Mijn beste vriendin wil alleen nog bevriend zijn als wij net zo sober gaan leven als zij
De schaal met citroenen stond er nog geen tien minuten toen Marijke me appte dat ze toch niet kwam.
Ik had net de tafel gedekt, niet eens uitgebreid. Een linnen kleed dat ik van mijn moeder had gekregen, de goede glazen omdat we die altijd gebruikten op vrijdag, en ik had bij de kaasboer in het dorp een stuk oude brokkelkaas gehaald waar Henk dol op is. Rob en Marijke zouden komen eten, zoals bijna elke tweede vrijdag. Dat deden we al sinds onze kinderen klein waren.
Haar bericht was lang voor een appje. Ze schreef dat ze op dit moment niet in een huis kon zitten waar “overvloed zo zichtbaar en vanzelfsprekend is”. Ze bedoelde onze vitrinekast, de nieuwe bank misschien, de keukenmachine op het aanrecht. Ze schreef dat dit geen aanval was, maar dat ze trouw moest blijven aan haar proces.
Ik heb drie keer getypt: “Natuurlijk, begrijp ik.” Uiteindelijk stuurde ik alleen: “Jammer. Sterkte met je proces.”
Henk las het bericht over mijn schouder mee en zei: “Nou, dan eten wij die kaas zelf op.”
Dat was typisch Henk. Niet gemeen bedoeld, maar hij kan dingen ook plat slaan als hij zich ongemakkelijk voelt. Ik zei niets. Ik zette de citroenen terug in de fruitschaal, terwijl ik dacht: hoe zijn we hier in hemelsnaam terechtgekomen?
Marijke en ik kennen elkaar sinds 1987. Onze mannen werkten destijds allebei bij dezelfde technische groothandel in Amersfoort. Wij stonden op een zomeravond naast elkaar bij een bedrijfsbarbecue, allebei met een peuter aan onze hand en allebei zwanger van de tweede. Zij had een rode zonnebril op die veel te groot was voor haar gezicht. Ik weet nog dat ik dacht dat ze een beetje deftig was. Binnen een uur zaten we samen te lachen om onze bevallingsverhalen.
Daarna ging het vanzelf. Zondagen naar de kinderboerderij, later kamperen in Frankrijk, jarenlang oud en nieuw bij hen of bij ons. Toen de kinderen uit huis waren, gingen we juist nóg meer samen doen. Een paar dagen naar Texel in november, theater in Utrecht, etentjes. Niet omdat we geen andere vrienden hadden, maar omdat het makkelijk was met hen. We hoefden niet uit te leggen waarom we soms vroeg naar huis wilden of waarom Rob na twee glazen wijn steeds hetzelfde verhaal vertelde.
Marijke is nooit iemand geweest die niets had. Integendeel. Zij had altijd de mooiste jassen, kocht servies bij de kringloop én bij een dure winkel in Haarlem, en kon helemaal opgaan in een hotelontbijt. Daarom kwam haar verandering voor mij ook zo onverwacht.
Het begon vorig voorjaar. Haar vader was overleden na een paar maanden in een verpleeghuis. Marijke zei dat ze daar had gezien hoe weinig een mens uiteindelijk nodig heeft. Een kastje, wat foto’s, een vest, een leesbril die steeds kwijt was. Ze was daar erg van ondersteboven. Dat snapte ik. Mijn eigen vader was toen al jaren dood, maar sommige dingen blijven blijkbaar toch dichtbij.
Eerst deed Marijke gewoon spullen weg. Ze stuurde foto’s van dozen voor de kringloop en was trots dat ze geen nieuwe kleding meer kocht. Ik vond het eigenlijk wel goed van haar. Ik heb zelf ook twee vuilniszakken met kleding naar het Leger des Heils gebracht, vooral dingen die ik al jaren niet droeg. Daarna begon ze te praten over geen cadeaus meer doen, alleen nog tweedehands reizen als dat kon, geen restaurants met “onnodige luxe”.
Nog steeds dacht ik: ieder zijn ding.
Maar in de zomer, op ons vaste weekend in Zeeland, veranderde de toon. We hadden een appartement geboekt in Domburg. Niet goedkoop, dat geef ik toe, maar we spaarden er ook voor en het was ons veertigste huwelijksjaar. Marijke en Rob zouden mee. Twee weken ervoor belde ze dat ze niet meer in een appartement met een sauna kon verblijven. Dat voelde voor haar niet meer verantwoord, zei ze. Ze stelde voor dat we allemaal naar een eenvoudige natuurcamping zouden gaan en zelf op brandertjes zouden koken.
Henk zei meteen nee. Hij heeft zijn hele leven gewerkt, eerst in ploegendienst en later als planner. Hij heeft last van zijn knieën en slaapt slecht op een dun matras. Hij zei: “Ik gun Marijke haar tent, maar ik ga op mijn 67e niet doen alsof comfort een zonde is.”
Ik vond dat hard klinken. Tegelijk wist ik dat hij gelijk had over zijn knieën. En eerlijk is eerlijk: ik had ook geen behoefte aan een gedeeld sanitairgebouw in de regen.
Marijke ging uiteindelijk niet mee. Rob kwam een middag langs op het strand, alleen. Hij zag er moe uit. Hij vertelde dat Marijke thuis aan het opruimen was en dat hij niet goed wist waar hij zijn gereedschap nog mocht neerleggen. Hij lachte erbij, maar niet echt.
“Ze bedoelt het goed,” zei ik toen.
“Dat weet ik,” zei hij. “Maar soms voelt het alsof ik beoordeeld word omdat ik een nieuwe boormachine nodig heb.”
Na die zomer werd het lastiger. Als we koffie dronken, keek Marijke naar de koekjes en zei ze dat ze liever niet wilde bijdragen aan ‘automatische gastvrijheid’. Als ik bloemen op tafel had, vroeg ze hoeveel water en transport daar eigenlijk in zat. Eén keer had ik een nieuwe trui aan en zei ze: “Mooi. Maar je had toch al genoeg truien?”
Ze zei het vaak rustig. Bijna zacht. Juist daardoor wist ik nooit goed hoe ik moest reageren zonder meteen de boeman te zijn.
Ik heb haar een keer apart gevraagd waarom alles wat wij deden ineens een gesprek moest worden. We zaten bij haar in de bijna lege woonkamer. De eettafel was verkocht, er stonden nog twee stoelen en een plant die volgens haar “per ongeluk was blijven leven”. Ik miste haar rommelige huis. Het rook er vroeger naar koffie, hond en wasverzachter.
Marijke keek lang naar haar handen.
“Anja, ik probeer niet beter te zijn dan jullie,” zei ze. “Maar ik kan niet doen alsof het me niets meer doet. Als ik zie hoeveel we normaal vinden, terwijl andere mensen bijna niks hebben… dan wil ik daar niet meer in meegaan.”
Ik vroeg of ze dan ook vond dat ík verkeerd leefde.
Ze zei: “Ik vind dat we elkaar als vriendinnen zouden moeten helpen om eerlijker te leven.”
Dat woord, zouden moeten, bleef hangen.
Thuis ontplofte ik tegen Henk. Niet omdat hij iets gedaan had, maar omdat hij op de bank zat met een voetbalwedstrijd aan en een bakje borrelnootjes. Het was zo gewoon allemaal. Zo onbezorgd. Ik zei dat hij Marijke altijd belachelijk maakte. Hij zei dat ik hem nu verantwoordelijk hield voor een probleem dat tussen mij en haar speelde.
Daar had hij gelijk in, en dat maakte me nog bozer.
Later die avond zei hij wel: “Als jij minder spullen wilt, prima. Als jij geen cadeaus meer wilt met kerst, ook prima. Maar ik wil niet in mijn eigen huis op mijn tenen lopen omdat Marijke anders gewetensnood krijgt.”
Ik weet niet eens of ik minder spullen wil. Ik wil alleen niet dat onze vriendschap eindigt om een fruitschaal, een bank of een vakantiehuisje. Tegelijk merk ik dat ik sinds haar berichten anders kijk naar wat ik koop. Niet altijd prettig. Vorige week stond ik bij de HEMA met een set nieuwe handdoeken in mijn handen en legde ik ze weer terug. Thuis dacht ik: waren onze handdoeken echt versleten, of was ik bang voor wat Marijke ervan zou vinden?
Dat vind ik misschien nog het naarste. Dat haar stem in mijn hoofd is gaan wonen, terwijl ze niet eens meer bij ons aan tafel wil zitten.
Rob belt Henk af en toe nog. Ze praten dan over voetbal en over zijn oude Volvo, alsof niets veranderd is. Maar de vier van ons samen, dat is voorbij voor nu. Misschien voorgoed. Volgende maand zouden we normaal gesproken met z’n vieren een weekend naar Maastricht gaan. Het hotel staat nog steeds in mijn agenda. Ik heb het nog niet geannuleerd.
Marijke stuurde gisteren dat ze bereid is om af te spreken in een buurttuin, met zelf meegebrachte soep, als we open willen staan voor een gesprek over een gezamenlijke basis. Ik heb nog niet geantwoord.
Henk vroeg vanmorgen of we die vrijdag anders naar een eetcafé zullen gaan. Hij zei het voorzichtig, alsof hij bang was dat ik zou huilen. Ik zei dat ik erover na zou denken.
De citroenen zijn inmiddels zacht geworden. Ik moet ze eigenlijk weggooien, maar ze liggen er nog.