niet van wat ze bedoeld had. Ze had via de geheugenpoli contact gekregen met een casemanager dementie en de kinderen kwamen om beurten langs. Ze wilde niet dat wij ons verantwoordelijk gingen voelen.

Ik heb teruggestuurd dat verantwoordelijk misschien niet het goede woord was. Dat we van hen hielden, op onze lompe manier. Dat we zouden wachten tot zij iets liet weten.

Sindsdien hebben we Kees twee keer gezien. Eén keer bij hun dochter, op zijn verjaardag. Hij herkende me niet meteen, maar toen Ellen zei dat ik degene was die destijds die scheve schutting had gebouwd, lachte hij ineens. „Die staat zeker nog steeds,” zei hij.

„Hij staat nog steeds,” zei ik.

Marijke keek naar me, heel kort. Niet warm, niet koud. Gewoon moe.

De sleutel hangt nog aan mijn bos. Ik heb hem er een paar keer afgehaald om terug te sturen, en iedere keer weer teruggehangen. Misschien omdat ik hoop dat Marijke ooit belt en alleen zegt dat ik even de planten water moet geven. Misschien omdat ik nog niet kan accepteren dat je soms naast iemand moet blijven staan zonder dichterbij te mogen komen.