Ik zei dat ik niet nóg een weekend bij Kees en Marjan kon zitten, en sindsdien voelt veertig jaar vriendschap ineens heel breekbaar
Ik heb de caravan vorig voorjaar verkocht omdat we er eigenlijk te weinig mee deden. Dat was mijn idee, en ik had er spijt van zodra die man hem op zijn trekhaak had. Niet om die caravan zelf, zo bijzonder was dat ding niet. Maar omdat hij symbool stond voor wat we eindelijk van plan waren: spontaan een paar dagen weg, zonder rekening te houden met schoolvakanties, werkroosters of oppas.
Els en ik zijn allebei 67. Ik was magazijnchef bij een technische groothandel in Nieuwegein, Els werkte jarenlang in de thuiszorg. Sinds anderhalf jaar zijn we allebei met pensioen. We hadden geen grote plannen. Geen wereldreis of zo. Gewoon fietsen, een museum pakken op een dinsdag, af en toe naar onze dochter in Zwolle, misschien in het najaar een huisje in Drenthe.
Kees en Marjan hoorden in al die plannen vanzelf mee. We kennen hen sinds 1982, van de flat in Vianen waar we toen allebei woonden. Onze kinderen zaten bij elkaar op school. We gingen jarenlang met de tent naar Frankrijk. Toen mijn vader overleed, stond Kees op een zondagmorgen mijn schuur op te ruimen omdat ik nergens toe kwam. Toen Marjan een borstoperatie kreeg, heeft Els weken voor hen gekookt.
Wij noemen elkaar geen beste vrienden meer, omdat dat op onze leeftijd een beetje kinderachtig klinkt. Maar dat zijn we wel. Of waren we. Ik weet het eerlijk gezegd niet meer.
Vorig najaar kreeg Kees de diagnose alvleesklierkanker. Eerst zei hij nog dat hij er „gewoon voor ging”. Dat soort dingen zei Kees altijd. Hij was iemand die met een gebroken pols nog zijn eigen aanhanger wilde afkoppelen. Maar de chemo sloeg hem hard neer. Hij viel af, sliep veel en raakte soms de draad kwijt midden in een verhaal.
Marjan belde Els op een maandagavond. Ik zat naast haar op de bank en hoorde alleen Els zeggen: „Natuurlijk, meid. Natuurlijk doen we dat.”
Toen ze ophing, keek ze me aan alsof er niets meer besproken hoefde te worden.
„Drie dagen in de week,” zei ze. „Niet de hele dag, maar gewoon helpen. Boodschappen, wassen, misschien even bij Kees zitten als zij moet douchen of naar de apotheek.”
Ik vroeg: „Drie dagen, voor hoe lang?”
Els haalde haar schouders op. „Dat weet je toch niet bij zoiets?”
En dat was meteen het punt. Ik wist dat je zoiets niet weet. Maar ik wist ook dat drie dagen in de week geen klein gebaar was. Het werd maandag, woensdag en vrijdag. Op maandag deed ik de Lidl en de markt, omdat ik toch een auto heb. Woensdag ging Els schoonmaken en de was doen. Vrijdag gingen we vaak samen, zogenaamd voor de gezelligheid, maar in de praktijk omdat Marjan dan op was en Kees soms niet alleen kon blijven.
De eerste weken deed ik wat er gevraagd werd. Kees was ziek, Marjan was bang. Daar ga je niet moeilijk over doen.
Alleen begon het zich overal tussen te duwen. Onze vaste koffie op donderdag met oud-collega’s liet ik schieten, omdat Kees die week een slechte nacht had gehad en Marjan vroeg of ik even kon blijven. Een afspraak bij de mondhygiënist verplaatste ik. Onze dochter vroeg of we een zaterdag naar Zwolle kwamen voor de verjaardag van onze kleinzoon, maar Marjan wilde die middag naar de kapper. Ik hoor mezelf nu al zeggen hoe kleinzielig dat klinkt. Een kapper tegenover een kleinkind. Maar het ging me niet om die ene middag. Het ging om het gevoel dat er niets meer van onszelf was zonder dat ik me schuldig voelde.
Els begreep dat niet, of wilde het niet begrijpen.
„Jij ziet alleen maar wat het ons kost,” zei ze een keer terwijl ze pannen met soep afwaste. „Kees ligt daar doodziek. Marjan raakt haar man kwijt.”
„Ik zie dat heus wel,” zei ik. „Maar jij doet alsof wij geen leven meer mogen hebben omdat zij dit overkomt.”
Ze werd toen heel stil. Dat is bij Els erger dan wanneer ze boos wordt.
Marjan wilde geen thuiszorg. Daar was ze vanaf het begin duidelijk over. „Dan lopen er vreemde mensen door mijn huis,” zei ze. „En dan wordt Kees een patiënt in zijn eigen woonkamer.”
Ik snapte dat ergens. Els heeft jarenlang in de thuiszorg gewerkt en zij zei ook dat het niet altijd makkelijk is, steeds wisselende gezichten en tijdsdruk. Maar ik zag ook hoe Marjan steeds krommer ging lopen. Ze vergat zelf te eten. Ze was soms zo moe dat ze bij de keukentafel naar haar telefoon staarde zonder hem op te pakken.
Op een vrijdag, Kees sliep in zijn stoel, heb ik voorzichtig gezegd dat ze misschien eens met de wijkverpleegkundige kon praten. Niet meteen allerlei mensen over de vloer. Gewoon kijken wat mogelijk was.
Marjan keek me aan alsof ik had voorgesteld Kees ergens onder te brengen.
„Dus jullie vinden het te veel worden.”
„Dat zeg ik niet.”
„Jawel. Dat zeg je wel, alleen netjes.”
Ik had toen moeten zeggen dat ze gelijk had. Niet omdat ik van hen af wilde, maar omdat het inderdaad te veel werd. In plaats daarvan begon ik over hulpmiddelen, over hoe Els vroeger ook cliënten had die eerst geen zorg wilden. Het werd alleen maar erger. Kees werd wakker en vroeg waar het over ging. Marjan zei: „Nergens.”
Daarna was ze anders tegen mij. Niet openlijk onaardig. Eerder beleefd, en dat deed nog meer pijn.
Vorige maand hadden Els en ik een weekendje Texel geboekt. Twee nachten, een klein hotel in De Koog. We hadden het al in januari vastgelegd. De vrijdag ervoor belde Marjan: Kees had veel pijn gehad, de huisarts kwam langs, en ze wist niet hoe ze het weekend door moest. Haar zus woont in België en haar zoon werkt op zee.
Els nam op en zei weer meteen dat we zouden komen.
Ik stond in de gang met onze tas nog half open op bed. Mijn wandeljas hing al klaar. Ik voelde iets in me dichtklappen, heel kinderachtig misschien, maar ook heel helder.
Ik zei: „Nee, Els. Dit weekend niet.”
Ze draaide zich om. „Wat bedoel je, niet?”
„Ik bedoel dat we gaan. We hebben dit nodig.”
Ze keek alsof ik een vreemde was. Daarna pakte ze de telefoon weer op en zei tegen Marjan dat zij zou komen, maar dat ik weg wilde.
Dat woord, ‘wilde’, kwam hard aan. Alsof ik voor mijn plezier ergens naartoe vluchtte terwijl Kees lag te lijden.
Els ging uiteindelijk alleen naar Marjan. Ik ben niet naar Texel gegaan. Ik kon het niet opbrengen om daar in een hotel te zitten terwijl Els bij hen was. Ik heb thuis het gras gemaaid, boodschappen gedaan en veel te lang naar een programma over verbouwen gekeken.
Zondagavond kwam Els terug. Ze was moe en boos, maar ook verdrietig. Ze zei dat Marjan niet veel had gezegd. Kees had volgens haar vooral geslapen.
Sindsdien gaan we nog steeds, maar minder vanzelfsprekend. Els is er vaker dan ik. Daar hebben we geen echte afspraak over gemaakt. Ik merk dat ik soms expres langer over een boodschap doe. Daar schaam ik me voor.
Kees is inmiddels in een palliatief traject gekomen. Er komt nu toch af en toe iemand van de thuiszorg, omdat de medicatie anders niet goed loopt. Marjan zei vorige week aan de telefoon dat ze daar „aan moest wennen”. Ik zei dat ik dat begreep.
We hebben het niet meer over Texel gehad. De boeking is verlopen en we kregen een deel terug, geloof ik. Het geld ligt nog op onze gezamenlijke rekening. Els wil het bewaren voor later.
Ik weet alleen niet goed wat ‘later’ inmiddels betekent.