Na veertig jaar vriendschap boekten we een reis terwijl Theo achteruitging

De foto op mijn telefoon is genomen op een camping in de Ardèche, denk ik, in 1998. Theo staat erop met een veel te korte zwembroek en een plastic glas rosé in zijn hand. Marijke ligt dubbel van het lachen. Els en ik zitten ernaast, nog met donker haar, en achter ons hangen vier natte handdoeken over een lijn.

We waren toen al bijna twintig jaar bevriend. We hadden elkaar leren kennen in een nieuwbouwwijk in Amersfoort, toen onze kinderen nog op de basisschool zaten en iedereen op zaterdag zelf zijn schutting beitste. Daarna is het eigenlijk nooit opgehouden. Iedere woensdag aten we om de beurt bij elkaar. Niet chic, gewoon macaroni, stamppot, soms een afhaalchinees. We gingen samen skiën in Oostenrijk, later liever naar een huisje in Drenthe omdat Theo zijn knieën minder werden. Onze kinderen vonden ons soms overdreven, die vaste vier.

“Jullie zijn gewoon één gezin met twee adressen,” zei onze dochter ooit.

Dat voelde niet eens als een overdrijving.

Toen Theo vorig voorjaar tijdens een wandeling ineens niet meer wist waar de auto stond, lachten we het eerst weg. Hij had slecht geslapen, zei Marijke. Iedereen vergeet wel eens wat. Maar er kwamen meer dingen. Hij belde mij op een dinsdagochtend omdat hij dacht dat hij zijn portemonnee bij ons had laten liggen. Die lag in zijn jaszak. Hij zette de waterkoker op het gasfornuis. Hij werd kortaf tegen Marijke, wat helemaal niet bij hem paste. Theo was altijd degene die de spanning eruit haalde, ook als er niets te lachen viel.

Na onderzoeken kwam de diagnose: beginnende Alzheimer.

Ik weet nog dat we met z’n vieren aan hun eettafel zaten. Marijke had koffie gezet die niemand opdronk. Theo keek vooral naar buiten, naar zijn eigen tuin. Hij zei op een gegeven moment: “Nou, dan word ik dus lastig.”

Niemand wist wat daarop een goed antwoord was. Els pakte zijn hand. Ik zei iets flauws over dat hij altijd al lastig was geweest. Hij glimlachte wel, maar heel even.

In de maanden erna gingen we vanzelf meer doen. Ik reed mee naar afspraken als Marijke niet alleen wilde. Els nam soms boodschappen voor haar mee. We bleven na het eten afwassen, al protesteerde Marijke daar eerst tegen. Dat voelde allemaal normaal. Je laat een vriend toch niet vallen zodra het ingewikkeld wordt.

Alleen veranderde ‘soms’ ongemerkt in bijna iedere dag.

Marijke belde vaak aan het einde van de middag. Soms omdat Theo onrustig was. Soms omdat hij naar zijn oude kantoor wilde terwijl hij al twaalf jaar met pensioen is. Soms hoorde ik vooral dat zij iemand nodig had die zei dat ze het goed deed. En dat deed ze ook. Ze was geduldig op een manier waarvan ik niet wist dat een mens het kon opbrengen.

Maar Els en ik waren net zelf met pensioen. Ik had 43 jaar bij de gemeente gewerkt, Els in het onderwijs. We hadden jarenlang gezegd: als we stoppen, gaan we eindelijk weg wanneer we willen. Niet alleen drie weken in juli, maar ook in februari naar Portugal, een paar dagen fietsen in Limburg, gewoon op maandagochtend koffie drinken in de stad zonder ergens om half twee te hoeven zijn.

Die vrijheid bleek ineens iets waar ik me schuldig over voelde.

Els zei het als eerste hardop. We zaten in de keuken, ik was aardappels aan het schillen en zij had haar telefoon naast haar bord liggen omdat Marijke mogelijk zou bellen.

“Jan, zo kan het niet blijven.”

Ik zei dat het een moeilijke fase was.

“Dat weet ik. Maar wij zijn nu ook steeds aan het wachten. Op een telefoontje, op een ongelukje, op weer iets dat Theo kwijt is. Ik ben de hele tijd gespannen.”

Ik werd boos, wat niet eerlijk was. Ik zei dat Marijke niemand anders had. Hun zoon woont in Groningen en komt heus wel, maar heeft een druk gezin en een baan. Hun dochter zit in Canada. Marijke heeft wel kennissen, maar geen mensen die Theo kennen zoals wij hem kennen.

Els keek me aan en zei: “Wij zijn geen vervanging voor thuiszorg, Jan. En ook geen opvang voor alles wat zij niet aan durft.”

Dat klonk hard. Toch bleef het in mijn hoofd hangen.

Marijke begon later voorzichtiger te vragen, maar haar vragen werden groter. Of we misschien op donderdagmiddag bij hen konden zijn, zodat zij naar yoga kon. Of we een weekend konden blijven slapen, want Theo werd ’s nachts soms wakker en dan raakte ze in paniek. Een keer zei ze, terwijl Theo boven een dutje deed: “Misschien is het handig als jullie een paar weken hier komen. Dan doen we een rooster. Met z’n vieren lukt het toch?”

Ze meende het echt. Alsof ze ons een praktische oplossing voorlegde.

Ik voelde mijn keel dichtgaan. Els keek naar haar handen. We zeiden dat we erover zouden nadenken, wat laf was, want ik wist meteen dat ik dat niet wilde. Niet een paar weken. Misschien nooit. Ik wilde Theo helpen, maar ik wilde niet in hun huis gaan wonen en elke ochtend wakker worden met de vraag hoe het die dag met hem zou zijn.

De week daarna hebben Els en ik een rondreis door Japan geboekt. Vier weken, in oktober. Iets wat we al jaren op ons lijstje hadden, maar steeds uitstelden vanwege werk, kleinkinderen, verbouwingen, noem maar op. Toen we op ‘boeken’ drukten, waren we allebei stil.

Twee dagen later belde Marijke. Theo was die middag zonder jas naar buiten gegaan en een buurvrouw had hem bij de rotonde gevonden. Hij was niet ver weg geweest, maar Marijke klonk kapot. Ze zei dat de casemanager had verteld dat ze meer structuur en toezicht nodig zouden krijgen.

Toen vertelde ik over Japan.

Er viel een stilte die langer duurde dan ik had verwacht.

“Vier weken?” vroeg ze.

“Ja. In oktober pas.”

“Dat is precies de maand dat mijn zus naar Spanje gaat. Ik dacht eigenlijk… nou ja. Ik dacht dat jullie er dan zouden zijn.”

Ik zei dat we niet konden blijven wachten met alles. Meteen nadat ik het zei, wilde ik het terugnemen. Niet omdat het niet waar was, maar omdat het klonk alsof zij ons expres iets afpakte.

Marijke zei: “Wachten? Jan, ik vraag niet of jullie je leven stilzetten. Maar Theo verdwijnt stukje bij beetje en ik sta ernaast. Ik dacht dat wij elkaar niet hoefden uit te leggen waarom je komt.”

Ik reageerde ook niet goed. Ik zei dat zij ook hulp via de Wmo moest regelen, dat er dagbesteding bestaat, thuiszorg, misschien iemand voor de avonden. Allemaal verstandige woorden. Allemaal woorden die op dat moment klonken alsof ik haar een foldertje toestopte.

Sindsdien is het anders. Niet voorbij, denk ik. Maar anders.

We gaan nog steeds op woensdag, alleen niet elke woensdag. Soms zegt Marijke af. Soms zegt ze dat het prima gaat en hoor ik aan haar stem dat dat niet zo is. Theo herkent me meestal nog. Laatst keek hij naar Els en zei: “Jij werkt toch met kinderen?” Els knikte en glimlachte. In de auto terug huilde ze zonder geluid.

Onze reis is nog niet geannuleerd. Ik kijk soms naar de bevestiging in mijn mail en voel opluchting, daarna schaamte, dan weer boosheid omdat ik blijkbaar niet eens rustig blij mag zijn.

Volgende week komt de casemanager bij Marijke thuis om te praten over extra ondersteuning. Ze vroeg of ik erbij wil zijn, omdat ze bang is dat ze dichtklapt. Ik heb ja gezegd. Els gaat mee.

Japan staat nog steeds in oktober. Maar woensdag eten we gewoon bij hen. Ik maak dit keer de lasagne, want Theo vindt die van mij beter dan die van Marijke. Dat heeft hij vroeger ook altijd gezegd, tot grote ergernis van haar.