Ik dacht dat we Henk en Marijke hielpen als vrienden, maar ineens werden we onderdeel van hun zorgrooster
Vorige maand stond ik op een dinsdagochtend met Marijke in haar badkamer, terwijl zij boos werd omdat ik haar blauwe vest niet kon vinden. Het lag gewoon over de stoel, naast haar. Ik wees ernaar, maar ze keek erlangs alsof het er niet was.
“Je verstopt mijn spullen,” zei ze zacht. Niet hard, niet gemeen eigenlijk. Meer gekwetst.
Ik wist niet wat ik moest zeggen. Ik ben geen verzorgende. Ik ben Theo, haar vriend van bijna veertig jaar. Of dat dacht ik tenminste altijd.
Henk en Marijke leerden Els en mij kennen op de camping in Frankrijk, ergens eind jaren tachtig. Onze kinderen waren toen klein. We stonden twee plaatsen van elkaar af en Henk had een verlengsnoer dat wij waren vergeten. Zo simpel begon het. Daarna gingen we ieder jaar wel een keer samen weg, eerst met de tenten, later met caravans en uiteindelijk met een huisje omdat onze knieën niet beter werden.
We vierden verjaardagen samen, hebben elkaars ouders begraven, elkaars kinderen zien trouwen. Toen onze zoon Bas een tijdje zonder werk zat, belde hij Henk eerder dan mij om advies. Zo zat die vriendschap in elkaar. Niet elke week overdreven sentimenteel doen, maar er gewoon zijn. Als er een lekkage was, stond Henk met zijn gereedschapskist voor de deur. Toen Marijke na haar baarmoederoperatie niet mocht tillen, kookte Els drie weken lang extra en bracht ik pannen soep langs.
Anderhalf jaar geleden begon Marijke dingen te vergeten. Eerst waren het de gewone dingen. Dubbele boodschappen, een afspraak bij de mondhygiënist die ze stellig ontkende te hebben gemaakt. We maakten er nog grapjes over, tot Henk een keer vertelde dat ze ’s nachts de voordeur open had gezet omdat ze dacht dat haar moeder buiten stond te wachten.
Via de huisarts en de geheugenpoli kwam uiteindelijk de diagnose: Alzheimer, nog in een beginfase. Henk zei toen dat ze het samen wel zouden redden. Marijke wilde absoluut geen ‘vreemde mensen’ in huis. Dat begreep ik ook wel. Zij was altijd degene geweest die alles regelde, zelfs op vakantie wist zij waar ieders paspoort lag en hoeveel broodjes er nodig waren.
In het begin hielpen we vanzelf. Els ging op vrijdagmiddag koffie drinken met Marijke, zodat Henk boodschappen kon doen of even naar de kapper kon. Ik reed een paar keer met hem mee naar afspraken in het ziekenhuis. Niks bijzonders. Dat doe je voor elkaar.
Maar het schoof langzaam op. Henk belde vaker. Soms al om half acht.
“Kunnen jullie vandaag misschien even komen? Ze wil niet douchen als ik erbij ben.”
Of: “Ik moet naar de apotheek en ik kan haar niet alleen laten.”
Of gewoon: “Theo, ik trek het vandaag niet.”
Dat laatste vond ik het moeilijkst. Want wat zeg je daarop? Nee, sorry, ik wilde eigenlijk naar de bouwmarkt en daarna fietsen? Henk klonk dan zo moe dat ik soms mijn jas al aantrok voordat ik had opgehangen.
Els ging steeds vaker mee, vooral omdat Marijke bij haar rustiger bleef. Maar Marijke herkende haar ook niet altijd meer. Een keer noemde ze Els de hele middag ‘mevrouw’. Els kwam thuis, zette haar tas op de grond en ging zonder iets te zeggen op de rand van het bed zitten. Ze huilde niet, maar haar gezicht was helemaal vlak.
“Ik vind het erg voor haar,” zei ze later. “Maar ik vind het ook erg dat ik bang ben om erheen te gaan.”
Ik snapte precies wat ze bedoelde, al wilde ik dat niet toegeven. Inmiddels kwamen we soms drie of vier keer per week bij hen. Niet steeds lang, maar het hakte erin. Marijke wilde geholpen worden met aankleden, maar raakte in paniek als je haar aanraakte zonder dat ze het verwachtte. Ze had ongelukjes waar Henk zich zichtbaar voor schaamde. Er waren dagen dat ze alleen maar haar jas aan wilde, omdat ze naar huis moest, terwijl ze in haar eigen woonkamer zat.
Henk deed alsof hij nog alles kon, maar hij zag er slecht uit. Hij was afgevallen. Hij droeg vaak hetzelfde fleecevest. In de keuken stonden stapels afwas en op tafel lagen ongeopende enveloppen. Ik heb op een avond, toen Marijke al sliep, voorzichtig gezegd dat hij opnieuw met de huisarts of de casemanager dementie moest bellen.
Hij keek me aan alsof ik hem had beledigd.
“Die hebben allemaal een lijstje en een folder,” zei hij. “Jullie kennen haar tenminste.”
Ik zei dat kennen niet hetzelfde is als kunnen zorgen.
Daar werd hij stil van. Vervolgens zei hij: “Dus je vindt dat ik haar aan vreemden moet overlaten?”
Dat heb ik niet gezegd. Maar ik voelde meteen dat het gesprek verkeerd was gevallen.
De echte ruzie kwam vorige week. Els had die ochtend al bij Marijke geholpen met wassen en aankleden. Niet eens helemaal, want Marijke werd boos en sloeg haar hand weg. Els was er een uur geweest en kwam thuis met een scheurtje in haar huid bij haar pols, omdat Marijke haar had vastgepakt. Daar kon Marijke niks aan doen, dat weet ik. Maar Els is 66, heeft artrose in haar handen en slaapt al weken slecht.
Om zes uur belde Henk weer. Hij moest die avond naar een bijeenkomst van de kaartclub, zei hij. Hij had die al drie keer afgezegd en moest er “echt even uit”. Of wij dan van half acht tot tien bij Marijke konden zitten.
Els keek naar mij vanaf de bank. We zouden die avond naar onze dochter in Amersfoort gaan, oppassen op onze kleindochter omdat zij nachtdienst had. Dat stond al twee weken vast.
Ik zei tegen Henk dat het niet ging.
Hij zei eerst niks. Toen: “Nee, natuurlijk. Jullie hebben ook je eigen leven.”
Die zin klonk niet als begrip. Hij klonk als een rekening die ik niet had betaald.
Ik werd daar kwaad van. Misschien omdat ik me schuldig voelde. Ik zei dat we niet zijn ingehuurd als achterwacht en dat hij professionele thuiszorg moest regelen. Dat klonk harder dan ik van plan was.
Henk zei: “Na al die jaren had ik niet gedacht dat ik dit aan jullie moest uitleggen. Als Marijke iets had, stonden jullie vroeger toch ook meteen klaar?”
“Dit is niet iets,” zei ik. “Dit is elke dag meer. En wij kunnen dit niet overnemen.”
Hij hing op zonder gedag te zeggen.
Sindsdien is het stil. Niet helemaal stil, want Marijke stuurde Els gisteren drie keer een berichtje via WhatsApp. Allemaal hetzelfde: ‘Kom je koffie drinken?’ Els heeft één keer geantwoord, maar Marijke reageerde daar niet meer op. Waarschijnlijk wist ze na tien minuten niet meer dat ze het had gestuurd.
Ik heb Henk vanmorgen een appje gestuurd. Dat we niet weg willen lopen. Dat we best een vaste middag per week willen afspreken, bijvoorbeeld woensdag, zodat hij iets voor zichzelf kan doen. En dat ik met hem mee wil denken over thuiszorg, dagbesteding of iemand van de casemanager die kan uitleggen wat mogelijk is. Hij heeft het gelezen. Geen antwoord.
Els vindt dat ik hem vanavond moet bellen. Ik weet niet of ik dat doe. Ik ben nog steeds boos, en dat is misschien ook niet eerlijk. Henk is zijn vrouw stukje bij beetje kwijt en moet daarna blijkbaar ook nog formulieren invullen, mensen binnenlaten en accepteren dat hij het niet alleen redt.
Maar Els en ik zijn ook geen dertig meer. We hadden ons pensioen anders voorgesteld dan steeds kijken of onze telefoon gaat. Dat voelt egoïstisch om op te schrijven. Tegelijkertijd voelt het alsof we al te lang doen alsof het vanzelfsprekend is.
Vanmiddag hebben we toch een afspraak bij de fietsenmaker. Mijn elektrische fiets maakt een vreemd tikkend geluid. Els zei dat we daarna misschien even langs Henk kunnen rijden, zonder plan en zonder discussie. Ik heb gezegd dat ik erover nadenk.
Het blauwe vest van Marijke ligt nog steeds in mijn hoofd, over die stoel. Zo dichtbij dat ik het kon aanwijzen, en toch kon zij het niet meer vinden.