Na veertig jaar vriendschap noemde mijn beste vriend mij egoïstisch omdat ik niet elke dag voor hem klaar kon staan
Vorige maand zat ik om kwart voor acht ’s ochtends in mijn badjas aan de keukentafel toen mijn telefoon alweer ging. Het was Henk. Ik zag zijn naam en ik voelde, nog vóór ik opnam, dat mijn schouders omhoog trokken.
Els keek vanaf het aanrecht even naar me. Ze zei niks. Dat hoeft ook niet meer.
Henk vroeg of ik meteen kon komen. Marja lag nog in bed, zei hij, en hij wist niet hoe hij haar eruit moest krijgen. Hij klonk niet boos, eerder wanhopig en dun. Alsof hij al de hele nacht niet had geslapen.
Ik ben gegaan. Natuurlijk ben ik gegaan. We wonen tien minuten rijden van elkaar vandaan, aan verschillende kanten van het dorp. En Henk en Marja zijn niet zomaar kennissen. We kennen elkaar sinds 1983. We hebben elkaars kinderen zien opgroeien, al hebben zij er één en wij twee. We hebben op elkaars bruiloften gedanst, jarenlang gekampeerd in Frankrijk en later, toen iedereen wat meer geld had, appartementen gehuurd in Zeeland. Henk was getuige toen Els en ik trouwden.
Vroeger, toen we nog jong waren, zeiden we weleens dat we later samen oud zouden worden. Daar moest ik die ochtend aan denken terwijl ik mijn spijkerbroek aantrok over mijn pyjamashirt. Niet op een mooie manier.
Henk had altijd een goedlopende installatiezaak. Marja werkte op de administratie van een scholengemeenschap. Zij waren van die mensen bij wie alles er van buitenaf overzichtelijk uitzag. Geen grote ruzies, geen gedoe met geld. Hun huis was altijd opgeruimd, de wijn stond al koud als je kwam eten. Wij hadden het minder gladjes, zeg maar. Ik werkte jarenlang in ploegendienst bij een fabriek in de Botlek. Els deed eerst de kinderen, later thuiszorg en daarna de planning bij een zorgorganisatie. We hebben echt moeten rekenen. Een kapotte wasmachine was vroeger gewoon stress.
Pas de laatste jaren kregen we lucht. Hypotheek bijna weg, allebei met pensioen, geen kinderen meer die aankloppen voor een lening of een oppasavond. We hadden een kleine caravan gekocht. Niet luxe, maar van ons. Els had een lijstje gemaakt met plekken waar ze buiten het hoogseizoen naartoe wilde. Limburg. Drenthe. Misschien een keer de Elzas.
Toen ging Henk onderuit.
Eerst dachten we: overspannen, dat komt wel goed. Hij was altijd al iemand die alles zelf wilde doen. Als een monteur ziek was, ging Henk zelf de weg op. Als er gedoe was met een klant, nam hij het over. Hij verkocht de zaak uiteindelijk sneller dan gepland, omdat hij het niet meer trok. Daarna kwam er geen rust, maar paniek. Slecht slapen. Niet meer autorijden. Soms urenlang in zijn stoel zitten en naar de tuin kijken.
Marja probeerde hem op te vangen, tot zij zelf ook vastliep. Haar depressie kwam niet ineens, denk ik. Achteraf waren er signalen. Ze zei vaker afspraken af, reageerde kort op WhatsApp, vergat verjaardagen. Maar wij zagen dat als moe zijn. Iedereen is wel eens moe.
In het begin hielpen Els en ik vanzelfsprekend. Boodschappen meenemen. Een pan soep maken. Een keer mee naar de huisarts omdat Henk het niet aandurfde alleen. Els zat bij Marja aan de keukentafel, soms zonder dat er veel gezegd werd. Dat vond ik eigenlijk het zwaarste aan haar. Els komt dan thuis, trekt haar jas uit en zegt: ‘Ze heeft bijna niet gepraat.’ En vervolgens gaat ze aardappels schillen alsof er niks is.
Langzaam werd het meer.
Henk belde niet alleen als er iets concreets was, maar ook als hij niet wist wat hij met de dag aan moest. Marja stuurde Els foto’s van ongelezen post, rekeningen, een koelkast die leeg was. Soms om elf uur ’s avonds. Als we een middag naar onze dochter in Amersfoort gingen, kregen we bij thuiskomst berichten dat ze ons niet hadden kunnen bereiken en dat het “fijn was om te weten waar we stonden”.
Die zin bleef bij mij hangen.
In juni hadden Els en ik een weekje naar de Veluwe geboekt. Voor het eerst sinds mijn pensioen ergens heen zonder rekening te houden met werkroosters, kleinkinderen of een lekkende dakgoot. We hadden het al drie keer verplaatst omdat Marja een slechte periode had. De vierde keer zei Els: ‘Nu gaan we gewoon.’ Ze zei het zacht, maar ze had haar lippen op elkaar gedrukt zoals ze doet als ze bang is dat ik haar slap vind.
Ik vond haar niet slap. Ik was zelf alleen bang voor Henk.
We hebben het verteld toen we bij hen koffie dronken. Henk knikte eerst. Marja keek naar haar kopje. Daarna zei ze: ‘Dus jullie gaan weg terwijl wij hier zo zitten.’
Els zei dat we bereikbaar bleven en dat haar zus ook in de buurt woonde. Dat was misschien niet handig. Marja zei meteen dat haar zus nooit begreep hoe ernstig het was.
Henk werd rood in zijn gezicht. Hij zei: ‘Na alles wat we voor elkaar hebben gedaan, had ik wel gedacht dat jullie er gewoon zouden zijn.’
Ik wist niet wat ik daarop moest zeggen. Want hij had ook gelijk dat we er altijd voor elkaar waren geweest. Toen mijn oudste, Ruben, op zijn negentiende met schulden thuiskwam, heeft Henk hem geholpen met een betalingsregeling en een gesprek bij zijn toenmalige werkgever. Daar ben ik hem nog steeds dankbaar voor. Maar dat was een paar weken intensief. Geen tijd zonder einde.
Ik zei uiteindelijk dat wij geen hulpverleners waren en dat we niet konden doen alsof we nooit weg mochten. Dat kwam er harder uit dan ik bedoelde.
Marja begon te huilen. Niet luid. Ze veegde steeds onder haar ogen met een servetje dat meteen stukging. Henk keek me aan alsof ik iemand anders was geworden.
‘Egoïstisch,’ zei hij. ‘Echt egoïstisch.’
We zijn toch naar de Veluwe gegaan. De caravan voelde de eerste twee dagen helemaal niet als vrijheid. Els keek voortdurend op haar telefoon. Ik deed alsof ik vogels interessant vond, maar ik las elk bericht meteen. Henk stuurde dat Marja die ochtend niet uit bed was gekomen. Els wilde terugrijden. Ik zei dat we moesten bellen met de huisarts of de praktijkondersteuner, niet weer meteen in de auto stappen.
Daar kregen we ruzie over. Niet een enorme ruzie, maar zo’n stille waarbij je allebei apart gaat afwassen terwijl er nauwelijks afwas is. Els zei dat ik koel werd. Ik zei dat zij zichzelf aan het opbranden was. Allebei waar, vermoed ik.
Sindsdien hebben we geprobeerd afspraken te maken. We gaan één vaste middag per week langs. Als er iets praktisch is, helpen we als het lukt. Voor acute situaties moeten ze de huisarts, huisartsenpost of familie bellen, afhankelijk van wat er speelt. Henk vond dat een schema voor kennissen, niet voor vrienden.
Misschien heeft hij daar ergens ook een punt. Vriendschap laat zich slecht in blokken van dinsdagmiddag zetten.
Maar afgelopen zondag stonden Els en ik in de bouwmarkt omdat we eindelijk de slaapkamer wilden schilderen. Henk belde. Ik nam niet op. Daarna kwam er een bericht: ‘Blijkbaar zijn verf en klussen belangrijker dan mensen.’
Ik heb de hele rit naar huis niks gezegd. Thuis heb ik de verf in de schuur gezet. Els maakte thee en zei dat we Henk voorlopig even met rust moesten laten.
Dat is nu zes dagen geleden. Marja heeft Els gisteren alleen een duimpje gestuurd op een foto van onze kleinzoon. Henk heeft niets gestuurd.
De slaapkamer is nog steeds niet geschilderd. De afplaktape ligt op de vensterbank, naast de kleurenwaaier die Els zo mooi vond. Vanmiddag gaan we wel naar onze caravan om hem schoon te maken voor het voorjaar. Ik weet niet of dat laf voelt of normaal. Misschien allebei.