Na 34 jaar vriendschap zei Kees dat hij niet meer mee wilde naar Frankrijk, tenzij wij ook anders gingen leven
De groepsapp heet nog steeds “Frankrijk vier”, al heeft er sinds november bijna niemand meer iets ingezet. Alleen Kees stuurde vorige week een foto van een glazen pot met gedroogde bonen erin. Daaronder schreef hij: “Zo simpel kan rijkdom zijn.”
Ik heb er een hartje onder gezet, omdat ik niet wist wat ik anders moest doen.
Wij kennen Kees en Marjan al sinds 1990. Hans werkte toen bij dezelfde verzekeraar als Kees, nog in zo’n kantoor met vaste rookpauzes achter het fietsenhok. Ik raakte bevriend met Marjan toen we allebei jonge kinderen hadden en voortdurend te laat kwamen op school omdat er altijd wel één zijn gymtas kwijt was.
In al die jaren hebben we van alles met elkaar meegemaakt. De scheiding van mijn zus. De ziekte van Marc, hun oudste. Toen Hans een hartinfarct kreeg, stond Kees diezelfde avond bij ons met een tas schone onderbroeken en een oplader, omdat ik nergens meer aan dacht. En toen Marjans moeder naar een verpleeghuis moest, hebben Hans en ik drie zaterdagen haar flat leeggehaald. Niet omdat het gevraagd moest worden. Zo ging dat gewoon tussen ons.
We aten elke maand bij elkaar. Om de beurt. Bij Marjan altijd te veel: soep vooraf, iets uit de oven, kaasplankje, en dan nog een bakje koffie met advocaat. Bij mij meestal makkelijk maar gezellig. En ieder jaar, eind mei, gingen we twee weken naar dezelfde streek in Frankrijk. Niet exact hetzelfde hotel, maar wel ongeveer dezelfde omgeving, ergens in de Dordogne. Wij reden met de auto, stopten bij een supermarkt net over de grens en kochten wijn waarvan we thuis zouden zeggen dat hij te zwaar was.
Kees ging vorig voorjaar met pensioen. Eerst was hij vooral moe, volgens Marjan. Hij zat veel in de tuin en keek filmpjes over composteren en de plasticsoep. Daar is op zichzelf niets mis mee. Hans en ik scheiden ook afval, we hebben zonnepanelen en ik neem al jaren een boodschappentas mee. Maar bij Kees werd het in een paar maanden alles.
Hij verkocht zijn motor. Daarna de tweede auto. Hij zei zijn abonnement op de golfclub op. Hij gaf dozen met boeken weg, gooide zijn leren schoenen weg omdat leer volgens hem niet meer te verdedigen was, en begon in truien te lopen die Marjan, heel eerlijk, voorheen alleen aantrok als ze de ramen ging zemen.
Tijdens een etentje bij hen stond er linzensoep op tafel met zelfgebakken brood. Het was niet vies, helemaal niet. Alleen Kees bleef maar uitleggen hoeveel liter water vlees kostte en hoeveel CO2 een stuk kaas veroorzaakt. Hans nam een tweede plak brood en zei: “Nou, dan zit ik voor vandaag wel goed.”
Kees lachte niet.
Later vroeg hij waarom wij nog steeds naar Frankrijk reden. Ik zei dat we daar al jaren kwamen, dat we het fijn vinden, dat het een vakantie is waar we naar uitkijken. Hij zei dat “fijn vinden” toch geen voldoende reden kon zijn als je wist wat autorijden en een hotel met zwembad betekenden.
Dat kwam harder aan dan ik toen liet merken. Niet eens omdat hij ongelijk heeft over het klimaat. Ik weet best dat wij comfortabel leven. We hebben een caravan gehad, vliegen soms naar onze dochter in Spanje en Hans is dol op een stukje vlees van de slager. Ik ben geen heilige. Maar ineens voelde ik me in mijn eigen leven bekeken door iemand die vroeger zonder nadenken een nieuwe barbecue kocht omdat de oude roestplekken had.
Marjan zei weinig. Dat is misschien nog het moeilijkste. Als Kees begon, keek zij naar haar bord of stond ze op om thee te zetten. Een keer appte ze mij apart: “Hij is zoekende, denk ik. Geef het tijd.”
Dat wilde ik ook. Echt. Je gunt iemand na zijn pensioen toch iets nieuws, zeker na al die jaren werken. Alleen werd zijn nieuwe leven al snel iets waar wij blijkbaar ook aan moesten voldoen.
In september begonnen we over Frankrijk. Hans had het hotel gevonden waar we de laatste twee keer waren geweest: kleine kamers, prima bedden, zwembad, dat terras onder die platanen. Kees reageerde pas na twee dagen in de app.
“Wij gaan niet meer naar accommodaties zonder aantoonbaar duurzaam beleid. Bovendien wil ik niet meer voor mijn plezier zo ver autorijden. Als jullie echt met ons op vakantie willen, kunnen we met de trein naar een natuurhuisje in België of Duitsland. Zelf koken, lokaal inkopen, geen zwembad.”
Hans las het bericht aan de keukentafel en zei meteen: “Dan gaat hij toch lekker naar België.”
Ik vond dat te kort door de bocht, maar ik voelde hetzelfde. Het ging niet om dat zwembad. Ook niet om die afstand. Het ging erom dat er geen voorstel lag, maar een soort toelatingseis.
Toen we de week erna bij hen koffie dronken, liep het alsnog uit de hand. Niet met schreeuwen, zo zijn we niet, maar juist met die scherpe rustige stemmen waar je thuis nog dagen last van hebt.
Kees zei dat wij zijn verandering persoonlijk maakten. “Ik vraag alleen of jullie bereid zijn mee te bewegen.”
Hans zei: “Nee, je vraagt of we onze vakantie moeten inleveren omdat jij nu vindt dat wij verkeerd leven.”
“Dat woord heb ik niet gebruikt.”
“Je hoeft het niet te gebruiken, Kees.”
Ik zag Marjan haar handen om haar mok klemmen. Ik zei dat ik best één keer iets anders wilde proberen, maar dat ik niet wilde dat elke maaltijd of vakantie een examen werd. Kees keek me aan alsof ik hem teleurstelde. Dat is misschien kinderachtig van mij, maar ik kon daar bijna niet tegen. Alsof onze hele geschiedenis ineens minder waard was dan de spullen die hij had weggedaan.
Marjan zei toen eindelijk: “Ik wil eigenlijk gewoon een paar dagen naar Frankrijk. Met een goed bed. En een glas wijn zonder dat ik hoef uit te rekenen wat het kost aan uitstoot.”
Het werd heel stil.
Kees keek naar haar, niet boos precies, eerder gekwetst. Hij zei: “Dus jij begrijpt er ook niks van.”
Daar schrok ik van. Marjan ook. Ze knipperde een paar keer en zei alleen: “Misschien niet op de manier waarop jij wilt.”
We zijn vrij snel weggegaan. Bij de voordeur zei Kees nog dat hij hoopte dat we hier later anders op terug zouden kijken. Hans mompelde iets wat ik niet goed verstond.
Sindsdien hebben we twee keer met Marjan gebeld. Ze vertelde dat Kees veel op forums zit en met mensen optrekt die leven zonder afval, zonder auto, bijna zonder spullen. Ze zei ook dat hij rustiger is dan vroeger. Minder gejaagd. En ik geloof haar als ze zegt dat dit hem ergens goed doet.
Maar ik vraag me af waarom die rust blijkbaar niet naast ons oude leven kan bestaan.
Hans heeft het hotel in Frankrijk inmiddels geboekt. Voor twee personen. Hij wilde eerst helemaal niet gaan, omdat het zonder hen “toch niet hetzelfde” zou zijn. Ik heb hem overgehaald. Misschien laf, misschien koppig. Maar ik wil niet dat wij thuisblijven om te bewijzen dat onze vriendschap belangrijker is dan een vakantie, terwijl zij vervolgens misschien in een Duits boshuisje zitten en Kees alsnog vindt dat wij te weinig hebben veranderd.
Gisteren stuurde Marjan een berichtje. “Als jullie in mei gaan, zou ik misschien een paar nachten kunnen komen. Met de trein, dan. Als dat niet raar is.”
Ik heb het bericht drie keer gelezen. Hans zei dat het natuurlijk niet raar is, maar ik zag aan hem dat hij meteen dacht aan Kees, aan gedoe, aan wat je wel en niet mag bestellen op een terras.
Ik heb Marjan teruggestuurd dat ze meer dan welkom is. Daarna heb ik de groepsapp geopend, naar die foto met de bonen gekeken en hem weer afgesloten.
De reservering staat op onze naam. Twee kamers zijn er nog vrij, zei het hotel toen ik belde. Ik heb ze niet vast laten zetten.