Na veertig jaar vriendschap bleek mijn pensioen ineens niet meer van mijzelf te zijn
Het begon met een Excel-bestand in onze gezamenlijke WhatsAppgroep. Bas had een schema gemaakt voor een reis van drie weken door Japan en Zuid-Korea, inclusief hotels, treinpassen, een kookworkshop in Osaka en bedragen waar ik even van moest slikken. Onder het bestand schreef hij: “Nu kunnen we eindelijk echt boeken. Geen uitstel meer.”
Ik keek ernaar aan de keukentafel, met mijn koffie die koud was geworden. Bovenaan stond vertrek op 7 oktober. Precies de week waarin we met de verbouwing van het oude wijkcentrum zouden beginnen.
Ik ben 67 en sinds januari met pensioen. Ik werkte 41 jaar bij de gemeente, eerst op de afdeling vergunningen en later als beleidsmedewerker openbare ruimte. Geen baan waar mensen op feestjes veel vragen over stellen, maar ik vond het altijd prima. Ik was goed in overleggen, lijstjes maken, zorgen dat er aan het eind van een vergadering iets op papier stond waar iedereen min of meer mee kon leven.
Met Bas en Marijke, en mijn vrouw Els en ik, trekken we al ruim 36 jaar op. We leerden elkaar kennen toen onze kinderen nog in de zandbak zaten bij de flat in Amersfoort waar we toen allebei woonden. Later verhuisden we allemaal, kregen we andere banen, werd er gescheiden in onze bredere vriendenkring, gingen kinderen studeren en kwamen er kleinkinderen. Maar wij vier bleven.
Elke woensdag eten we om de beurt bij elkaar. Niet altijd uitgebreid, hoor. Vaak gewoon pasta, soep, een schaal brood erbij. We zijn samen naar Portugal, Schotland, Praag, een paar keer naar Frankrijk geweest. Toen ik nog werkte, was het vaak Bas die zei dat ik niet zo moeilijk moest doen en gewoon vrij moest nemen. “Je leeft maar één keer, Arjen.” Dat was een soort vaste uitspraak van hem.
In februari liep ik langs het oude wijkcentrum in Liendert. Het stond al jaren half leeg. Vroeger had mijn dochter daar nog gedanst. Nu hingen er vergeelde posters achter de ramen en stond er een kapotte fiets tegen de gevel. Via een buurvrouw hoorde ik dat een groep bewoners er een plek van wilde maken voor huiswerkbegeleiding, een repaircafé en koffieochtenden voor mensen die alleen waren. Ze zochten mensen die konden helpen met subsidieaanvragen, vergunningen en het regelen van vrijwilligers.
Ik ging naar één bijeenkomst. Alleen om te luisteren, dacht ik.
Aan het eind vroeg iemand of ik misschien mijn nummer wilde achterlaten. Twee weken later zat ik met een vrouw van 29 die net bevallen was en toch voorzitter van de stichting was geworden, een gepensioneerde timmerman, een jongen die de sociale media deed en een Syrische man die vroeger elektricien was. Het was rommelig. Iedereen praatte door elkaar. Er was geen agenda en de koffie was verschrikkelijk.
Maar ik ging naar huis met een stapel papieren en een gevoel dat ik lang niet had gehad.
Els zei die avond: “Je ogen staan weer anders.”
Ik lachte haar eerst een beetje weg. Maar ze had gelijk. Ik merkte dat ik ’s morgens eerder opstond. Niet omdat het moest. Omdat er dingen lagen die ik zelf had toegezegd. Een gesprek met de verhuurder, een begroting nakijken, iemand bellen die al drie keer niet terugbelde. Kleine dingen misschien, maar er hing iets vanaf. Niet alleen van mij, juist daarom.
Bas en Marijke vonden het in het begin vooral grappig. Bij het eten zei Marijke: “Dus jij bent nu buurthuisbaas?”
Ik zei dat het geen buurthuis was, maar een wijkcentrum. Dat was flauw van mij, want ik hoorde zelf ook wel hoe belangrijk ik ineens dat verschil vond.
Later werd het anders. Bas begon te vragen hoeveel uur ik erin stak. Hij zei dat hij het zonde vond dat ik me na mijn pensioen meteen weer “een baan liet aansmeren”. Marijke zei dat zulke projecten altijd op een paar goedwillende mensen leunden totdat die er genoeg van kregen.
Daar hadden ze niet eens helemaal ongelijk in. Ik merkte ook dat ik soms te veel naar me toetrok. Als iets bleef liggen, dacht ik meteen: dan doe ik het wel. Els zei een paar keer dat ik niet opnieuw moest worden wie ik op kantoor was, altijd bereikbaar, altijd degene die nog even een mail stuurde.
Maar het verschil was dat ik nu ergens zelf voor koos.
De reis naar Azië was al jaren een plan. Eerst zouden we gaan als Bas met vervroegd pensioen ging, maar dat werd uitgesteld. Toen kwam corona. Daarna had Marijke gedoe met haar moeder. Ik snapte heel goed dat zij ernaar uitkeken. Bas is 66, maar werkt nog drie dagen per week als financieel adviseur. Marijke werkt in het onderwijs en zegt ieder jaar dat ze na dit schooljaar minder gaat doen, maar dat gebeurt nooit.
Toen het wijkcentrum eindelijk groen licht kreeg van de gemeente, wist ik dat oktober lastig zou worden. De aannemer kon alleen toen beginnen, omdat hij daarna een groot project had. De subsidie moest voor het einde van het jaar verantwoord worden. Ik zei tegen Bas dat ik misschien later naar Japan kon komen, of dat we de reis moesten verplaatsen.
Hij keek me aan alsof ik een grap maakte.
“Arjen, dit is niet een weekendje Veluwe. Dit plannen we al vier jaar.”
“Ik weet het.”
“Dan regel je toch dat iemand anders die bouw begeleidt?”
“Dat probeer ik. Maar zo werkt het niet helemaal.”
Marijke zei niets. Ze roerde alleen in haar thee, veel te hard eigenlijk. Els keek naar haar bord.
Een paar dagen later belde Bas me op. Hij zei dat hij zich zorgen maakte. Dat ik volgens hem te gemakkelijk werd gebruikt door mensen die tijd genoeg hadden om enthousiast te zijn, maar geen verantwoordelijkheid wilden dragen. Hij zei ook dat hij me kende en wist dat ik slecht nee kon zeggen.
Dat laatste raakte me, juist omdat het waar was.
Toen kwam de zin waar ik nog steeds aan terugdenk. “Je moet wel bedenken wat je weggooit voor een club mensen die je over vijf jaar waarschijnlijk niet eens meer kent.”
Ik zei: “En jullie dan? Als ik niet mee kan, kennen jullie me ineens ook niet meer?”
Het bleef even stil. Daarna zei hij dat ik zijn woorden verdraaide. Misschien deed ik dat ook. Ik was kwaad en opgelucht tegelijk dat het eindelijk uitgesproken was.
Die woensdag kwamen Bas en Marijke niet eten. Marijke stuurde Els een berichtje dat ze hoofdpijn had. Els geloofde daar niets van, maar antwoordde alleen: beterschap.
Sindsdien is het ongemakkelijk. We appen over praktische dingen. Over een verjaardag van een kleinkind, over een foto van hun nieuwe tuinset. Maar niet over de reis. Ook niet over het wijkcentrum.
Els zit er het meest tussenin. Zij mist Marijke. Ze wandelen normaal elke zaterdagochtend samen, en nu is dat teruggebracht tot af en toe een berichtje. Ze steunt mij, dat weet ik. Ze heeft zelfs geholpen met het uitzoeken van gordijnen voor de grote zaal. Maar vorige week zei ze, terwijl ze de vaatwasser inruimde: “Ik wil niet dat jij later denkt dat ik je tegengehouden heb om met hen mee te gaan.”
Dat deed pijn, omdat ik helemaal niet het gevoel heb dat zij mij tegenhoudt. Eerder andersom: alsof iedereen wacht tot ik weer de oude Arjen word, degene die zich aanpast omdat dat het minste gedoe geeft.
De reis is nog niet definitief betaald. Bas heeft de opties nog twee weken vast kunnen houden. Voor het wijkcentrum hebben we inmiddels iemand gevonden die tijdens mijn afwezigheid het contact met de aannemer zou kunnen doen. Een aardige vrouw, Nadine, heel kundig ook. Dus praktisch gezien kan ik mee.
Maar ik weet niet of ik dat nog wil, niet op deze manier. Niet omdat ik Japan niet wil zien, of omdat ik Bas en Marijke niets meer gun. Ik mis ze juist vreselijk. Ik mis hoe vanzelfsprekend het was om woensdag aan te bellen zonder na te denken over wat er wel en niet gezegd mocht worden.
Vanmiddag moet ik Bas bellen. Els heeft al gevraagd of ik daarna boodschappen wil meenemen: yoghurt, bananen en kattenvoer voor de kat van onze dochter, die een weekend weg is.
Dat lijstje ligt nu naast mijn telefoon. De telefoon heb ik al drie keer opgepakt en weer neergelegd.