Na veertig jaar vrienden weet ik niet of ik nog mee kan op onze jaarlijkse vakantie
Ik heb vorige week voor het eerst onze groepsapp op stil gezet. Niet verlaten, want dat voelde meteen weer overdreven in mijn hoofd, maar wel op stil. Er kwamen foto’s voorbij van de eerste sneeuwklokjes in de tuin van Karin en Henk die vroeg wie er vrijdag allemaal kwam eten. Normaal reageer ik daar binnen vijf minuten op. Nu keek ik ernaar alsof het berichten van mensen waren die ik ooit gekend had.
We zijn met z’n achten, al sinds eind jaren zeventig. Vier stellen, destijds allemaal net begonnen met werken of nog studerend. We leerden elkaar kennen via volleybal en verjaardagen, en voor je het weet zit je veertig jaar later nog steeds iedere woensdag of vrijdag bij elkaar aan tafel. Niet altijd elke week met iedereen, maar er is altijd wel iets. Een verjaardag, een wandeling, een etentje bij de Chinees in het dorp, de jaarlijkse vakantie in Frankrijk.
Die vakantie is bijna heilig geworden. Eerst met kleine kinderen in een stacaravan, later met pubers die eigenlijk niet meer mee wilden en toch meegingen omdat er wifi was, en nu huren we al een paar jaar twee gîtes in de Ardèche. De mannen doen alsof ze verstand hebben van de barbecue. Wij vrouwen regelen boodschappen en zeggen elk jaar dat we het de volgende keer eenvoudiger gaan doen.
Erik en ik zijn 64 en 66. We kennen die mensen langer dan sommige familieleden. Mijn zus woont in Groningen en zie ik weinig. Mijn ouders zijn overleden. Onze zoon woont met zijn gezin in Amersfoort en heeft zijn eigen drukte. Dus ja, deze groep is niet zomaar een groep kennissen. Dat maakt het ook zo ingewikkeld.
Het gaat om Rob. Hij is getrouwd met Marja, die ik oprecht lief vind. Rob was altijd al aanwezig. Hij praat hard, weet het beter en kan in één adem zeggen dat hij niemand wil beledigen om daarna precies dat doen. Vroeger kon ik daar wel omheen. Iedereen had een rol. Henk was de stille, Karin de regelaar, Marja suste de boel en Rob maakte “grappen”.
Maar de laatste twee jaar is het veranderd.
Ik heb artrose in mijn knieën en heupen. Niet dramatisch, maar ik ben wel stijver geworden en ik moet nadenken over wat ik doe. Ik ben ook wat aangekomen nadat ik minder ben gaan werken. Ik werkte in een bibliotheek en ben vorig jaar helemaal gestopt. Ik had gedacht dat ik die ruimte heerlijk zou vinden, maar ik miste mijn collega’s meer dan ik verwacht had. Ik beweeg wel, ik zwem twee keer per week, maar ik ben niet meer degene die zonder nadenken een bergpad oploopt.
Rob vindt dat blijkbaar een onderwerp.
De eerste keer zei hij tijdens een etentje: “Nou Lies, jij gaat toch niet mee wandelen morgen? Dan moeten we halverwege de ANWB bellen.” Iedereen lachte een beetje. Ik ook, geloof ik. Zo’n lachje waarbij je vooral wilt dat het voorbij is.
Later, toen ik een glas wijn afsloeg omdat mijn medicijnen niet goed samengaan met alcohol, zei hij: “Wat ongezellig. Straks mogen we zeker ook geen bitterballen meer van de gezondheidsinspectie.”
Dat soort dingen. Los zou je kunnen zeggen: ach, flauw. Maar hij bleef het doen. Als ik iets vertelde over mijn zoon, had ik hem te veel geholpen. Als ik zei dat ik misschien vrijwilligerswerk wilde doen, was dat zeker omdat ik thuis niet te harden was voor Erik. Toen ik in december een afspraak bij de reumatoloog noemde, zei hij: “Je moet niet overal een stempel op willen, hoor. Een beetje doorbijten deden we vroeger ook.”
Ik zei toen: “Rob, ik ga naar een arts, niet naar een stempelwinkel.”
Hij trok zijn wenkbrauwen op en zei: “Jemig, je mag ook niks meer zeggen tegenwoordig.”
Dat is misschien het moment geweest waarop ik merkte dat niemand iets zei. Marja keek naar haar bord. Karin begon over de saus. Erik kneep onder tafel even in mijn hand, maar thuis zei hij: “Je weet toch hoe Rob is. Als jij erop ingaat, wordt het alleen maar groter.”
Dat deed me bijna nog meer pijn dan wat Rob had gezegd.
Erik bedoelt het niet slecht. Hij haat gedoe. Zijn hele leven heeft hij geprobeerd iedereen een beetje te vriend te houden. Op zijn werk bij de gemeente was hij ook zo: rustig blijven, koffie halen, niet meteen op scherp zetten. Alleen voelde het voor mij alsof ik moest betalen voor die rust. Alsof ik de prijs was van een gezellige avond.
Na een etentje begin februari ben ik in de auto stil gebleven tot we bijna thuis waren. Rob had die avond gezegd dat ik “wel erg kwetsbaar was geworden sinds mijn pensioentje”. Het ging over niets, ik weet niet eens meer waar we het precies over hadden. Ik keek naar de donkere huizen langs de weg en dacht: ik wil niet meer naar huis rijden met mijn kaken op elkaar.
Thuis heb ik mijn jas aan de kapstok gehangen en gezegd dat ik niet meer wil dat Rob bij ons over de vloer komt. En ik wil ook niet meer bij hem eten.
Erik ging aan de keukentafel zitten. Hij zei niet meteen nee. Dat vond ik ergens erger, omdat ik hoopte dat hij zou zeggen: natuurlijk niet, klaar.
In plaats daarvan zei hij na een tijdje: “Maar dan trek je Marja ook mee in iets waar zij niet om gevraagd heeft.”
“Marja zegt ook niets.”
“Dat vind ik ook jammer. Maar als wij Rob uitsluiten, dan valt die hele groep uit elkaar.”
Ik zei dat ik niemand uitsloot. Ik wilde alleen niet meer doen alsof ik bevriend was met iemand die mij iedere keer onderuit haalt. Dat verschil leek voor hem niet te bestaan.
We hebben uiteindelijk Karin en Henk verteld dat we twijfelen over de vakantie. Niet in de groepsapp, maar bij hen thuis, met koffie en van die droge koekjes die Karin altijd op een schaaltje legt. Ik had mijn verhaal nog geen vijf minuten gedaan of Henk zei: “Rob is lomp, dat weet iedereen. Maar hij heeft ook een goed hart.”
Karin zei dat het zonde was om na al die jaren “de boel zo op scherp te zetten”. Ze vroeg of ik niet gewoon rechtstreeks met Rob kon praten. Daar ben ik niet tegen, maar ik vroeg waarom het mijn taak was om hem uit te leggen dat je iemand niet belachelijk maakt om haar lijf of gezondheid.
Toen werd het ongemakkelijk stil.
Karin zei uiteindelijk: “We hebben allemaal wel eens last van elkaar.”
Misschien is dat waar. Ik ben ook niet altijd makkelijk. Ik kan me terugtrekken en dan verwachten dat Erik begrijpt wat er is. Ik heb vast ooit een scherpe opmerking gemaakt die iemand is bijgebleven. Veertig jaar samen optrekken betekent niet dat iedereen voortdurend aardig is.
Maar er zit voor mij verschil tussen elkaar verdragen en iemand steeds dezelfde plek raken omdat je weet dat het pijn doet.
Rob heeft me inmiddels gebeld. Ik nam niet op. Hij stuurde daarna: “Als je je gekwetst voelt, sorry, maar je vat dingen vaak zwaar op.” Ik heb dat bericht twintig keer gelezen. Vooral dat woordje ‘maar’. Uiteindelijk stuurde ik alleen dat ik voorlopig afstand wil en dat ik geen discussie wil over of ik gekwetst móét zijn om gekwetst te zijn.
Marja stuurde later een hartje. Geen woorden. Ik weet niet of ik daar boos om moet zijn of juist blij dat ze überhaupt iets stuurde.
Vrijdag is het wekelijkse eten. Erik gaat wel. Hij zei dat hij niet wil kiezen tussen mij en zijn vrienden, en ik snap dat zelfs. Of ik probeer het te snappen. Hij heeft aangeboden thuis te blijven, maar ik wil ook niet dat hij uit schuldgevoel naast mij op de bank zit terwijl ik hem van alles kwalijk neem.
Ik heb gezegd dat ik die avond ga zwemmen en daarna misschien langs onze zoon rij om de kleinkinderen welterusten te zeggen. Hij vond dat een goed idee, iets te snel misschien.
De vakantie in juni hebben we nog niet afgezegd. De aanbetaling is gedaan, de huisjes zijn geregeld, en in de app wordt alweer gevraagd wie een koelbox meeneemt. Ik weet alleen niet hoe ik een week in Frankrijk moet zitten aan een lange tafel met Rob tegenover me, terwijl iedereen verwacht dat ik weer gewoon meedoe.
Voorlopig staat de app dus op stil. Niet omdat ik niets meer om hen geef. Misschien juist omdat ik nog steeds te veel om hen geef.