Na veertig jaar vriendschap voelde onze vrijdagavond ineens als een toets die we niet konden halen
De eerste keer dat ik doorhad dat er iets echt veranderd was, stond ik met een half pak roomboter in mijn hand bij de Albert Heijn. Ik appte Ria of ik voor vrijdag nog iets mee moest nemen. Wij eten al jaren om de beurt bij elkaar op vrijdag. Soms uitgebreid, soms gewoon soep en broodjes als iedereen moe is. Zij stuurde terug: “Geen dierlijke producten meer in huis alsjeblieft. Ook geen wijn van merken die niet transparant zijn over arbeidsomstandigheden.”
Ik keek naar dat scherm en dacht eerst nog: prima, dan maak ik iets anders. Paul was net met pensioen en sinds een maand of acht totaal gegrepen door klimaat- en dierenactivisme. Hij ging naar demonstraties in Den Haag, stond op zaterdag folders uit te delen bij de markt en deelde artikelen waar ik eerlijk gezegd vaak maar de helft van begreep. Hij was altijd al iemand die zich ergens vol op stortte. Vroeger was het wielrennen, daarna zuurdesembrood, toen moest iedereen aan de elektrische fiets.
Maar dit voelde anders.
Mijn man Koos vond het juist mooi. “Hij doet tenminste iets,” zei hij als ik er voorzichtig over begon. Koos is 68 en heeft zijn hele leven bij Rijkswaterstaat gewerkt. Hij is niet iemand van grote woorden. Sinds hij gestopt is, mist hij soms duidelijk de mensen om zich heen, de gesprekken bij de koffieautomaat, het idee dat hij ergens voor nodig is. Bij Paul vond hij dat weer een beetje terug. Samen gingen ze naar een lezing in het buurthuis over de stikstofcrisis. Daarna kwam Koos thuis met een tas linzen, havermelk en een veel te dure hervulbare deodorant.
Ik lachte erom, misschien te scherp. “Je hoeft niet meteen in een commune te gaan wonen.”
Hij zei niets terug, maar ik zag hem dichtklappen. Daar heb ik later wel spijt van gehad.
Ria en ik kennen elkaar sinds 1983. Onze kinderen zaten bijna tegelijk op de basisschool. We hebben samen nachten in het ziekenhuis gezeten toen haar oudste, Jeroen, na een motorongeluk opgenomen werd. Zij was degene die mijn moeder elke dinsdag belde toen mijn moeder na mijn vaders overlijden steeds vergeetachtiger werd. We zijn met z’n vieren naar de Ardèche geweest, naar Texel, eens zelfs met een gammel busje naar Slovenië. Paul en Koos konden uren praten over gereedschap en voetbal. Ria en ik deden dan de afwas en bespraken alles en niets.
Ik weet dus ook dat Ria niet ineens een ander mens is geworden. Ze is nog steeds degene die een extra bakje soep invriest voor een zieke buurvrouw. Alleen zegt ze nu bijna niets meer als Paul begint. Ze knikt, ruimt glazen op, vult water bij.
Die vrijdag had ik een stoof van kikkererwten gemaakt, met couscous en geroosterde groente. Ik had echt mijn best gedaan. Koos had op internet uitgezocht welke wijn “acceptabel” was, al bleek die bij de natuurwinkel achttien euro te kosten. Paul keek naar de tafel en zei: “Goed dat jullie ermee bezig zijn.”
Niet: wat fijn dat jullie er zijn. Niet: lekker dat je gekookt hebt. Gewoon alsof wij net een huiswerkopdracht voldoende hadden gemaakt.
Later ging het over onze geplande vakantie naar Frankrijk. We zouden in september met z’n vieren gaan, zoals we vaker doen. Een huisje in de Vogezen, via een kennis van Paul. Hij zei dat hij niet meer wilde vliegen, wat helemaal niet aan de orde was omdat we met de auto zouden gaan. Daarna kwam het erop neer dat hij eigenlijk ook niet wilde dat wij met twee auto’s gingen. Koos en ik wilden soms een andere kant op, zeker omdat Paul tegenwoordig overal acties en bijeenkomsten opzoekt. Maar volgens hem was één auto delen “het minimale als je de situatie serieus neemt”.
Ik zei dat ik op vakantie geen schema wilde waarin ik toestemming moest vragen om naar een rommelmarkt of een museum te gaan.
Paul keek me heel lang aan. “Dat is precies het probleem, Marjan. Voor jou is het een kwestie van gemak.”
Daar werd ik kwaad van. Niet eens vooral om de inhoud, denk ik. Maar omdat hij mij al kende voordat ik veertig was, voordat mijn knieën slecht werden, voordat ik voor mijn moeder zorgde en later voor mijn kleindochter oppaste. Hij wist hoeveel ik altijd gedaan had voor andere mensen, zonder daar een spandoek bij te houden. En ineens was ik blijkbaar iemand die het probleem was.
Koos probeerde het nog rustig te houden. Hij zei dat we best minder vlees konden eten, minder spullen konden kopen, bewuster konden reizen. Dat deden we trouwens al veel meer dan Paul leek te zien. Maar hij zei ook dat mensen niet allemaal op dezelfde manier hoeven te leven.
Paul schoof zijn bord van zich af. “Ik vraag niet om perfectie. Ik vraag om consequent zijn.”
Ria zei toen, heel zacht: “Paul, misschien—”
Hij onderbrak haar. “Nee, Ria. We blijven dit wegpoetsen omdat het gezellig moet blijven.”
Het werd stil. Je hoorde alleen de koelkast aanslaan. Ik weet nog dat ik naar een vlekje couscous op tafel keek en dacht dat ik straks weer alles in bakjes moest doen, terwijl niemand nog trek had.
Een paar dagen later kreeg Koos een lange mail van Paul. Niet alleen aan ons, ook aan een paar mensen uit onze oude vriendenkring. Daarin schreef hij dat hij geen vrijblijvende vriendschappen meer kon onderhouden met mensen die “willens en wetens bijdragen aan uitbuiting en vernietiging”. Hij noemde geen namen, maar iedereen wist dat het over ons ging. Hij schreef dat contact alleen nog zin had als wij bereid waren onze keuzes “fundamenteel te herzien”.
Koos zat met die mail open op zijn tablet aan de keukentafel. Hij las stukjes hardop en stopte dan. Ik zette thee, hoewel we allebei al koffie hadden gehad en ik zelf geen thee wilde.
“Misschien heeft hij op een aantal punten gewoon gelijk,” zei Koos uiteindelijk.
“Dat kan,” zei ik. “Maar hij heeft niet het recht om te bepalen of wij goede mensen zijn.”
Koos wreef over zijn voorhoofd. “Ik wil Paul niet kwijt. En Ria ook niet. Op onze leeftijd maak je niet zomaar nieuwe vrienden, Marjan.”
Dat was het eerlijkste wat hij die avond zei. En het raakte me, omdat ik precies hetzelfde dacht. Onze kinderen hebben hun eigen drukke levens. De buurt is vriendelijk, maar niet vanzelfsprekend hecht. Als ik me voorstel dat vrijdagavond gewoon een lege avond wordt, krijg ik een naar soort paniek. Niet omdat ik geen avond alleen aankan, maar omdat zoveel herinneringen dan ineens nergens meer heen kunnen.
Ik heb Ria apart gebeld. Eerst nam ze niet op. De volgende ochtend wel. Ze klonk moe.
Ik vroeg of ze dit echt wilde.
Ze bleef lang stil en zei toen: “Ik weet niet meer wat ik zelf wil zonder dat het meteen klinkt alsof ik laf ben.”
Daar had ik geen goed antwoord op. Ik wilde haar bijna zeggen dat ze bij ons kon komen eten, gewoon met boter op tafel als ze dat wilde. Maar dat klonk ineens kinderachtig, alsof boter het hele probleem was.
De vakantie hebben we geannuleerd. Koos wilde eerst nog wachten, maar het huisje moest worden betaald. Paul heeft niets meer gestuurd. Ria af en toe wel: een foto van haar kleinzoon, een berichtje dat haar zus gevallen is, heel gewone dingen. Maar als ik voorstel om koffie te drinken, zegt ze dat het nu ingewikkeld ligt.
Koos is vorige week voor het eerst mee geweest met een groep die zwerfafval opruimt langs de Lek. Hij kwam modderig maar opvallend opgewekt thuis. Ik heb hem niet gevraagd of Paul er ook was.
Vrijdag maak ik waarschijnlijk voor twee personen pasta. Misschien blijft er veel over. Misschien belt Ria nog. Ik weet het niet. De roomboter koop ik in ieder geval weer gewoon, en havermelk ook, want die vind ik inmiddels eigenlijk best lekker.