Ik tekende het manifest van onze vriendengroep, terwijl mijn man weigerde — en op ons weekend weg kwam alles eruit

Ik heb nog steeds een mapje in de gangkast met foto’s van onze eerste weekenden weg. Op sommige foto’s zijn we belachelijk jong. Jan heeft een baard die hij zelf nu ook niet meer zou verdedigen, ik draag van die enorme oorbellen en Rolf rookt nog binnen. We waren met acht mensen, later met partners erbij twaalf. Een vaste kring, eigenlijk.

Elke eerste zaterdag van de maand kwamen we bij iemand eten. Niet chic. Soep, een ovenschotel, veel te veel wijn. Soms gingen we naar het theater in Utrecht, soms alleen wandelen in de duinen en daarna kibbeling halen. We hebben elkaars kinderen zien opgroeien, scheidingen meegemaakt, een baanverlies van Peter, de begrafenis van Els haar moeder. Juist omdat we zo verschillend waren, ging het meestal goed. Rolf stemde anders dan bijna iedereen, Karin was altijd met voedsel en klimaat bezig, Jan vond van alles wat maar zei het vaak net te hard. Daarna lachten we erom of we lieten het rusten.

Totdat Rolf vorig jaar ineens veranderde.

Dat klinkt onaardig, want hij had ook een moeilijke tijd gehad. Zijn dochter Noor praatte bijna niet meer met hem na een ruzie over haar kinderen en het klimaat. Rolf zei dat hij zich had gerealiseerd dat halfslachtige mensen de wereld kapotmaakten. Eerst knikten we nog een beetje. Iedereen mag tot inzichten komen, dacht ik. Hij ging minder vliegen, werd veganistisch, verkocht zijn auto en deed vrijwilligerswerk bij een lokale actiegroep. Allemaal prima.

Maar hij begon ook bij ons te controleren wie wat zei.

Bij een etentje vroeg hij aan Jan of hij nog steeds vlees at. Jan zei: “Ja, Rolf. Met kerst zelfs rollade. Overleef je dat?” Dat was een grap zoals Jan ze altijd maakte. Rolf lachte niet.

In februari stuurde hij een pdf in onze WhatsApp-groep. De titel was: ‘Afspraken voor een veilige en integere vriendenkring’. Ik dacht eerst dat het iets voor een huisje was, wie de vaatwasser uitruimt of zo. Maar het waren vier pagina’s.

Er stond in dat we ons zouden onthouden van “ontmenselijkende politieke opvattingen”, dat we geen vlees zouden serveren op gezamenlijke avonden, dat we bepaalde onderwerpen alleen mochten bespreken als iedereen zich veilig voelde, en dat we ook buiten de groep geen organisaties zouden steunen die volgens Rolf niet aan zijn ethische uitgangspunten voldeden. Onderaan stond een vakje voor naam, datum en handtekening.

Ik weet nog dat ik aan de keukentafel zat met mijn leesbril op en dat Jan de krant weglegde.

“Wat is dit nou weer?” zei hij.

Ik zei dat hij misschien gewoon bang was voor ruzie.

“Dan maak je afspraken over hoe je met elkaar praat. Niet over wat ik in mijn eigen huis eet of op wie ik stem.”

Daar had hij gelijk in. Alleen voelde het voor mij niet zo eenvoudig. Wij zijn 62 en 64. Onze kinderen wonen niet in de buurt. Onze dochter zit in Groningen, onze zoon in Eindhoven. We zien ze echt wel, maar niet zomaar op dinsdagavond. Mijn moeder is dood, Jans broer woont in Frankrijk. Deze mensen zijn niet alleen vrienden. Zij zijn degene die ik bel als Jan met de fiets onderuitgaat of als ik na een slecht ziekenhuisgesprek niet alleen naar huis wil.

Ik schaam me een beetje om dat toe te geven, maar ik was bang voor een stille agenda. Geen eerste zaterdag meer. Geen appjes over wie er koffie wil na het wandelen. Niet omdat ik niemand anders ken, maar omdat je op onze leeftijd niet zomaar opnieuw een leven opbouwt met mensen die je al veertig jaar kennen.

Rolf wilde dat we vóór 1 april reageerden. Hij noemde het geen ultimatum, maar schreef wel dat hij niet meer kon deelnemen aan een groep waarin zijn grenzen niet gerespecteerd werden.

Karin tekende meteen. Peter en Els zeiden dat ze nog vragen hadden. De rest bleef stil.

Ik heb op een middag getekend. Niet eens na een groot gesprek. Jan was boodschappen doen. Ik opende die pdf opnieuw, zette mijn naam erin en mailde hem terug. Daarna voelde ik me niet opgelucht, zoals ik had verwacht. Ik zette thee en liet het zakje veel te lang trekken.

Toen Jan thuiskwam, heb ik het gezegd.

Hij keek me aan alsof ik had verteld dat ik onze caravan zonder overleg verkocht had.

“Je hebt dus beloofd dat jij mij gaat aanspreken op wat ik doe buiten die groep?”

“Zo staat het er niet letterlijk.”

“Marijke, kom op.”

Hij werd niet eens heel boos. Dat maakte het erger. Hij zei alleen dat hij niet ging tekenen en dat ik natuurlijk zelf moest weten wat ik deed. Die ‘natuurlijk’ klonk alsof hij mij juist helemaal niet begreep.

Daarna werd het thuis stroever. Niet voortdurend ruzie, dat past ook niet bij ons. Maar Jan ging op zaterdag vaker wielrennen. Hij zei soms: “Vraag maar aan je integere vrienden of ze zin hebben,” en dan wist ik dat ik beter niets terug kon zeggen. Ik vond hem flauw, maar ik wist ook dat ik iets had gedaan zonder hem erbij te betrekken.

Het jaarlijkse weekend in Limburg was al geboekt. Een oude carréboerderij bij Valkenburg, twaalf mensen, ieder een kamer. Rolf stelde voor dat Jan niet mee zou gaan zolang hij geen akkoord gaf. Alsof het een vergadering van een vereniging was.

Toen heb ik voor het eerst tegen Rolf gezegd dat hij niet kon bepalen wie mee mocht naar een weekend dat we met z’n allen betaalden.

Hij antwoordde dat Jan welkom was als hij de veiligheid van anderen niet ondermijnde. Ik vroeg wat Jan dan precies gedaan had. Rolf stuurde een lang bericht terug waarin hij vooral woorden gebruikte als ‘normaliseren’, ‘medeplichtigheid’ en ‘morele helderheid’. Ik begreep eerlijk gezegd niet meer waar we het over hadden.

Jan ging toch mee. Hij zei dat hij niet van plan was zich uit zijn eigen vriendengroep te laten werken. Ik vond dat stoer en ook vermoeiend. De hele autorit zaten we naast elkaar te zwijgen, behalve toen we stopten bij een benzinestation en hij vroeg of ik koffie wilde.

De eerste avond ging nog. Rolf had een restaurant uitgezocht met alleen plantaardig eten. Niemand klaagde hardop, al hoorde ik Peter fluisteren dat hij thuis een tosti ging maken. Na het eten kwam Rolf met geprinte exemplaren van het manifest. Hij legde ze op de lange tafel, naast de lege glazen.

Hij zei dat hij dit weekend duidelijkheid wilde, omdat hij niet langer in een vriendschap wilde zitten die zijn waarden alleen maar ‘tolereerde’.

Jan zei: “En ik wil niet in een vriendschap zitten waarin jij mijn waarden eerst moet goedkeuren.”

Toen werd het stil op een manier die ik nog nooit bij ons had meegemaakt. Niet gezellig stil. Iedereen keek naar zijn servet of naar buiten, waar het regende tegen de ramen.

Rolf zei dat neutraliteit een keuze was. Jan zei dat vriendschap juist betekende dat je niet overal hetzelfde over hoefde te denken. Karin begon te huilen, heel zacht, en ik merkte dat ik vooral geïrriteerd was. Niet eens op haar. Op mezelf, omdat ik nog steeds hoopte dat iemand een redelijke zin zou zeggen waardoor we weer verder konden met koffie en een spelletje.

Rolf vroeg mij toen of ik nog achter mijn handtekening stond.

Ik voelde Jan naast me verstijven. Ik had kunnen zeggen: ja. Dat had rust gegeven, misschien. Of in elk geval duidelijkheid.

Maar ik zei dat ik achter respect stond, en tegen kwetsen om het kwetsen, maar niet achter een papier waarmee we elkaar buiten de groep mochten meten. Ik zei ook dat ik had getekend omdat ik bang was iedereen kwijt te raken. Dat kwam er veel zieliger uit dan ik bedoelde.

Rolf keek teleurgesteld. Jan zei niets. Peter schoof de papieren naar het midden van de tafel en zei: “Volgens mij zijn we allemaal bang iets kwijt te raken.”

De volgende ochtend vertrokken Rolf en Karin al voor de lunch. Karin stuurde later een bericht dat ze tijd nodig had. De WhatsApp-groep bestaat nog, maar is bijna stil. De eerste zaterdag van deze maand hebben Jan en ik samen pasta gegeten. Ik had per ongeluk veel te veel gemaakt, zoals altijd als ik voor twaalf denk.

Jan zette de rest in bakjes voor de vriezer. Daarna vroeg hij of ik mee een rondje wilde lopen. We liepen naar de winkel voor afbakbroodjes, alsof er niets veranderd was. Maar ik wist dat er wel iets veranderd was, alleen nog niet wat er over zou blijven.