Mijn man wil van onze garage zijn droomatelier maken, maar ik wil juist weg uit het huis waar we alles voor hebben opgegeven
Vorige week stond ik met mijn laarzen in de modder naar drie bomen te kijken die volgens de boomverzorger niet meer te redden zijn. Twee essen en een oude berk, achter in onze tuin. Hij praatte over essentaksterfte, veilig weghalen, een hoogwerker die misschien via de achterom niet eens past. Mijn man, Erik, knikte alleen maar en stelde vragen over herplanten.
Ik dacht ondertussen: waar moet ik straks weer beginnen met harken?
Dat klinkt vreselijk ondankbaar, ik weet het. We hebben dit huis niet zomaar gekregen. We wonen hier al 31 jaar, in een vrijstaande woning aan de rand van Amersfoort. Toen we het kochten, was ik 33, zwanger van onze jongste, en Erik werkte zich op bij een installatiebedrijf. Ik werkte drie dagen op de administratie van een zorginstelling en deed de rest thuis, zoals dat toen eigenlijk vanzelf ging. We hebben jarenlang elke vakantie geschilderd, gespaard en zelf dingen opgeknapt. De serre, de aanbouw, de schutting die na die storm platlag. Alles zit vol herinneringen.
Maar herinneringen hoeven toch niet per se vier slaapkamers, een bijkeuken en negenhonderd vierkante meter grond nodig te hebben?
Erik is sinds januari met pensioen. De eerste weken was hij onrustig. Hij liep steeds naar zijn telefoon alsof er nog een monteur zou bellen met een storing. Daarna kwam zijn oude plan weer boven. De garage, waar nu dozen staan van de kinderen, fietsen die niemand gebruikt en zijn gereedschap, moet een echt atelier worden. Isolatie erin, nieuwe elektra, een werkbank over de hele wand, afzuiging voor houtstof. Hij heeft al filmpjes bekeken en tweedehands machines opgeslagen op Marktplaats.
Hij kan prachtig dingen maken. Een eettafel voor onze dochter, een speelgoedkist voor onze kleinzoon Mees, een kastje voor de badkamer dat nog steeds recht hangt, wonder boven wonder. Ik gun hem die passie ook echt. Na veertig jaar werken voor andere mensen is het fijn dat hij ergens zin in heeft.
Alleen: hij praat over die garage alsof het huis verder geen werk meer vraagt.
De ramen worden niet vanzelf gelapt. De dakgoot zit elk najaar dicht. Er is altijd iets met de vijverpomp, het terras zakt bij de achterdeur een beetje weg en de hortensia’s moeten gesnoeid. Vroeger deed ik veel in de tuin omdat ik dat prettig vond. Met een kop koffie op het bankje, radio aan, beetje rommelen. Maar sinds een jaar of twee voel ik mijn knieën bij alles. Niet dramatisch, ik kan nog prima fietsen en op de kleinkinderen passen. Alleen een middag onkruid trekken betekent tegenwoordig dat ik ’s nachts wakker word als ik me omdraai.
En dan dat schoonmaken. Mensen zeggen vaak: dan doe je toch gewoon minder? Maar als je minder doet in zo’n huis, zie je het meteen. De logeerkamer wordt stoffig, beneden ligt zand omdat Erik steeds in en uit loopt, en als de kinderen komen, wil ik toch dat het een beetje normaal is. Misschien leg ik die lat zelf te hoog. Dat kan best. Erik zegt dat ook.
‘Niemand verwacht dat jij hier elke week met een emmer sop rondgaat,’ zei hij laatst.
Dat was na een ruzie over de garagevloer. Hij wilde die laten coaten. Ik zei dat ik eerst wilde weten wat het verwijderen van de bomen ging kosten. Hij werd rood in zijn nek, wat hij doet als hij zich aangevallen voelt.
‘Dus ik mag eindelijk tijd maken voor iets van mezelf en dan begin jij meteen over weggaan.’
Ik zei: ‘Nee, jij begint over investeren terwijl ik juist probeer te zeggen dat ik dit niet meer wil onderhouden.’
Hij keek me aan alsof ik had gezegd dat ik ons huwelijk niet meer wilde onderhouden. Misschien kwam het ook zo bij hem binnen.
Ik ben al een paar keer bij appartementen gaan kijken. Niet stiekem, hij wist het. Een nieuw complex vlak bij het Eemplein, met lift, balkon, parkeerplek en winkels op loopafstand. Het is duur, natuurlijk. Maar als we dit huis verkopen, houden we nog steeds iets over. Ik zie ons daar echt wel zitten. ’s Ochtends naar de markt, even koffie drinken met mijn vriendin Marja zonder dat ik eerst de auto hoef te pakken. Als er later iets is met een heup of een arm, hoef je niet meteen te denken aan trappen, bladeren en een tuinpad dat spekglad wordt.
Erik vond het appartement benauwend. Hij liep er vijf minuten rond, keek naar het balkon en zei: ‘Waar moet ik dan in hemelsnaam hout zagen?’
Ik had geen goed antwoord. Want dat is precies het punt. In zijn hoofd is een balkon geen vrijheid. Voor mij is het juist ruimte.
De boomverzorger stuurde eergisteren de offerte. Ruim achtduizend euro, en dan moeten de stronken nog gefreesd worden. Erik zei meteen dat we niet alle bomen hoefden te vervangen en dat hij het stuk grond zelf opnieuw kon inrichten. Een kleinere tuin, meer vaste planten, misschien een overkapping achterin waar hij hout droog kon opslaan.
Ik hoorde alleen maar nieuwe plannen. Nieuwe kosten. Nieuwe dingen die bijgehouden moeten worden.
Toen heb ik iets gezegd waar ik nu nog niet helemaal trots op ben. Ik zei dat hij dan ook maar alle ramen mocht lappen, de bedden verschonen, de badkamer schoonmaken en de afspraken met de loodgieter regelen. ‘Want ik stop ermee,’ zei ik. ‘Ik ben geen huisbeheerder die toevallig ook je vrouw is.’
Dat was hard. Hij zei een tijd niets en pakte toen zijn jas. Hij is twee uur gaan fietsen, zonder zijn telefoon.
Die avond hebben we zwijgend stamppot gegeten. Hij had wel worst meegenomen, omdat hij wist dat ik daar trek in had. Zo is Erik ook. Niet iemand die expres gemeen wil zijn. Hij kan alleen verschrikkelijk vastzitten in wat hij voor zich ziet. Net als ik misschien.
De dag erna kwam hij zelf met een lijstje. Wat hij structureel kon overnemen. Badkamer schoonmaken, stofzuigen beneden, de tuin helemaal zijn verantwoordelijkheid, zei hij. Voor de grote klussen konden we iemand inhuren. Hij had zelfs uitgerekend wat dat per maand ongeveer zou zijn als we minder uit eten gingen en die geplande cruise zouden uitstellen.
Ik werd daar niet opgelucht van. Niet omdat ik hem niet geloof, maar omdat ik hem al zag sjouwen met planken, een stofmasker op, vol enthousiasme in die garage. En vervolgens op zaterdag ook nog met de grasmaaier. Hij is 67. Hij doet alsof zijn lichaam nog hetzelfde is als toen hij vijftig was.
Ik heb hem dat gezegd, iets rustiger dit keer. Hij antwoordde dat ik alsof we al oud en hulpbehoevend zijn. Daar zit voor hem de angst, denk ik. Verhuizen naar een appartement voelt voor hem niet als gemak, maar als kleiner worden. Alsof hij dan moet toegeven dat het leven zich al aan het terugtrekken is.
Voor mij is het anders. Ik wil juist nog iets doen zolang we gezond zijn. Niet wachten tot een verhuizing móét omdat een van ons van de trap valt of omdat het huis te veel wordt. Ik wil niet dat onze wereld steeds kleiner wordt omdat we alleen nog bezig zijn met het in stand houden van wat we ooit wilden.
Morgen belt Erik de boomverzorger terug. Hij wil vragen of het werk in fases kan. Ik heb vanmiddag opnieuw een bericht gekregen van de makelaar van dat appartement. Er is nog één woning beschikbaar op de vierde verdieping, maar er zijn meer geïnteresseerden.
Ik heb het bericht nog niet aan Erik laten zien. Mijn telefoon ligt nu omgekeerd op tafel. Buiten waait het hard en ik hoor ergens in de tuin een tak tegen de schutting tikken. Erik zit in de garage tussen zijn dozen en meet met een rolmaat de muur op.
Ik weet niet of hij plannen aan het maken is voor een atelier, of dat hij gewoon nog even wil geloven dat alles kan blijven zoals het was.