Na dertig jaar vriendschap voelde ik me schuldig omdat ik drie weken weg wilde

De eerste keer dat ik dacht: ik trek dit niet meer, stond ik bij de Albert Heijn met een netje sinaasappels in mijn hand.

Zo’n onbenullig moment. Ik was daar omdat Birgit had geappt dat Henk misselijk was van de chemo en alleen nog koude dingen binnenhield. Of ik misschien yoghurt, crackers zonder zout en sinaasappelsap kon meenemen. Ik had net die ochtend al met hem naar het ziekenhuis in Zwolle gereden, omdat Birgit zelf een afspraak bij de tandarts had die ze drie keer had verzet.

Ik stond dus voor dat schap en ik wist ineens niet meer wat wij die avond zouden eten. Niet omdat ik vergeetachtig ben, maar omdat ik al maanden niets meer plande zonder eerst te denken: kunnen Henk en Birgit dan misschien iets nodig hebben?

Mijn vrouw Marijke en ik kennen hen ruim dertig jaar. We woonden vroeger twee straten van elkaar in Kampen. Onze kinderen zaten ongeveer tegelijk op de basisschool, we gingen kamperen in Frankrijk met twee veel te kleine tenten, vierden oud en nieuw bij elkaar. Niet van die vrienden die alleen op verjaardagen langskomen. Henk heeft mijn vader nog geholpen toen die na zijn heupoperatie tijdelijk niet goed uit de voeten kon. Birgit was er bij Marijke toen onze dochter in haar scheiding zat en Marijke nachtenlang wakker lag.

Het was altijd vanzelfsprekend wederzijds. Daar zat ook iets fijns in. Je hoefde niet bij te houden wie wat voor wie deed.

Vorig voorjaar kreeg Henk de diagnose alvleesklierkanker. Het woord alleen al maakte de kamer stil toen hij het vertelde. Hij is 64, altijd een man geweest die met een aanhanger achter zijn Volvo bij iedereen kwam opdraven als er iets gerepareerd moest worden. Ineens was hij grauw, afgevallen, en moest hij soms halverwege een zin gaan zitten.

In het begin deden we gewoon wat nodig was. Marijke kookte extra en bracht bakjes soep. Ik reed mee naar controles. We lieten hun hond uit als Henk te beroerd was en Birgit mee moest naar het ziekenhuis. Birgit is normaal gesproken heel zelfstandig, maar zij raakte langzaam in een soort paniekstand. Dat snap ik ook. Als je partner ziek is, wordt alles tegelijk groot: post, medicijnen, boodschappen, een lekkende kraan, de vraag of iemand nog wel zin heeft om op bezoek te komen.

Na een maand of drie hadden we vaste dagen bij hen. Maandag deed ik de boodschappen. Woensdag ging Marijke schoonmaken of wassen. Vrijdag reed ik Henk vaak ergens heen. Daarnaast belden ze bijna iedere avond. Soms vijf minuten, soms drie kwartier omdat Henk bang was voor een uitslag of Birgit vond dat de huisarts haar niet serieus nam.

Ik zeg dit niet om zielig te doen. In die tijd wilde ik het ook echt. Je laat mensen niet vallen als ze ziek zijn.

Alleen bleef die tijd doorgaan. Een jaar lang.

Ik ben sinds twee jaar met pensioen. Ik werkte bij de gemeente, op de afdeling beheer openbare ruimte. Geen spectaculaire baan, maar ik miste het contact meer dan ik had verwacht. Marijke werkt nog twee dagen per week in een kledingzaak. We hadden ons voorgenomen dat we eindelijk vaker zouden fietsen, naar musea zouden gaan, misschien in het najaar een paar weken naar Ierland. Niet luxe, gewoon met een huurauto en bed & breakfasts. Die reis hadden we tijdens corona al twee keer doorgeschoven.

Maar ik begon afspraken af te zeggen. Een oude collega vroeg me mee te wandelen op donderdag. Ik zei steeds af, want donderdag was vaak een slechte dag voor Henk na de behandeling. Bij onze bridgeclub kwamen we nauwelijks meer. Als we wel gingen, hield Marijke haar telefoon op tafel. Eén keer belde Birgit tijdens een spelletje omdat de sondevoedingpomp een melding gaf. We zijn meteen weggegaan. Achteraf bleek dat de thuiszorg al onderweg was.

Marijke zag mijn irritatie wel, maar ze wilde er niet echt aan.

“Hij heeft misschien niet eens veel tijd meer, Pieter,” zei ze dan. “Dan ga jij toch niet zitten rekenen hoeveel woensdagmiddagen je kwijt bent?”

Dat klonk hard, terwijl zij het niet hard bedoelde. Zij was zelf ook moe. Maar bij haar werd vermoeidheid iets wat je gewoon droeg. Bij mij werd het een knoop in mijn maag. Ik schaamde me daar enorm voor.

Het lastige was dat Henk en Birgit nooit letterlijk zeiden dat we niet weg mochten of dat we tekortschoten. Het zat in kleine dingen. Toen we een weekend naar Texel wilden, zei Birgit aan de telefoon: “O, gezellig. Dan hopen we maar dat er niks gebeurt.” Daarna lachte ze, maar er viel zo’n stilte achteraan dat ik meteen mijn jas weer uit wilde trekken.

Henk zei eens, toen ik op een vrijdag niet kon rijden omdat ik met mijn broer naar een wedstrijd van PEC Zwolle zou gaan: “Geeft niks hoor, ik vraag wel iemand anders. Als ik iemand kan vinden.” Hij keek daarbij naar zijn handen.

Misschien was hij gewoon bang. Misschien bedoelde hij het niet als verwijt. Maar ik kwam die avond thuis alsof ik iets slechts had gedaan.

In februari hebben Marijke en ik die reis naar Ierland toch geboekt. Negentien dagen, eind mei. We vertelden het tijdens de koffie bij Henk en Birgit. Ik had het al de hele autorit in mijn hoofd geoefend en alsnog zei ik het onhandig, veel te opgewekt bijna.

Birgit keek eerst naar Marijke en toen naar mij. “Eind mei? Dan begint Henk waarschijnlijk net aan die nieuwe kuur.”

Dat wist ik. We hadden het ook geweten toen we boekten.

Marijke zei: “Daarom zeggen we het nu al. Dan kunnen we op tijd kijken wat er geregeld moet worden.”

Birgit knikte, maar haar ogen werden nat. Henk zei niets. Hij pakte zijn glas water en zette het net naast het onderzettertje, alsof hij niet meer wist waar het hoorde.

In de auto kreeg ik ruzie met Marijke. Niet schreeuwen, dat doen wij eigenlijk nooit, maar wel dat venijnige praten waarbij je elkaar niet laat uitspreken.

Zij vond dat ik me al had teruggetrokken voordat er echt iets geregeld was. Ik vond dat zij deed alsof onze levens minder waard waren omdat Henk ziek was. Dat was een gemene zin. Zodra ik hem uitsprak, zag ik haar gezicht dichtgaan.

Een week later heb ik, tegen mijn eigen aard in, de verpleegkundig specialist in het ziekenhuis gebeld. Niet om over Henk zijn medische situatie te vragen, dat kan en mag ik natuurlijk niet zomaar, maar om te vragen waar Birgit als mantelzorger terechtkon voor ondersteuning. Zij gaf aan dat er via het ziekenhuis en de gemeente mogelijkheden waren voor een gesprek over thuiszorg, vervoer en respijtzorg. Ik heb het nummer aan Birgit gegeven.

Ze reageerde eerst kortaf. “Dus je wilt ons uitbesteden?”

Daar had ik geen goed antwoord op. Want een deel van mij wilde inderdaad dat iemand anders de praktische rommel overnam. Niet Henk en Birgit als mensen, maar wel die constante beschikbaarheid.

Later belde ze terug. Ze huilde toen ze zei dat ze zelf ook niet meer wist wanneer ze voor het laatst een nacht had doorgeslapen. We hebben samen een gesprek gehad met een mantelzorgconsulent. Er kwam wat meer thuiszorg, een vrijwilliger voor de hond op dinsdag en de buurman van hen rijdt nu af en toe naar de apotheek.

Het heeft niet alles opgelost. Henk belt nog steeds vaak mij als er iets is, ook als het misschien handiger zou zijn om een professioneel nummer te bellen. En Marijke en ik zijn nog steeds niet helemaal uit die ruzie. Zij vindt dat ik soms te nadrukkelijk op mijn eigen ruimte let. Ik vind dat zij bang is om ooit spijt te krijgen en daarom geen nee durft te zeggen.

Over twee weken vertrekken we naar Ierland. Henk begint die maandag met zijn nieuwe behandeling. We gaan geen negentien dagen meer, maar twaalf. Dat was mijn voorstel, en ik weet niet of het een compromis is waar iemand echt blij van wordt.

Vanmiddag bracht ik boodschappen bij hen. Henk lag op de bank te slapen. Birgit zette thee en vroeg of ik een regenjas had gekocht voor die reis.

“Ja,” zei ik.

“Neem een goede mee,” zei ze. “Daar waait het altijd verschrikkelijk.”

Toen praatten we een tijdje over iets anders.