Na veertig jaar vriendschap wilde ik verhuizen, maar voor mijn beste vrienden voelde dat alsof ik hen in de steek liet

De makelaar had nog niet eens zijn jas uit of Henk vroeg al of ik wel wist wat ik deed.

Hij zei het niet hard. Hij stond bij mijn keukenraam, met zijn handen in zijn zakken, en keek uit op de tuin waar mijn man Kees ieder voorjaar veel te vroeg begon met snoeien. Dezelfde tuin waar we met z’n vieren eindeloos hebben gezeten: Henk en Marja, Kees en ik. Barbecueën onder een parasol die altijd scheef stond, kinderen die vroeger door het gras renden, later pubers die binnen zaten met hun telefoon en alleen kwamen eten als we drie keer riepen.

Kees is vorig jaar november overleden. Alvleesklierkanker. Van de diagnose tot zijn begrafenis zat nog geen drie maanden. Ik weet dat iedereen zegt dat het snel ging alsof dat troostend is. Voor mij ging het niet snel. Ik heb elke dag nog in stukken in mijn hoofd.

Marja was er in die maanden bijna vaker dan ikzelf, zo voelde het soms. Ze bracht soep, deed een was, zat bij Kees als ik een uur naar boven ging om te huilen zonder dat hij het hoorde. Henk regelde de stoelen na de uitvaart en reed met mij naar de notaris toen ik daar zelf te bibberig voor was. Ik zal dat nooit vergeten. Echt niet.

Maar ergens na de kerst begon ik wakker te worden met één gedachte die niet meer wegging: ik wil naar Friesland.

Mijn dochter woont in Drachten, mijn zoon met zijn gezin in Leeuwarden. Sinds Kees ziek werd, waren ze er zo vaak als ze konden. Maar kunnen is iets anders dan gewoon op woensdagmiddag even bij je dochter aan de keukentafel zitten omdat haar jongste vrij is. Of een voetbalwedstrijd van je kleinzoon zien zonder dat het een heel project is met trein, overstappen en weer terug.

Hier, in de buurt van Amersfoort, heb ik natuurlijk ook mensen. De dames van de leesclub. De buurvrouw van nummer 12. De kerk, waar ik niet elke zondag kom maar waar iedereen wist wie Kees was. En Henk en Marja, al veertig jaar lang. We leerden elkaar kennen op een camping in de Achterhoek, toen onze oudste kinderen allebei waterpokken hadden en wij de enige ouders waren die niet meteen naar huis gingen.

De makelaar zei dat mijn huis waarschijnlijk snel verkocht zou zijn. Te groot voor mij alleen, vier slaapkamers, een tuin waar ik nu tegenop zie. Ik knikte toen hij over energielabels en vraagprijzen begon, maar ik hoorde vooral Kees in mijn hoofd zeggen dat de schuurdeur weer eens klemde.

Toen de makelaar weg was, bleef Marja aan de eettafel zitten. Ze had haar thee niet aangeraakt.

‘Dus je hebt dit al besloten,’ zei ze.

‘Ik ben aan het kijken,’ zei ik. Dat klonk laf, want ik had Funda al weken openstaan en ik had zelfs twee bezichtigingen gepland.

Henk ging zitten en wreef met zijn hand over zijn knie. ‘Je kent daar niemand, behalve je kinderen. Die hebben hun eigen leven, Anja.’

Dat raakte me meteen verkeerd. Niet omdat het niet waar kon zijn, maar omdat ik het zelf al honderd keer had gedacht.

‘Ik ken mijn kleinkinderen daar,’ zei ik. ‘En mijn dochter. En mijn zoon.’

‘Ja, maar je gaat toch niet verhuizen om oppasoma te worden?’ zei Marja.

Ik keek haar aan. ‘Nee. Natuurlijk niet.’

Maar ik dacht: misschien wil ik juist wel eens nodig zijn. Niet alleen degene zijn bij wie iedereen voorzichtig binnenkomt, alsof de lucht hier nog steeds naar ziekenhuis ruikt.

In de weken daarna werd alles stroever. Niet openlijk, eerst. Marja stuurde huizen door die hier in de buurt te koop stonden. Een appartement bij het winkelcentrum, een seniorenwoning aan de rand van het dorp. Bij elk bericht schreef ze iets als: kijk nou, dit zou echt iets voor jou zijn. Dichtbij ons ook.

Ik voelde me een ondankbaar mens als ik niet meteen reageerde.

Toen ik vertelde dat ik een huisje had gezien in een dorpje tussen Drachten en Leeuwarden, was het stil aan de telefoon. Uiteindelijk zei ze: ‘Dat is bijna twee uur rijden.’

Alsof ik het expres zo ver mogelijk had gezocht.

De ergste avond was bij hen thuis, begin april. Henk had asperges gemaakt, veel te veel zoals altijd. De televisie stond zacht aan in de kamer en niemand keek. Ik had die middag een bod uitgebracht op het huisje. Het was geen koopje, niets is een koopje tegenwoordig, maar ik kon het betalen als dit huis goed verkocht werd.

Henk schonk wijn bij en zei ineens: ‘Wij hebben erover nagedacht. Als geld het probleem is, kunnen wij helpen.’

Ik zei dat geld niet het probleem was.

‘Luister nou even,’ zei Marja. Ze klonk geïrriteerd, maar haar ogen stonden vochtig. ‘We willen gewoon dat je niet zo’n overhaaste fout maakt. Je zit midden in je rouw.’

Toen kwam het voorstel. Zij zouden een bedrag lenen, renteloos, zodat ik hier een fijn appartement kon kopen zonder me zorgen te maken over wat er uit de verkoop van mijn huis kwam. Maar ze wilden wel dat ik niet ergens in een uithoek ging wonen. Ze noemde het geen voorwaarde, geloof ik. Ze zei: ‘Dan spreken we wel af dat je echt onderdeel blijft van ons leven. Niet dat we straks elke keer moeten leuren om je te zien.’

Henk vulde aan dat ze ook ouder werden en dat je elkaar nodig had. Dat vond ik juist zo pijnlijk: hij had gelijk. Of in elk geval een beetje.

Ik hoorde mezelf zeggen: ‘Jullie willen me geld geven zodat ik in de buurt blijf wonen?’

Marja trok wit weg. ‘Zo bedoel je het dus.’

‘Hoe bedoel je het dan?’

Daarna zei ik dingen die niet netjes waren. Dat zij een vriendin wilden die beschikbaar was. Dat ze Kees misten en mij als een soort overblijfsel van hem hier wilden houden. Meteen toen ik het zei, zag ik Henk naar zijn bord kijken. Hij heeft Kees op zijn sterfbed nog verteld dat ze dat reisje naar Italië alsnog zouden maken, ooit. Natuurlijk missen ze hem. Wat een gemene opmerking was dat van mij.

Maar Marja zei ook iets wat bleef hangen.

‘Wij hebben je het afgelopen jaar gedragen, Anja. En nu doe je alsof we je lastigvallen.’

Ik ben die avond zonder koffie weggegaan. Thuis heb ik in de gang mijn schoenen uitgetrokken en ben ik op de trap gaan zitten. Niet omdat ik geen kracht meer had, maar omdat ik niet wist welke pijn nou waarvoor was.

Mijn bod op het huisje werd geaccepteerd. Mijn eigen huis is inmiddels onder voorbehoud verkocht. Ik ga eind augustus weg.

Henk appt af en toe praktische dingen. Of ik een verhuisbedrijf heb. Of ik al weet waar ik een huisarts moet zoeken. Marja heeft bijna drie weken niets laten horen. Vorige zondag stuurde ze een foto van onze vier kinderen op de camping, allemaal met nat haar en oranje zwembandjes. Alleen een hartje erbij. Ik heb er een halfuur naar gekeken voordat ik antwoordde.

Vorige week kwam ze onverwacht langs met twee dozen. In de ene zaten lege glazen potten, die ik ooit aan haar had uitgeleend voor jam. In de andere zaten fotoalbums die zij nog had. We hebben aan mijn keukentafel gezeten en het over de verhuizing gehad alsof het weerbericht was.

Toen ze wegging, zei ze bij de voordeur: ‘Ik weet niet hoe ik dit moet doen.’

Ik zei: ‘Ik ook niet.’

Dat was alles.

Ik ga nog steeds verhuizen. Daar twijfel ik niet meer aan, al slaap ik soms slecht van de gedachte dat ik straks in een huis woon waar Kees nooit is geweest en waar Henk en Marja niet zomaar op de fiets naartoe kunnen.

De verhuisdozen staan nu in de logeerkamer. Op één doos heb ik met dikke stift “keuken” geschreven, maar er zitten vooral foto’s in. Ik moet dat nog uitzoeken. Misschien doe ik dat pas als ik er ben.