Toen onze oudste vriendschap ineens voelde als een zorgrooster
De appgroep heet nog steeds ‘Vier aan tafel’. Alsof er niets veranderd is.
Daarin staan foto’s van een te donker gebakken quiche, een uitzicht in de Ardennen, Jan die in 2018 met een veel te kleine fiets een heuvel afreed. Vroeger ging er bijna elke dag iets in rond. Nu alleen praktische dingen. “Wie heeft de reservering van zaterdag?” Of: “Ik sla deze week over.”
Mijn vrouw Marijke en ik zijn allebei 63. Jan en Els kennen we sinds onze oudste kinderen bij elkaar in groep drie zaten. Dat is inmiddels ruim dertig jaar geleden. Eerst waren het speelafspraken en koffie op woensdagmiddag. Later kwamen de jaarlijkse weekenden weg, de verjaardagen, de vaste zondagse etentjes. Onze kinderen zijn al jaren het huis uit, maar wij vier bleven over. Als ik eerlijk ben, waren zij ons sociale leven.
Els heeft al lang depressies. Niet af en toe somber, maar periodes waarin ze dagen in haar badjas op de bank zat en niet eens reageerde als je vroeg of ze thee wilde. Ze is bij de huisarts geweest, bij de praktijkondersteuner, ze heeft therapie gehad, medicijnen geprobeerd. Soms ging het een tijd beter. Dan maakte ze weer plannen, ging ze mee naar de markt, lachte ze om precies dezelfde flauwe grappen als vroeger.
En dan zakte ze weer weg.
Ik heb haar lang vooral gezien als Els, onze vriendin die ziek was. Jan zag ik als Jan, degene die alles regelde zonder dat er veel woorden aan vuilgemaakt werden. Hij deed de boodschappen, maakte afspraken, belde achter haar aan als ze niet kwam opdagen, verzon smoesjes als ze op het laatste moment een etentje afzegde. We hebben daar allemaal aan meegedaan. “Els heeft migraine.” “Ze is een beetje moe.” Soms was dat ook makkelijker dan uitleggen dat iemand niet uit bed komt omdat het leven haar te zwaar is.
Achteraf denk ik dat we Jan daardoor ook een beetje onzichtbaar hebben gemaakt.
Begin februari belde hij mij op een dinsdagmiddag. Ik stond net bij de Gamma omdat een keukenkastje bij ons scheef hing. Hij vroeg of ik even kon praten. Zijn stem klonk vlak, niet verdrietig eigenlijk. Eerder alsof hij iets voorlas wat hij al honderd keer in zijn hoofd had geoefend.
Hij zei dat hij bij Els weg wilde.
Ik weet nog dat ik naar een schap met kitspuiten keek en zei: “Weg wil?” Alsof ik hem niet goed had verstaan.
“Ja,” zei hij. “Niet een weekend naar mijn broer. Echt weg.”
Hij vertelde dat hij al maanden nauwelijks sliep. Dat hij soms in de auto bleef zitten na zijn werk, hoewel hij sinds vorig jaar nog maar drie dagen per week werkt. Dat hij bang was voor wat hij thuis zou aantreffen, maar zich ook schuldig voelde omdat hij überhaupt bang was om naar huis te gaan. Els had volgens hem al weken nauwelijks gedoucht, rekeningen ongeopend laten liggen en afspraken bij de ggz afgezegd. Ze zei steeds dat het geen zin had en dat Jan haar toch niet kon verlaten omdat ze dan niets meer had.
“Ik denk soms dat ik pas iets mag doen als zij het goedvindt,” zei hij. “Maar zij vindt nooit iets goed. Ik kan niet meer, Rob.”
Ik ben na die Gamma rechtstreeks naar hem toe gereden. Hij zat aan de keukentafel met een kop koffie die koud was geworden. Els lag boven. We spraken zacht, alsof we in een huis met een baby waren.
Jan had al met de huisarts gebeld. Er was een afspraak gemaakt voor Els en er zou gekeken worden welke hulp er opgeschaald kon worden. Hij wilde niet zomaar verdwijnen en haar aan haar lot overlaten. Maar hij wilde wel apart wonen, in elk geval voorlopig. Zijn broer had een kamer vrij. Hij zei dat hij misschien zelf ook met iemand moest praten, omdat hij zich schuldig voelde om dingen die hij nog niet eens gedaan had.
Toen kwam de vraag waar ik niet op voorbereid was.
Of Marijke en ik Els de eerste tijd konden opvangen. Niet bij ons in huis, zei hij snel, tenzij dat echt nodig was. Maar wel elke dag contact. Eten brengen. Naar afspraken mee als zij niet wilde dat hij meeging. Misschien een paar nachten bij haar slapen als zij heel slecht zat.
“Alleen tot het loopt,” zei hij.
Dat zinnetje bleef hangen. Alsof depressie ooit gewoon ‘loopt’ als je maar lang genoeg wacht.
Thuis vertelde ik het aan Marijke. Zij begon meteen te huilen. Niet hard. Ze zat met haar jas nog aan op de rand van de bank en veegde steeds onder haar bril.
“Hij kan haar toch niet alleen laten op het moment dat ze het slechtst is?” zei ze.
Ik zei dat Jan haar niet alleen wilde laten. Dat hij professionele hulp inschakelde. Dat hij zelf op was.
“En wij dan?” zei Marijke. “Wij zijn toch haar vrienden?”
Daar had ik geen goed antwoord op. Want natuurlijk waren we dat. Els was degene die twintig jaar geleden een week lang soep bij Marijke bracht toen haar moeder in het ziekenhuis lag. Els wist als enige dat ik na mijn ontslag bij de bank maandenlang deed alsof het me niets deed. Ze had me toen iedere donderdag gebeld, meestal zonder groot advies. Gewoon vragen of ik al buiten was geweest.
Maar ik wist ook dat Marijke de laatste tijd al spanning voelde zodra Els niet opnam. Dat zij soms drie keer op een dag appte en daarna tegen mij zei: “Ik voel me zo rot dat ik haar niet kan bereiken.” Alsof het háár taak was om Els overeind te houden.
Die zaterdag zouden we eigenlijk met z’n vieren eten. Jan kwam alleen. Hij had Els verteld dat hij een paar dagen bij zijn broer ging slapen. Zij had niets gegooid, niet geschreeuwd. Ze had alleen gezegd: “Dus nu doen jullie allemaal alsof ik lastig ben.”
Dat kwam bij Marijke zo hard binnen dat ze haar bord wegduwde.
Jan vroeg toen, heel rustig, of Els maandag en dinsdag bij ons kon komen. Hij had een intake voor zichzelf geregeld bij de praktijkondersteuner en wilde een nacht alleen in de kamer van zijn broer slapen. “Ik vraag het niet omdat ik haar kwijt wil,” zei hij. “Ik vraag het omdat ik bang ben dat ik iets kapotmaak als ik nog langer doe alsof het gaat.”
Marijke zei meteen nee.
Niet boos, maar beslist. Ze zei dat twee dagen bij ons geen probleem waren, maar dat ze niet wilde meewerken aan een situatie waarin Jan langzaam uit Els’ leven verdween en wij de gaten opvulden. Jan keek haar aan en zei: “Dan wil je dus wel dat ik blijf, omdat jij anders bang bent dat Els alleen is.”
Dat was gemeen, vond ik op dat moment. Nu weet ik niet meer of het helemaal gemeen was.
We hebben uiteindelijk afgesproken dat Els die maandag bij ons zou komen eten en dat ik haar naar de afspraak bij de huisarts zou rijden, als zij dat wilde. Jan zou zelf contact houden met de huisarts en met de ggz. Geen zorgrooster, geen belofte dat wij het overnamen. Maar ook niet doen alsof wij geen rol hadden.
Els kwam maandag niet. Ze stuurde Marijke om half zes: “Laat maar, ik verpest jullie avond toch.” Marijke belde haar. Eerst nam Els niet op. De vierde keer wel. Ik hoorde Marijke alleen maar zeggen: “Nee, dat zeg ik niet. Ik zeg dat ik je mis.”
Jan woont nu drie weken bij zijn broer. Els krijgt meer begeleiding, voor zover ik begrijp, en er wordt gekeken wat passend is. Ze is nog steeds boos op hem. Soms op ons ook. Marijke gaat eens per week bij haar langs, maar niet altijd. Ik bel Jan op donderdagavond. Hij klinkt soms opgelucht en schaamt zich daar dan meteen voor.
De appgroep bestaat nog. Gisteren stuurde Jan een foto van een pan stamppot bij zijn broer, met erbij: “Veel te veel gemaakt.” Niemand reageerde een uur lang.
Toen plaatste Els een duimpje.
Ik heb daarna mijn telefoon omgedraaid en ben de vaatwasser uitgeruimd. Niet omdat het daarmee minder ingewikkeld werd, maar omdat die glazen er gewoon nog in stonden.