Na veertig jaar vriendschap vroegen onze beste vrienden of we elke week bij hen wilden intrekken
De toilettas voor onze reis staat al drie weken op de logeerkamer. Niet omdat ik zo vroeg begin met inpakken, daar ben ik normaal gesproken veel te chaotisch voor. Maar ik durf hem niet meer op te ruimen.
Als ik hem zie staan, met die reisflesjes en mijn wandelschoenen ernaast, krijg ik meteen dat knoopje in mijn buik. Alsof we iets stiekems van plan zijn.
Mijn man Henk en ik zijn allebei 67. We kennen Karel en Monique sinds 1984, van de camping in Frankrijk. Onze kinderen waren toen nog klein, we hadden allemaal zo’n vouwwagen of oude caravan en veel te weinig geld. Karel kon geweldig koken op een gaspitje en Monique was degene die om elf uur ’s avonds nog wist waar je ijsblokjes kon halen. Vanaf dat moment trokken we jaren met elkaar op.
Wij woonden in een rijtjeshuis in Amersfoort, Henk werkte bij de gemeente en ik heb jarenlang in een apotheek gewerkt. Niet bijzonder, maar we waren wel van het soort dat elke maand iets opzijzette. Eerst voor een andere auto, later voor de studie van de kinderen, en uiteindelijk voor ons pensioen.
Karel en Monique leefden anders. Zij hadden altijd plannen. Een bed & breakfast in Portugal, een antiekwinkeltje, een paar maanden met de camper weg zonder te weten waarheen. Soms liep het goed af, vaak ook niet echt. Dan leenden ze wat van familie, of namen ze weer tijdelijk werk aan. Ik heb daar nooit op neergekeken. Eerlijk gezegd vond ik het soms zelfs jaloersmakend, hoe licht ze alles leken te dragen.
Twee jaar geleden kreeg Karel de diagnose Parkinson. Niet van de ene op de andere dag verschrikkelijk, maar wel genoeg om alles rommelig te maken. Hij werd trager, vergat afspraken en raakte snel overprikkeld. Monique kreeg rond dezelfde tijd steeds meer last van haar longen. COPD, zeiden ze. Ze had al jaren gerookt, ook dat was typisch Monique: stoppen zou ze morgen doen.
In het begin hielpen we gewoon zoals vrienden dat doen. Ik bracht een pan soep als Monique benauwd was. Henk hing een lamp op die al maanden in de gang lag. We reden eens mee naar het ziekenhuis in Utrecht omdat Karel na een onderzoek niet alleen terug mocht rijden.
Toen belde Monique op een dinsdagmiddag. Ze huilde niet, maar haar stem klonk vlak.
‘Er liggen aanmaningen, Els. Ik snap niet meer wat nou betaald is en wat niet. En Karel heeft per ongeluk twee keer de energierekening overgemaakt, geloof ik.’
Dus gingen we die donderdag. Het was een chaos, dat moet ik gewoon eerlijk zeggen. Post op de eettafel, op de piano, in een mand bij de voordeur. Een halflege koelkast. Handdoeken die al dagen in de wasmachine lagen. Karel zat in zijn badjas naar een natuurdocumentaire te kijken terwijl het drie uur ’s middags was.
Ik schaamde me bijna dat ik me eraan ergerde. Die mensen waren ziek. Maar tegelijk dacht ik: hoe kan het zó snel ontsporen?
Van één donderdag werden twee dagen. Daarna bleven we soms slapen, omdat Henk vroeg in de ochtend met Karel naar de huisarts moest en ik thuis de administratie wilde uitzoeken. Monique vond het fijn als ik de boodschappen deed. Ze zei dan: ‘Jij weet tenminste wat je moet kopen.’
Dat klonk als een compliment, maar het werd langzamerhand een taakomschrijving.
We wonen veertig minuten bij hen vandaan, in een dorpje buiten Zwolle. Elke maandag pakten we een tas. Henk deed kleine klussen, vulde medicijndoosjes en zette afspraken in Karels telefoon. Ik maakte schoon, belde instanties, keek mee naar hun bankzaken en probeerde maaltijden vooruit te koken.
De wijkverpleging kwam voor Karels steunkousen en er was iemand van de gemeente geweest voor een gesprek over ondersteuning, maar daar gebeurde volgens Monique ‘nooit iets mee’. Ik weet niet precies wat er allemaal is aangevraagd. Als ik ernaar vroeg, zei ze dat formulieren haar paniek gaven. Dat begrijp ik ook wel. Alleen werden die formulieren vervolgens op míjn stapel gelegd.
Henk zei op een avond, terug in onze eigen keuken: ‘We zijn meer daar dan hier.’
Ik werd meteen boos op hem. ‘Alsof jij niet ziet dat ze ons nodig hebben.’
‘Dat zie ik juist wel. Maar jij ziet niet meer dat wij ook een leven hebben.’
Daarna hebben we een hele tijd niets gezegd. De vaatwasser piepte dat hij klaar was. Zo’n stom geluid, maar ik weet het nog precies.
Onze reis naar Madeira hadden we al voor Karels diagnose geboekt. Drie weken, eind september. Voor ons is dat geen luxe vakantie van elk jaar. We zijn vroeger altijd met de auto naar de Veluwe of een weekje naar Zeeland gegaan. Deze reis was ons cadeau aan onszelf, na al die jaren werken. Henk wilde levada-wandelingen maken. Ik wilde gewoon een hotelkamer waar iemand anders de handdoeken opvouwt.
Toen ik Monique vertelde dat we weg zouden gaan, bleef het stil aan de telefoon.
‘Oh,’ zei ze uiteindelijk. ‘Drie weken dus.’
‘Ja. Maar we regelen natuurlijk dat alles op orde is voordat we gaan.’
Dat zei ik veel te snel. Alsof ik toestemming vroeg.
Een paar dagen later zaten we bij hen aan tafel. Karel was die ochtend gevallen in de badkamer. Niets gebroken, gelukkig, maar hij was erg geschrokken. Monique had nauwelijks geslapen.
‘Ik weet echt niet hoe het moet als jullie weg zijn,’ zei ze. Ze keek niet naar mij, maar naar haar kop thee. ‘Wij lopen nu al vast als jullie er twee dagen niet zijn.’
Henk vroeg rustig of hun dochter Saskia iets kon doen. Zij woont in Deventer, heeft een gezin en werkt vier dagen in de week. Monique trok haar mond scheef.
‘Saskia heeft haar eigen gedoe. Bovendien wil ik haar niet steeds lastigvallen.’
Ik voelde iets in mezelf verharden, en daar schrok ik van. Blijkbaar mochten wij wel steeds lastiggevallen worden, omdat wij geen kleinkinderen hebben en omdat we net met pensioen zijn.
Ik zei: ‘Wij willen helpen, Monique. Maar we kunnen niet jullie vaste zorgsysteem worden.’
Ze keek me toen wel aan. Haar ogen stonden rood en boos tegelijk.
‘Na veertig jaar zeg je dat?’
Ik had duizend antwoorden kunnen geven. Dat we juist al veertig jaar helpen. Dat vriendschap niet betekent dat je bij iemand intrekt. Dat ze professionele hulp nodig hebben, en misschien ook eerlijker moeten zijn tegen Saskia en de huisarts over hoe het thuis gaat.
Maar ik zei alleen: ‘Juist na veertig jaar wil ik niet dat we elkaar gaan haten.’
Dat klonk beter dan ik me voelde.
We zijn niet met ruzie weggegaan. Dat maakt het misschien nog ingewikkelder. Monique deed ons de deur uit met een bakje pastasaus voor thuis, omdat ze te veel had gemaakt. Karel zei dat hij het wel zou redden. Hij zei het op die opgewekte toon die hij vroeger ook gebruikte als hij zonder reservering een volle camping op reed.
Sindsdien gaan we nog steeds één vaste dag per week. Henk heeft contact gezocht met de huisartspraktijk, met toestemming van Karel, en er komt binnenkort iemand om opnieuw naar ondersteuning te kijken. Monique reageert korter op mijn berichten. Soms stuurt ze alleen: ‘Oké.’
De reis hebben we niet geannuleerd. Ik zeg dat nu heel feitelijk, maar ik heb er twee nachten slecht van geslapen voordat we die beslissing namen.
Vanmorgen vroeg Monique of ik maandag ook alvast de winterkleding van zolder wilde halen, ‘voor het geval het weer omslaat als jullie weg zijn’. Ik heb teruggestuurd dat ik maandag kom, maar dat we daarna echt vertrekken zoals gepland.
Mijn toilettas staat nog steeds boven. Vanavond ga ik hem verder inpakken. En waarschijnlijk neem ik mijn telefoon mee naar Madeira, ook al had Henk voorgesteld hem thuis te laten.