Na veertig jaar samen op vakantie wilden wij één vaste plek in Frankrijk, maar onze beste vrienden kozen voor vrijheid

De map met vakantiewoningen staat nog steeds op mijn iPad. Ik heb hem niet weggegooid, al weet ik niet goed waarom. Er zitten huizen in de Ardèche bij, een oud schoolmeestershuis in de Lot en iets te romantische foto’s van een gîte met blauwe luiken in de Drôme. Bij sommige stond al in mijn hoofd waar de lange tafel zou komen te staan en waar Henk ’s morgens zijn krant zou lezen.

Ik ben 68, mijn vrouw Els is 66. Sinds afgelopen voorjaar werk ik nog één dag in de week bij het installatiebedrijf waar ik bijna mijn hele leven heb gezeten. Officieel had ik al kunnen stoppen, maar ik vond de overgang te abrupt. Els is vorig jaar uit het basisonderwijs gegaan. We dachten: nu begint de rustige periode. Niet stilzitten, maar wel tijd hebben. En die tijd zag ik, blijkbaar zonder dat ik het echt doorhad, voor een groot deel met Henk en Marijke erin.

We kennen hen sinds 1983. Onze kinderen zaten toen op dezelfde peuterspeelzaal in Amersfoort. Henk hielp mij een keer met een lekkende afvoer, ik hielp hem later met het dak van hun schuur. Zo ging dat. Daarna kwamen de etentjes, de verjaardagen, de kampeerweken met te kleine tenten en natte handdoeken over de stoelen.

We zijn samen door veel heen gegaan. Toen Marijke borstkanker had, kookte Els drie avonden per week voor hen, zonder daar ooit een groot ding van te maken. Toen onze oudste zoon in een depressie zat en maanden nauwelijks de deur uitkwam, was Henk een van de weinigen die gewoon af en toe langs kwam om naar voetbal te kijken. Niet vragen hoe het ging, niet drammen. Er zijn dingen die je niet vergeet.

De laatste vijftien jaar huurden we bijna elke zomer samen een huis in Frankrijk. Eerst omdat het voordelig was met vier volwassenen en later omdat niemand meer iets anders wilde. Henk reed altijd het eerste stuk. Marijke maakte lijstjes die niemand volgde. Els en ik waren degene die te vroeg wakker werden en het brood haalden. We hadden onze irritaties ook wel, hoor. Henk kan eindeloos zeuren over tolwegen. Marijke vindt dat Els te veel indekt met slecht weer. Maar het hoorde erbij. Zoals een oude jas die niet meer perfect zit, maar die je toch blijft aantrekken.

Het idee voor een vaste huur kwam van Els, eigenlijk. Geen koopwoning, dat vonden we allemaal te veel gedoe en te duur. Maar een kleine gîte voor vijf jaar, steeds dezelfde plek, misschien buiten het hoogseizoen ook een paar weken. Dan konden de kinderen en kleinkinderen eventueel mee, ieder op zijn eigen moment. We zouden er geen ingewikkeld contract van maken. Gewoon samen de lasten dragen en ruim van tevoren afstemmen.

Ik had verwacht dat Henk meteen naar de cijfers zou vragen en daarna enthousiast zou worden. Hij is altijd degene geweest van: als je iets doet, moet je het goed doen.

We hebben het voorstel bij ons thuis besproken, op een zondagmiddag in november. Er stond erwtensoep op het fornuis en buiten regende het zo’n fijne regen waar je niks aan hebt, behalve dat alles grijs wordt.

Marijke keek naar de printjes die Els op tafel had gelegd. Ze zei eerst niet veel. Henk las een stukje van de voorwaarden en vroeg of je ieder jaar aan dezelfde weken vastzat.

‘Niet helemaal,’ zei Els. ‘Maar je moet wel iets afspreken, anders krijg je gedoe.’

Daarna zei Marijke: ‘Ik denk niet dat wij dit willen.’

Zo eenvoudig zei ze het. Niet hard, niet boos. Juist daardoor kwam het bij mij verkeerd binnen.

Henk knikte. ‘We hebben het er al over gehad. Nu ik stop bij de gemeente willen we eigenlijk juist minder vastleggen. Misschien met de trein naar Italië, misschien een week naar Texel, misschien nergens heen. We willen niet het gevoel hebben dat we elk jaar naar Frankrijk móéten omdat er betaald is.’

Ik zei nog: ‘Maar we gaan toch al jaren?’

‘Ja,’ zei Marijke. ‘En dat was altijd per jaar kijken. Dat is toch iets anders.’

Ik weet dat ik toen had moeten zeggen: natuurlijk, jammer maar begrijpelijk. Dat is wat een volwassen mens doet. In plaats daarvan hoorde ik mezelf vragen of ze die vakanties dan kennelijk als een verplichting hadden ervaren.

Henk keek me aan alsof ik hem iets oneerlijks in de schoenen schoof. ‘Dat zeg ik niet, Joost.’

‘Nee, maar wat zeg je dan wel? We willen iets regelen waardoor we elkaar blijven zien. En ineens is dat verstikkend?’

Els legde haar hand op mijn arm. Dat deed ze onder tafel, dus de anderen zagen het niet. Maar ik voelde het wel.

Marijke werd rood in haar gezicht. ‘Jullie hoeven ons niet te regelen om ons te blijven zien.’

Dat bleef hangen. Regelen. Alsof wij twee mensen waren geworden die met een agenda achter hen aan zaten.

Het gesprek werd daarna beleefd. Te beleefd. We aten de erwtensoep op, Henk nam geen tweede kom terwijl hij dat normaal altijd doet, en rond zeven uur gingen ze weg. Marijke omhelsde Els bij de voordeur. Mij gaf ze een kort kusje op mijn wang, zo’n kusje waarbij je al half met je jas naar buiten staat.

In de dagen erna was ik vooral kwaad. Niet eens vanwege dat huisje, hield ik mezelf voor. Het ging me om het principe. Veertig jaar sta je klaar voor elkaar, en als wij iets vragen dat ook nog leuk is, dan is vrijheid opeens belangrijker.

Els zei daar weinig op. Zij kan mij lang laten doorpraten zonder partij te kiezen. Op een avond, we zaten met de televisie aan zonder te kijken, zei ze: ‘Volgens mij vraag jij niet alleen om Frankrijk.’

Ik vroeg wat ze daarmee bedoelde.

‘Je bent bang dat alles losser wordt nu we ouder worden. Je werk, de kinderen die druk zijn, vrienden die andere plannen krijgen. Dat snap ik. Maar Henk en Marijke mogen toch ook bang zijn om vast te zitten?’

Daar werd ik weer boos van, juist omdat ze niet helemaal ongelijk had. Ik zei dat Henk en Marijke helemaal niet het type waren dat spontaan met een rugzak door Europa ging. Henk krijgt al stress als hij geen eigen kussen mee kan nemen.

Els lachte niet. ‘Misschien willen ze gewoon eens iets kiezen zonder dat wij er ook in voorkomen.’

Dat vond ik een nare gedachte. En eerlijk gezegd vind ik hem nog steeds naar.

Een week later belde Henk. Hij begon over iets onbenulligs, over de cv-ketel van zijn dochter. Uiteindelijk zei hij: ‘Ik wil niet dat dit tussen ons in blijft hangen.’

Ik zei: ‘Dan moeten we er misschien over praten.’

Hij zuchtte. ‘Dat wil ik best. Maar niet om alsnog overtuigd te worden.’

We zijn gaan wandelen langs de Eem, op een koude dinsdag. We praatten eerst over zijn kleindochter, mijn laatste werkdag, de prijzen in de supermarkt. Toen pas over Frankrijk.

Henk zei dat hij zich de afgelopen jaren soms al schuldig voelde als hij met zijn broer een weekend weg wilde, omdat hij dacht dat wij dan zouden zeggen dat er nooit meer iets van gezamenlijke plannen kwam. Hij zei ook dat hij bang was dat een vaste plek zou veranderen in een soort onuitgesproken rooster: Pasen samen, september samen, wie neemt welke vrienden mee, wie maakt schoon.

‘Dat zou ik helemaal niet willen,’ zei ik.

‘Misschien niet,’ zei hij. ‘Maar jij houdt van duidelijkheid. Ik weet hoe jij bent. En ik ben nu op een leeftijd dat ik niet nog meer duidelijkheid wil.’

Dat was geen fijne zin om te horen. Maar het was ook niet gemeen.

Ik heb hem verteld dat ik het ervoer alsof ze niet meer in ons wilden investeren. Hij keek lang naar het water en zei toen dat hij daar van schrok. ‘Wij denken juist dat vriendschap moet kunnen zonder dat je steeds bewijst dat het belangrijk is.’

Daar stonden we dan, twee mannen die elkaar kennen sinds we nog donker haar hadden, allebei overtuigd dat we de vriendschap wilden beschermen en allebei bang voor iets anders.

We hebben geen huis in Frankrijk gehuurd. Els en ik zijn in juni met onze camper drie weken naar de Bourgogne geweest. Het was mooi, rustiger dan ik had verwacht. Ik miste Henk bij het uitzoeken van de wijn en Marijke die altijd te veel abrikozen koopt op de markt. Tegelijkertijd was het ook prettig dat niemand vroeg hoe laat we wilden vertrekken.

Henk en Marijke zijn deze zomer met de trein naar Wenen geweest. Henk stuurde mij een foto van zichzelf met een veel te kleine koffie op een terras. Ik antwoordde alleen: ‘Ziet er goed uit.’ Eerst wilde ik iets flauws typen over zijn kussen, maar ik heb het niet gedaan.

Volgende maand eten we bij hen. Gewoon op een vrijdag. Geen plannenboek, geen huurcontract, geen beslissing voor vijf jaar. Ik zie er tegenop en ik heb er zin in. Misschien is dat voorlopig het eerlijkste wat ik erover kan zeggen.