Na veertig jaar plannen we ineens dingen zonder Henk en ik schaam me daar elke keer voor
Vorige week stond ik in de Jumbo met twee pakken koffiefilters in mijn mandje, terwijl ik naar mijn telefoon keek. In onze groepsapp had Marianne een foto gezet van Henk op zijn scootmobiel bij de fysio. Hij had er zelf bij geschreven: “Kijk, weer een stap vooruit. Nou ja, figuurlijk dan.”
Normaal zou ik meteen iets terugsturen. Henk maakt al zijn hele leven grappen als iets hem dwarszit. Toen hij veertig was en zijn enkel had gebroken bij het tennis, kwam hij op krukken naar onze barbecue met een bord om zijn nek: GEEN MEDISCH ADVIES GEVRAAGD.
Maar die middag had ik net met Pieter kaarten besteld voor een voorstelling in DeLaMar. Voor ons tweeën. En ik voelde me ineens alsof ik iets achterhield.
We kennen Henk en Marianne sinds 1983. Pieter werkte toen bij een installatiebedrijf in Amersfoort, Henk zat bij dezelfde voetbalvereniging. Ik weet nog dat Marianne en ik de eerste keer samen de kinderen naar zwemles brachten. Daarna ging het eigenlijk vanzelf. Kamperen in Frankrijk met te kleine tenten, zaterdagen langs natte voetbalvelden, kerstdiners waarbij iedereen zei dat we het volgend jaar simpeler zouden doen en het dan toch weer uit de hand liep.
Toen de kinderen groter waren, gingen we ieder voorjaar een weekend weg. Limburg, de Veluwe, een keer Gent. We waren niet van die mensen die dagelijks bij elkaar over de vloer kwamen, maar we wisten alles van elkaar. Ook de dingen waar je je voor schaamt. Dat Pieter een tijd zonder werk zat. Dat onze oudste zoon een schuld had waar wij pas veel te laat achter kwamen. Dat Marianne haar moeder eigenlijk niet meer thuis kon wonen, terwijl zij daar wekenlang tegen vocht.
Toen we allemaal met pensioen gingen, maakten we er bijna een project van. Elke woensdag iets doen. Museum, markt in een andere stad, fietsen als het weer goed was, lunchen als het weer tegenzat. Henk noemde het onze “seniorenagenda”, wat hij zelf heel geestig vond omdat hij een hekel had aan het woord senior.
Twee jaar geleden kreeg hij de diagnose Parkinson. Niet ineens heel zwaar, niet zoals je soms op televisie ziet. In het begin was het een trillende hand en een manier van lopen die net iets trager werd. Hij zei dat hij vooral niet als een breekbaar pakketje behandeld wilde worden.
“Als ik zeg dat ik mee kan, dan kan ik mee,” zei hij steeds.
En wij zeiden dat natuurlijk ook. “Tuurlijk, Henk.”
Maar het werd ingewikkelder dan dat. Bij een wandeling op Texel raakte hij uitgeput, terwijl hij een halfuur eerder nog had gezegd dat het prima ging. Marianne wilde eerder terug. Henk wilde door, juist omdat hij niet wilde toegeven. Uiteindelijk zaten we op een bankje bij de vuurtoren, met een koude wind en vier mensen die deden alsof er niets aan de hand was.
Pieter vroeg voorzichtig of hij de auto zou halen.
Henk keek hem aan alsof Pieter had voorgesteld hem naar een verzorgingshuis te brengen.
“Ik kan gewoon lopen.”
Hij liep ook. Alleen zo langzaam en verkrampt dat we er bijna anderhalf uur over deden om terug te komen. Niemand zei iets in de auto. Marianne keek uit het raam. Henk zat achterin te hijgen, maar toen we bij het huisje waren, zei hij: “Volgende keer gewoon een vlakke route uitzoeken.”
Ik was toen vooral boos op hem. Dat vind ik lelijk om toe te geven. Niet omdat hij ziek was, daar kun je niet boos om zijn. Maar omdat hij ons liet raden waar de grens lag en vervolgens kwaad werd als we die grens verkeerd inschatten.
Marianne heeft het ook zwaar, maar daar praat ze nauwelijks over waar Henk bij is. Als we even alleen in de keuken staan, zegt ze dingen als: “Hij wil nog zoveel mogelijk zelf.” Of: “Je moet hem niet te veel corrigeren, dan klapt hij dicht.”
Een paar maanden geleden wilden we naar de Keukenhof. Het was mijn idee geweest. Henk zei meteen dat hij mee wilde, maar de avond ervoor belde Marianne af. Hij had een slechte dag en wilde niet dat wij hem zo zagen. Pieter stelde voor om dan gewoon een andere datum te prikken.
Dat vond ik logisch. Alleen hadden wij die kaarten al, het was mooi weer, en eerlijk gezegd had ik zin om een keer niet de hele dag te kijken of iemand een stoel nodig had of naar het toilet moest. Ik zei tegen Pieter: “We kunnen toch gewoon gaan?”
Dus gingen we.
Ik zette één foto in de groepsapp. Tulpen, geen mensen erop. Achteraf denk ik: waarom deed ik dat überhaupt? Alsof Henk niet zou weten waar we waren.
Hij reageerde pas de volgende ochtend.
“Mooi. Fijn dat jullie in elk geval door zijn gegaan.”
Het was zo’n zin waar alles in zat zonder dat er iets stond. Marianne stuurde daarna een hartje. Pieter reageerde niet. Ik ook niet, urenlang. Uiteindelijk schreef ik dat we het jammer vonden dat ze er niet bij konden zijn en dat we snel iets rustigers zouden plannen.
Henk belde die avond zelf. Hij klonk heel beheerst, en juist daardoor wist ik dat hij boos was.
“Dus een uitje dat we met z’n vieren zouden doen, is nu gewoon iets voor jullie als het mij niet uitkomt?”
Ik zei dat het niet zo was. Dat hij niet voor de lol niet mee kon. Dat ik dat heus snapte. Maar dat wij niet ieder plan konden laten verdwijnen omdat hij op het laatste moment moest afzeggen.
“Dan ga je dus liever zonder mij,” zei hij.
“Dat zeg ik niet.”
“Nee, dat hoef je ook niet te zeggen.”
Hij hing niet op. We praatten nog over van alles, zelfs over de buurman die zijn schutting aan het vervangen was. Maar daarna was het anders.
Sindsdien maken Pieter en ik soms plannen met alleen ons tweeën, en soms ook met andere mensen. Niet stiekem, maar ook niet nadrukkelijk. Dat klinkt laf, want dat is het misschien ook een beetje. Ik wil Marianne geen pijn doen. En ik wil Henk niet het gevoel geven dat hij eerst moet bewijzen dat hij fit genoeg is om erbij te horen.
Tegelijk merk ik dat ik opgelucht ben als we een middag weg zijn zonder dat er iets geregeld hoeft te worden. Die opluchting maakt me misselijk. Alsof ik hem al aan het kwijtraken ben en daar af en toe een vrije middag voor terugkrijg.
Vorige zondag kwamen ze koffie drinken. Henk was vrolijker dan ik hem in weken had gezien. Hij vertelde dat hij een driewielfiets had uitgeprobeerd en dat het misschien toch iets voor hem was. Pieter zei meteen dat we dan in het voorjaar een route langs de Lek konden doen, met genoeg terrassen onderweg.
Henk knikte, maar zei: “Als jullie tenminste niet alweer ergens heen zijn geweest.”
Niemand lachte. Marianne ruimde zonder iets te zeggen de koffiekopjes op, hoewel ze bij ons thuis was. Ik wilde zeggen dat we hem niet laten vallen. Maar ik wist niet of dat nog helemaal waar was, of wat laten vallen eigenlijk betekent als iemand niet wil dat je hem vasthoudt.
Toen ze weggingen, pakte Henk zijn jas zelf van de kapstok. Het duurde lang. Pieter maakte een beweging om te helpen en liet zijn hand toen weer zakken.
Ik deed de deur dicht en hoorde hun auto pas starten toen ik de vaatwasser had ingeruimd. Voor woensdag staat er nog niets in de agenda.