We hadden net de huur in Portugal geregeld toen onze zoon zei dat hij niet meer wist hoe hij de volgende dag door moest komen
De map met papieren voor Portugal lag drie weken op de eettafel. Niet omdat we er elke dag naar keken, maar omdat ik hem niet in een kast wilde stoppen alsof het iets was waar we ons voor moesten schamen.
Paspoorten, de voorlopige huurovereenkomst van een appartementje buiten Tavira, een lijstje met dingen die we nog moesten regelen. Internet opzeggen, auto verkopen of meenemen, huisarts, zorgverzekering. Van die saaie dingen waar ik juist gelukkig van werd. Na veertig jaar werken in de zorg en een groot deel daarvan ook nog voor mijn eigen ouders zorgen, vond ik het heerlijk om lijstjes te maken die alleen over Henk en mij gingen.
We zijn allebei 66. Henk werkte bij een installatiebedrijf, ik jarenlang als doktersassistente. We hadden nooit veel luxe gehad, maar we hadden het netjes gedaan. Hypotheek afgelost, beetje pensioen, geen gekke schulden. Het plan was niet eens dat we daar als rijke pensionado’s op een terras zouden zitten. We wilden wandelen, fietsen, misschien Portugese les nemen. Gewoon eens wakker worden zonder dat er iemand iets van ons nodig had.
Onze zoon Daan woont in Amersfoort. Hij is 34, werkt normaal gesproken als projectleider bij een IT-bedrijf en heeft een dochter van zeven, Lotte, die om het weekend bij hem is. Hij en haar moeder zijn al jaren uit elkaar. Niet altijd makkelijk, maar ze regelden het redelijk volwassen.
Achteraf waren er signalen. Hij reageerde steeds later op berichten. Tijdens het eten met Kerst zat hij vooral naar zijn bord te kijken. Hij zei dat het druk was op werk. Iedereen zegt dat tegenwoordig, dus ik vroeg niet door. Misschien wilde ik ook niet doorvragen. We waren net begonnen met uitzoeken wat ons huis zou kunnen opbrengen als we het gingen verhuren.
In februari belde hij op een dinsdagmiddag. Ik weet nog dat ik prei stond te snijden en dat mijn handen naar ui roken.
Hij zei: ‘Mam, ik denk dat er iets niet goed gaat.’
Ik dacht eerst aan zijn werk. Of aan gedoe met zijn ex. Maar hij bleef stil, zo lang dat ik vroeg of hij er nog was.
‘Ik kom mijn bed bijna niet uit,’ zei hij toen. ‘Ik heb al drie keer gedaan alsof ik naar kantoor ging. Ik zit dan gewoon in de auto op een parkeerplaats.’
Diezelfde avond zijn we naar Amersfoort gereden. Zijn huis was niet smerig in de zin van televisieprogramma-smerig, maar het was alsof alles halverwege was blijven liggen. Een pan met aangekoekte pasta. Was op een stoel. Brieven op de grond in de gang. Zijn koelkast bijna leeg, op energiedrank en een pot augurken na.
Daan zat in een joggingbroek op de bank. Hij was ongeschoren en keek ons amper aan. Henk ging naast hem zitten en legde meteen een hand op zijn schouder. Ik begon, heel typisch, de keuken op te ruimen. Ik weet dat dat mijn manier is. Als ik de vaat doe, hoef ik niet meteen te voelen hoe bang ik ben.
De huisarts zette hem ziek. Hij kreeg gesprekken met de praktijkondersteuner en een verwijzing voor de ggz. Alleen was er een wachtlijst. Natuurlijk was er een wachtlijst. Intussen moest hij eten, slapen, zijn administratie openen, contact houden met zijn leidinggevende en zorgen dat Lotte niet bij een vader terechtkwam die soms tot drie uur ’s middags niet had gedoucht.
Henk ging twee dagen per week naar hem toe. Toen drie. Ik ging op donderdag en vaak ook op zondag. We deden boodschappen, zetten de afvalcontainer buiten, namen post door. Een keer zat ik anderhalf uur met Daan aan de telefoon terwijl hij alleen maar huilde en steeds zei dat hij alles verpest had.
Na een maand zei Henk aan tafel: ‘Portugal moet voorlopig maar wachten.’
Hij zei het rustig, alsof hij voorstelde om de schutting pas in het voorjaar te beitsen.
Ik zei: ‘Voorlopig is geen periode, Henk.’
Hij keek me aan alsof ik iets kouds had gezegd.
‘Onze zoon is ziek.’
‘Dat weet ik ook wel.’
‘Dan ga je toch niet naar de Algarve?’
Ik hoorde mezelf harder praten dan nodig was. ‘Alsof wij daar morgen op het vliegtuig stappen. We zouden pas in september gaan. En hij heeft hulp nodig die wij niet kunnen geven.’
‘Hij heeft ons nodig.’
Daar ging het mis tussen ons. Niet met geschreeuw of deuren slaan. Eerder met zinnen die daarna dagen in huis bleven hangen. Henk sliep een paar nachten in de logeerkamer, zogenaamd omdat ik vroeg opstond. Ik liet hem. Ik wilde niet toegeven dat ik hem miste, terwijl hij letterlijk aan de andere kant van de overloop lag.
Ik hield van Daan, daar ging het niet om. Maar ik merkte dat ik alweer verantwoordelijk werd voor elk detail. Ik lag wakker van zijn koelkast, zijn bankrekening, de vraag of hij zijn medicijnen wel ophaalde, of Lotte het merkte aan haar vader. En ik werd daar ook boos van. Boos op hem, wat afschuwelijk voelde. Hij had hier toch niet om gevraagd? Maar wij ook niet.
Op een zondag zaten we met z’n drieën bij hem thuis. Henk had soep gemaakt en Daan had twee kommen gegeten, wat al bijna een overwinning leek. Toen begon Henk over Portugal. Hij zei dat we misschien de huur konden uitstellen of annuleren.
Daan keek me aan, niet naar zijn vader.
‘Jullie gaan toch niet weg?’ vroeg hij.
Ik had me voorgenomen vriendelijk te zijn. Ik zei: ‘We weten het nog niet. Maar we kunnen ons hele leven niet stilzetten zonder te weten wat jou helpt.’
Hij werd heel bleek. ‘Dus als het echt slecht met me gaat, gaan jullie gewoon emigreren?’
‘Dat zeg ik niet.’
‘Ik vraag niet om geld. Ik vraag alleen of jullie er zijn.’
Henk pakte zijn glas vast met twee handen. Ik zag aan hem dat hij bijna huilde.
Daan zei vervolgens iets wat ik nog steeds in mijn hoofd hoor als ik wakker lig: ‘Ik weet niet hoe ik dit alleen moet overleven.’
Ik ben toen opgestaan en naar de badkamer gegaan. Niet omdat ik weg wilde van hem, maar omdat ik bang was dat ik zou zeggen: dan blijven we. Meteen. Voor altijd, als het moest. En dat ik hem daarna, misschien over een jaar, zou verwijten dat hij ons leven had afgenomen. Die gedachte maakte me misselijk.
We hebben die avond de huisartsenpost gebeld, niet omdat Daan een concreet plan had om zichzelf iets aan te doen, maar omdat het te zwaar voelde om met z’n drieën aan een keukentafel te beoordelen hoe ernstig het was. Er werd met hem gesproken en de volgende dag kon hij bij zijn huisarts terecht. Zijn ex heeft Lotte voorlopig vaker bij zich gehouden. Dat deed Daan pijn, maar ergens gaf het ook lucht.
Portugal hebben we niet helemaal afgezegd. We hebben de huur omgezet naar zes weken in plaats van een jaar. Dat kostte ons geld, meer dan ik Henk heb verteld. Hij denkt dat ik goed heb onderhandeld. Laat hem dat maar denken.
We gaan nu in oktober. Niet voorgoed. Eerst zes weken. Henk vindt het nog steeds te vroeg en zegt soms dat ik te veel naar de agenda kijk. Daar heeft hij misschien gelijk in. Daan heeft inmiddels een psycholoog en een vaste contactpersoon via zijn werk. Hij heeft goede en slechte dagen. Vorige week stuurde hij een foto van een opgeruimde keukentafel met daarbij: ‘Kijk mam, geen wonder gebeurd, gewoon drie vuilniszakken.’
Ik heb teruggestuurd dat ik trots op hem was. Dat was ik ook.
Daarna heb ik de Portugese woorden-app weer geopend. Ik voelde me schuldig terwijl ik luisterde hoe iemand ‘bom dia’ uitsprak. Alsof een taal leren al een vorm van verlaten was.
Henk zat naast me op de bank en vroeg of ik koffie wilde. Ik zei ja. Meer hadden we die avond eigenlijk niet te zeggen.