Ik heb een vertrekdatum geprikt, maar mijn man zegt dat ik hem achterlaat
De datum staat sinds vorige week in mijn agenda: 3 september. Er staat alleen ‘vertrek’ bij, alsof ik een afspraak bij de tandarts heb. Ik kijk er steeds naar en krijg dan tegelijk een warm gevoel in mijn buik en een soort misselijkheid.
Ik ben 67, sinds twee jaar met pensioen, en ik heb mijn hele leven gedacht: later. Later ga ik Spaans leren. Later zie ik eens iets anders dan Frankrijk met de caravan. Later doe ik iets waar niemand thuis iets aan heeft, maar ik wel.
Dat klinkt misschien ondankbaar. Zo bedoel ik het niet. Ik heb een goed leven gehad, echt wel. Henk en ik zijn 41 jaar getrouwd. We hebben hard gewerkt, zuinig geleefd toen dat moest, en later een fijn huis gekocht in Amersfoort. Geen villa, gewoon een hoekwoning waar de hypotheek allang vanaf is. Onze zoon Daan woont twintig minuten fietsen verderop, met zijn vriendin en hun dochtertje van zes.
Ik werkte vroeger in de thuiszorg, later bij de planning van een zorgorganisatie. Toen Daan klein was, ben ik drie dagen gaan werken omdat opvang te duur was en Henk in de buitendienst zat. Hij was vaak vroeg weg en soms pas na het eten thuis. Dat was nou eenmaal zo. Ik heb er destijds niet eens echt ruzie over gemaakt. Ik regelde het.
Vijf jaar geleden kreeg Henk de diagnose Parkinson. Eerst was het vooral trillen. Hij maakte grapjes dat hij eindelijk een goed excuus had als hij koffie morste. Daarna ging het lopen slechter. Inmiddels heeft hij een rollator nodig en zijn er dagen dat hij niet zelf zijn steunkousen aankrijgt, niet veilig kan douchen en zijn medicijnen door elkaar haalt.
We hebben wijkverpleging in de ochtend, drie keer per week fysiotherapie, en er komt iemand voor het zware schoonmaakwerk. Op papier is er best veel geregeld. In de praktijk ben ik degene die overal tussendoor valt. Ik zet zijn boterhammen klaar. Ik let op of hij genoeg drinkt. Ik ga mee naar de neuroloog, want anders zegt Henk dat het ‘wel gaat’ en horen we pas thuis wat hij vergeten is te vertellen. Als hij ’s nachts naar het toilet moet, word ik wakker van het gestommel, ook als ik doe alsof ik slaap.
Het ergste is niet eens het helpen. Het ergste is dat niemand mij nog iets vraagt behalve: hoe gaat het met Henk?
Vorig jaar zag ik op Facebook een oproep van een Nederlandse stichting die in Portugal vrijwilligers zocht voor een kleinschalige opvang voor ouderen en dakloze mensen. Koken, administratie, taalmaatje zijn, dat soort dingen. Ik heb altijd redelijk Spaans gesproken, ooit geleerd uit boekjes op vakantie. Het idee bleef aan me trekken. Geen luxe cruise, geen vlucht voor een paar weken. Gewoon een jaar ergens anders wonen en nuttig zijn op een manier die niet alleen om mijn eigen huishouden draait.
Ik heb me aangemeld zonder het Henk meteen te vertellen. Daar schaam ik me wel voor. Niet omdat ik vond dat ik geen recht had om te kijken, maar omdat ik wist hoe hij zou reageren.
Toen ik na een online gesprek een plek aangeboden kreeg, heb ik het hem op een dinsdagmiddag verteld. Hij zat aan de eettafel zijn medicijnen te sorteren. Buiten werd bij de buren een schutting geplaatst, dus ik moest mijn stem verheffen.
‘Ik wil volgend jaar naar Portugal,’ zei ik. ‘Voor langere tijd. Misschien een jaar.’
Hij keek niet eens direct op. Eerst legde hij een geel pilletje terug in het verkeerde vakje. Daarna zei hij: ‘En ik dan?’
Niet boos. Eerder alsof ik had gezegd dat ik de verwarming wilde uitzetten in januari.
Ik had al van alles uitgezocht. Tijdelijke uitbreiding van de thuiszorg, personenalarmering, maaltijdservice als hij daar behoefte aan zou hebben. Er zijn ook mogelijkheden voor logeeropvang en een zorghotel, al wil Henk daar niets van weten. Ik verwachtte niet dat Daan alle zorg zou overnemen. Ik vroeg hem of hij twee avonden in de week bij zijn vader wilde eten en in het weekend wat praktische dingen wilde doen. Misschien mee naar afspraken als het nodig was. Gewoon wat meer aanwezig zijn.
Daan kwam een zondag langs. Hij had zijn laptop nog bij zich omdat hij na het eten een presentatie af moest maken. Zijn dochter, Sofie, was boven met een stift op ons behang aan het tekenen. Ik hoorde haar giechelen terwijl ik aan de keukentafel probeerde uit te leggen wat ik wilde.
Daan zei vrij snel: ‘Mam, ik snap dat je erdoorheen zit. Maar ik kan niet ineens mantelzorger worden. Ik werk soms zestig uur. Iris werkt ook. En ik heb een kind.’
‘Ik vraag niet dat je hier komt wonen.’
‘Nee, maar als er iets gebeurt, ben ik wel degene die moet springen. En als pap niet mee wil werken aan zorg, komt het alsnog bij ons terecht.’
Daar had hij gelijk in. Henk kan heel hulpeloos lijken, maar hij kan ook stug zijn. De wijkverpleegkundige mocht hem eerst niet helpen met wassen, want ‘mijn vrouw doet dat toch’. Hij zei het alsof het een geruststelling was.
Ik vroeg Daan wat hij dan verwachtte. Hij keek naar zijn vader en daarna naar mij.
‘Eerlijk? Dat jullie dit samen oplossen. Jullie zijn partners.’
Henk knikte. Dat kleine knikje deed me meer pijn dan wanneer hij was gaan schreeuwen.
Later, toen Daan weg was, zei Henk dat hij Daan begreep. ‘Je kunt toch niet een jaar lekker jezelf gaan zoeken terwijl ik hier niet eens normaal de trap op kom?’
Ik ben toen vreselijk uit mijn slof geschoten. Ik zei dat ik mezelf niet hoefde te zoeken, omdat ik mezelf al jaren kwijt was. Dat ik geen huishoudelijke voorziening was die toevallig ook nog naast hem sliep. Ik zei ook dat hij al zijn hele leven ervan uitging dat ik het wel oploste.
Dat was gemeen, want Henk heeft ook veel gedaan. Hij heeft altijd gewerkt, hij is een lieve opa, en toen mijn moeder dement werd, reed hij zonder mopperen elke zaterdag met me naar haar verzorgingshuis. Maar op dat moment zag ik alleen maar alles wat ik in stilte had ingeleverd.
Sindsdien hangt het vertrek tussen ons in. We praten over boodschappen, over Sofie, over de lekkage bij de bijkeuken. Niet over september. Als ik achter de computer zit voor de formulieren van die stichting, hoor ik Henk soms zuchten in zijn stoel. Misschien doet hij dat door zijn longen, misschien omdat hij weet wat ik aan het doen ben. Ik vraag het niet.
Ik heb Daan nog één keer gebeld. Hij klonk moe. Hij zei dat hij best wil helpen met regelzaken en dat hij elke zondag wil langskomen, maar dat hij niet verantwoordelijk wil zijn voor zijn vader als ik weg ben. ‘Ik wil niet dat jij me in een positie zet waarin ik straks nee moet zeggen als er iets misgaat,’ zei hij.
Ook dat snap ik. Ik zou waarschijnlijk hetzelfde gezegd hebben op zijn leeftijd. Misschien zelfs harder.
Toch heb ik die datum vastgelegd. Niet omdat alles rond is, maar omdat ik bang was dat ik anders weer zou zeggen: na de winter, na de volgende controle, als Henk iets stabieler is. Bij Parkinson is er altijd wel een reden om te wachten.
Gisteren vroeg Henk of ik serieus al een vliegticket wilde boeken. Ik zei dat ik dat nog niet had gedaan. Hij keek naar zijn handen en zei: ‘Ik dacht dat we oud zouden worden samen.’
Ik antwoordde niet meteen. Ik dacht: dat worden we ook, alleen blijkbaar niet op de manier die jij bedoeld had.
Maar dat heb ik niet gezegd. Ik heb zijn medicijnen gepakt, een glas water neergezet en daarna in de keuken gedaan alsof ik dringend de vaatwasser moest uitruimen.