Mijn man probeert zijn beste vriend na de scheiding overeind te houden, maar ik raak hem daardoor zelf kwijt
Het begon met die appjes op zondagavond. Niet eens dramatische appjes meestal. Alleen: “Drukke dag gehad?” of “Ben je nog wakker?” Soms kwam er helemaal niets, en dan keek Henk toch elk kwartier op zijn telefoon.
Theo en Marjan kennen we sinds 1983. We woonden toen allebei in een rijtjeshuis in Nieuwegein, met jonge kinderen, lekke banden en te weinig geld voor vakantie. We gingen jarenlang samen kamperen in Frankrijk. Theo was degene die altijd de tentstokken kwijt was en dan alsnog als eerste met een koud biertje voor je neus stond. Marjan en ik deden samen de zwemlesritten en klaagden over de schoonouders, zoals je dat toen deed.
Ik dacht oprecht dat wij oud zouden worden als twee stellen die bij elkaar over de vloer bleven komen. Niet per se elke week, maar gewoon: verjaardagen, kerstborrel, een etentje als iemand met pensioen ging.
Toen Marjan vorig voorjaar zei dat ze weg wilde, zat Theo erbij aan tafel. Hij had zijn handen om een kop koffie gevouwen en zei bijna niets. Marjan huilde ook. Het was geen affaire, geen enorme ruzie waar wij van wisten. Zij was gewoon op, zei ze. Al jaren. Ze wilde niet meer zorgen, niet meer uitleggen waarom ze ongelukkig was.
Ik vond het verschrikkelijk voor allebei. Maar ik moet eerlijk zeggen dat ik vooral dacht: dit is hun huwelijk. Wij kunnen er voor ze zijn, maar wij kunnen dit niet dragen.
Henk dacht daar anders over.
In het begin was het logisch. Theo bleef in het huis wonen, Marjan had tijdelijk een appartementje in Utrecht gevonden. Henk hielp Theo met het uitzoeken van verzekeringen, omdat Marjan dat altijd deed. Hij ging mee naar de bouwmarkt voor een nieuwe lamp in de gang. Theo at een paar keer bij ons omdat hij anders alleen een boterham met pindakaas nam.
Daar zei ik niets van. Waarom zou ik? Als je vriend van bijna veertig jaar ineens alleen in een huis zit waar overal nog de spullen van zijn vrouw staan, dan laat je hem niet verrekken.
Maar het werd geen fase.
Het is nu ruim een jaar later. Iedere dinsdagavond gaat Henk naar Theo. Eerst om te eten, later omdat Theo op dinsdag blijkbaar het slechtst slaapt. Soms vertrekt Henk na zijn werk meteen en komt hij pas rond elf uur terug. Hij ruikt dan naar sigaretten, terwijl hij zelf al twintig jaar niet rookt. Theo rookt weer sinds de scheiding.
Als Henk thuiskomt, zet hij heel zacht zijn tas neer. Alsof ik al slaap, ook wanneer ik gewoon beneden zit met de televisie aan.
“Hoe was het?” vraag ik dan.
“Niet best.”
Meer komt er vaak niet. Of hij vertelt dat Theo weer zei dat het allemaal geen zin heeft, dat Marjan verdergaat en hij nergens meer bij hoort. Dan zit Henk met zijn ellebogen op tafel en kijkt naar het tafelblad alsof hij zelf ergens doorheen zakt.
Ik heb meerdere keren gezegd dat Theo hulp nodig heeft die groter is dan Henk. Hij is wel bij de huisarts geweest, zei Henk. Hij staat op een wachtlijst voor gesprekken, of hij heeft gesprekken gehad, ik weet het niet precies. Theo vertelt dingen tegen Henk waar Henk vervolgens niet veel over kwijt wil. Dat snap ik ook wel. Alleen zit mijn man daarna dagenlang met een zwaar gezicht in huis.
Hij kan ineens boos worden om iets kleins. Omdat ik vraag of hij de container buiten wil zetten. Omdat ik zeg dat we zaterdag naar mijn zus gaan, zoals al weken afgesproken.
“Je weet toch dat Theo dan alleen zit?” zei hij vorige maand.
Ik zei: “Theo zit elke avond alleen, Henk. Betekent dat dat wij nooit meer iets mogen doen?”
Dat was hard. Ik hoorde het zelf ook. Maar ik was moe van het steeds rekening houden met een man die niet bij ons woont.
Wat het moeilijk maakt, is dat ik Theo niet onsympathiek vind. Integendeel. Toen mijn vader overleed, stond hij hier de volgende ochtend met een tas krentenbollen omdat hij niet wist wat je anders meeneemt. Hij heeft Henk ooit geld geleend toen wij net ons bedrijfje begonnen en de btw-aanslag verkeerd hadden ingeschat. Zonder rente, zonder gedoe. Hij is geen vreemde die onze tijd opeist. Hij is familie geworden, op een rare manier.
Maar familie kan je ook uitputten.
In juni zouden Henk en ik voor het eerst sinds jaren twee weken naar Texel gaan. Geen grote reis, gewoon een huisje bij De Koog. Ik had het al geboekt in januari. We zouden fietsen, lezen, misschien een keer naar Den Burg voor vis halen. Ik keek daar belachelijk erg naar uit. Niet omdat Texel zo spectaculair is, maar omdat we thuis de laatste tijd alleen maar langs elkaar heen leefden.
Drie weken voor vertrek zei Henk dat hij misschien na een week terug moest.
Ik dacht eerst dat hij een grap maakte.
“Waaróm?” vroeg ik.
“Het lijkt me niet goed als Theo twee weken helemaal niemand ziet.”
Ik zei dat Theo een volwassen man van tweeënzestig is en dat er ook een broer, een dochter en collega’s bestaan. Henk zei dat zijn broer in Drenthe woont, zijn dochter het druk heeft met haar gezin en collega’s na zo’n scheiding snel verdwijnen. Dat laatste geloof ik trouwens meteen.
Toen zei ik iets waar ik nog steeds spijt van heb. Ik zei: “Dus wij moeten maar minder belangrijk worden omdat iedereen anders wegloopt?”
Henk werd heel stil. Niet boos stil, maar gekwetst. Hij zei: “Ik loop niet weg omdat ik hem belangrijker vind dan jou. Ik loop niet weg omdat iemand het moet doen.”
Ik antwoordde: “Niemand heeft jou aangewezen.”
Daarna hebben we twee dagen nauwelijks gepraat. We deden gewoon wat er moest: boodschappen, de was, een verjaardag van onze kleinzoon. Bij mijn dochter aan tafel vroeg ze nog of we zin hadden in Texel. Henk zei dat het wel goed zou komen. Ik kon hem wel aankijken.
Uiteindelijk is hij niet eerder teruggegaan. Theo’s dochter heeft geregeld dat hij dat weekend bij haar kwam eten en een buurman nam hem mee naar een voetbalwedstrijd. Henk ging op Texel iedere dag bellen, soms twee keer. Ik probeerde daar niet moeilijk over te doen. Toch voelde ik me telkens de reservebank wanneer zijn telefoon trilde.
Op de laatste avond zaten we buiten bij het huisje. Het waaide hard genoeg dat onze servetten steeds van tafel vlogen. Henk had net opgehangen en keek naar de duinen.
Ik zei dat ik niet wilde dat hij Theo liet vallen. Dat had ik nooit gevraagd. Maar ik wilde ook niet getrouwd zijn met iemand die zich verantwoordelijk voelt voor iedere ademhaling van een ander.
Hij zei dat ik het overdreef.
Misschien deed ik dat ook. Ik was toen al dagen bezig met alle dingen die ik niet kreeg: zijn aandacht, een gewoon gesprek, een avond waarop hij niet half bij Theo in zijn hoofd zat.
Later zei Henk, zachter, dat hij bang is dat Theo iets aandoet als iedereen minder vaak langskomt. Daar schrok ik van. Niet omdat ik het niet had bedacht, maar omdat Henk die angst kennelijk al maanden alleen met zich meedraagt.
Sindsdien gaat hij nog steeds op dinsdag. Alleen niet meer vanzelfsprekend op zaterdag ook. We hebben afgesproken dat hij mij vertelt wanneer het echt slecht gaat, zonder alle details te schenden. En ik heb gezegd dat ik niet elke keer wil horen dat hij “even” langsgaat als dat vervolgens vijf uur duurt.
Het klinkt misschien als een redelijke afspraak. In de praktijk is het rommelig. Vorige week belde Theo op donderdag en is Henk toch gegaan. Ik zei niets, maar ik had net pasta gemaakt voor twee personen en zette zijn bord in de koelkast.
De volgende ochtend at hij die pasta koud als lunch. Hij zei dat het hem speet.
Ik zei dat ik wist dat hij niet expres iets van mij afpakt.
Dat is ook zo. Alleen voelt het soms wel zo. En ik weet nog steeds niet of je daar gelijk in kunt hebben als de ander probeert te voorkomen dat zijn oudste vriend helemaal alleen verdwijnt.