Na veertig jaar vriendschap zei Henk onze vrijdagavonden steeds af voor zijn camera

Het begon eigenlijk met een appje over een lepelaar.

Vrijdagmiddag, kwart voor vier. Els stond in de keuken een pan mosterdsoep op te warmen en ik had de tafel al gedekt, zoals we dat bijna elke tweede vrijdag deden. Niet chic hoor. Gewoon soep, broodjes uit de oven, een fles wijn die Henk meestal te zuur vond en Marjan die dan zei dat hij niet zo moest zeuren.

Toen kwam zijn bericht: “Sorry mannen, ik moet afzeggen. Bij de Oostvaardersplassen is een roerdomp gesignaleerd. Licht is vanavond goed. Kans komt niet vaak.”

Ik las het twee keer. Alsof ik de grap niet begreep.

Veertig jaar kennen we elkaar. Henk en ik zaten vroeger op dezelfde afdeling bij een installatiebedrijf in Amersfoort. Niet eens naast elkaar, maar we reden een tijdje samen vanuit Soest en op een gegeven moment was het vanzelf normaal dat we op zaterdag bij elkaar koffie dronken. Els en Marjan konden goed met elkaar, onze kinderen scheelden weinig in leeftijd, we hadden samen gekampeerd in Frankrijk, ouders begraven, banen verloren en weer gevonden. Toen Els haar borstkankerbehandeling had, stond Marjan op dinsdagavond met stamppot voor de deur zonder eerst te bellen. Zo waren wij met elkaar.

De laatste jaren werd die kring kleiner. Kinderen druk, kleinkinderen die je vooral via filmpjes ziet als ze verder weg wonen, mensen die verhuizen of ziek worden. Henk en Marjan waren niet zomaar kennissen die je eens per jaar op een verjaardag ziet. Ze waren, denk ik, ons vaste punt.

Henk stopte vorig voorjaar helemaal met werken. Hij was 66, had het financieel netjes geregeld en zei al jaren dat hij geen man voor achter de geraniums was. Dat snapte ik. Ik ben zelf ook pas een jaar geleden minder gaan werken bij de bouwmarkt, drie dagen in plaats van vijf. Je moet ergens je dagen mee vullen, anders word je volgens mij alleen maar bezig met kwaaltjes.

Henk kocht een tweedehands spiegelreflexcamera, een enorme lens en laarzen die volgens hem onmisbaar waren. Eerst vonden we het leuk. Hij stuurde foto’s van ijsvogels, grutto’s, een vos bij zonsopgang. Echt mooie foto’s ook. Hij had altijd al geduld gehad, Henk. Als wij vroeger een kast in elkaar zetten, las hij wél eerst de handleiding.

Maar het werd snel groter dan een hobby.

Hij ging cursussen doen in de Biesbosch, werd lid van twee Facebookgroepen en plande zijn weken rond trektijden, weersverwachtingen en meldingen op een vogelapp. Als er ergens een zeldzame vogel was gezien, kon hij binnen twintig minuten in de auto zitten. Marjan zei aanvankelijk nog lachend dat ze tegenwoordig met een man en een statief getrouwd was.

Daarna lachte ze er minder om.

Onze vrijdagavonden werden verschoven naar zaterdag. Zaterdag naar “we kijken nog even”. Etentjes gingen niet door omdat het mistig was, en mist was blijkbaar goed voor foto’s. Een weekend naar een huisje in Drenthe, dat we al in januari hadden vastgelegd, zei Henk drie dagen van tevoren af. Er zat een zeearend in de buurt van Lauwersmeer, vertelde hij. Hij wilde er voor dag en dauw heen.

Marjan kwam die vrijdag wel. Alleen.

Ze had een schaal pastasalade meegenomen, veel te veel voor drie mensen. Ik weet nog dat ze bij binnenkomst haar jas aanhield terwijl Els zei dat de verwarming best hoog stond. Pas na een halfuur deed ze hem uit.

“Hij zegt dat ik ook mee kan,” zei ze, zonder dat iemand iets vroeg. “Maar dan moet ik om half vijf mijn bed uit en drie uur stil in een rietkraag zitten. Dat is niet helemaal mijn idee van samen iets doen.”

Els zei voorzichtig dat ze misschien zelf ook iets kon oppakken.

Marjan knikte. “Ja. Dat doe ik ook wel. Pilates, oppassen, dingen met mijn zus. Maar ik wil niet mijn hele leven opnieuw indelen omdat Henk ineens ontdekt heeft dat hij vrij is.”

Ik vond dat een harde zin, maar ik begreep haar wel.

Toen Henk de week erna weer afzegde, dit keer voor onze jaarlijkse barbecue in de tuin, ben ik boos geworden. Niet meteen in de groepsapp, al heb ik daar wel een paar keer iets getypt en weer weggehaald. Ik heb hem de maandag erop gebeld.

Ik zei dat het me opviel dat wij alleen nog in zijn agenda pasten als er geen vogel, workshop of gunstige windrichting tussenkwam.

Hij werd stil. Daarna zei hij: “Karel, ik heb 47 jaar gewerkt. Altijd rekening gehouden met storingen, deadlines, jullie, de kinderen, mijn moeder. Mag ik nu alsjeblieft eens doen waar ik blij van word?”

Dat kwam binnen, vooral omdat ik meteen dacht: ja, natuurlijk mag dat.

Maar ik zei ook dat blij zijn niet hoefde te betekenen dat je iedereen die al die jaren naast je stond op reserve zet.

“Jullie doen alsof ik een contract met jullie heb,” zei hij. “Elke keer dat vaste gedoe. Alsof ik verantwoording moet afleggen omdat ik een vrijdag liever buiten ben.”

Daar werd ik op mijn beurt weer kwaad van. Vaste gedoe. Zo noemde hij iets waar we jarenlang naar uitkeken.

Ik zei iets onhandigs. Dat hij blijkbaar alleen tijd had voor vriendschap zolang die geen concurrentie had. Hij zei dat ik jaloers was omdat ik zelf niet wist wat ik met mijn vrije tijd moest. Daar zit misschien zelfs iets in. Ik ben geen man van passies. Ik rommel in de tuin, help mijn dochter met klussen, kijk voetbal. Misschien zag ik in Henks nieuwe leven ook iets waar ik geen raad mee wist.

We hebben een week niet gesproken.

Marjan appte Els wel. Niet over het telefoontje, maar over een lekkende kraan en later over een afspraak bij de mondhygiënist. Van die gewone dingen. Els zei dat ze aan alles merkte dat Marjan zich schaamde, terwijl zij er ook niets aan kon doen.

Uiteindelijk zijn we met z’n vieren gaan koffie drinken bij een restaurantje aan de Eem. Geen van ons had daar veel zin in. Henk kwam te laat, niet vanwege vogels dit keer, maar omdat hij een parkeerplek zocht. Het regende onafgebroken en ik dacht heel kinderachtig: mooi, dan kan hij tenminste niks fotograferen.

Marjan zei als eerste dat zij niet tussen ons in wilde zitten. Dat vond ik pijnlijk, want dat deed ze al maanden.

Henk vertelde toen dat hij na zijn pensioen een paar weken nauwelijks uit bed was gekomen. Niet letterlijk, maar bijna. Hij had zich nutteloos gevoeld. Op zijn werk belde niemand meer voor advies. De mannen van de afdeling waren na een taart en een horloge gewoon verdergegaan. Buiten met die camera voelde hij zich weer ergens goed in. Nodig, bijna.

Ik had dat niet geweten. Of misschien had ik niet goed geluisterd toen hij het eerder, tussen zijn enthousiaste verhalen door, wel had geprobeerd te zeggen.

Toch zei Els: “Dat mag allemaal waar zijn, Henk. Maar Marjan en wij mogen ook verdrietig zijn dat we je bijna niet meer zien.”

Daar kon hij niet echt tegenin. Hij keek naar zijn cappuccino en zei alleen: “Ik wil niet dat het zo voelt.”

We hebben niets groots afgesproken. Geen schema, geen belofte dat alles weer wordt zoals vroeger. Henk heeft gezegd dat hij niet meer op het laatste moment afzegt, behalve als het echt niet anders kan. Ik heb gezegd dat ik hem niet telkens zal vragen waarom een afspraak niet belangrijk genoeg was.

Vorige vrijdag kwamen ze weer eten. Henk was er gewoon om half zeven. Hij had een foto meegenomen van een blauwe kiekendief en liet hem pas na het hoofdgerecht zien. Marjan nam een tweede glas wijn en lachte om een oud verhaal van onze camping in de Ardèche.

Om tien uur keek Henk even op zijn telefoon. Ik zag een melding van een vogelgroep langskomen. Hij draaide zijn scherm om en stak de telefoon terug in zijn zak.

Dat voelde niet als vroeger. Maar ook niet als niets.