Onze droomreis of een stervende vriend
Ik zit aan de keukentafel met de definitieve reisdocumenten voor Nieuw-Zeeland voor me, maar ik kan de letters niet meer lezen omdat mijn hart in mijn keel zit door de emotionele chantage van onze beste vriend.
Het was altijd het plan. Mijn man, Arthur, en ik hadden veertig jaar lang elke cent die we konden missen op een aparte rekening gezet. Geen luxe auto’s, geen dure vakanties naar de Côte d’Azur, maar sparen voor die ene, grote reis. Nu we beiden met pensioen zijn, was het moment daar. De koffers stonden al bijna klaar, de route door de Zuidelijke Alpen was tot in detail uitgestippeld. We wilden samen die laatste grote fysieke uitdaging aangaan, voordat onze knieën en ruggen ons definitief in de steek zouden laten.
Maar drie weken voor vertrek stortte de wereld van Hugo in. Hugo is onze vriend sinds de studententijd. Hij is altijd de optimist van de groep geweest, de man met de grappen en de onvermoeibare energie. Toen hij ons belde om te vertellen dat de diagnose onomkeerbaar was en dat hij binnenkort volledig afhankelijk zou worden van zorg, voelde ik een koude rilling over mijn rug.
We bezochten hem in het ziekenhuis. De kamer rook naar ontsmettingsmiddel en angst. Hugo zag er plotseling zo klein uit in dat witte bed, zijn huid grijsachtig. De professionele zorg was geregeld, de thuiszorg kwam drie keer per dag en er was een hospice in de buurt voor als het echt niet meer ging. Rationeel gezien was alles geregeld. Maar toen hij mijn hand vastpakte, zag ik iets in zijn ogen wat me brak.
Alsjeblieft, Elena, zei hij met een stem die klonk als schuurpapier. Ik weet dat jullie die reis hebben gepland. Ik weet dat ik geen recht heb om het te vragen. Maar ik ben doodsbang. De gedachte dat ik hier alleen ben in deze stilte, terwijl jullie aan de andere kant van de wereld zijn, maakt me gek. Blijf alsjeblieft. Al is het maar voor een maand.
Arthur keek weg. Hij hield mijn hand stevig vast, maar ik voelde hoe hij spande. We reden zwijgend naar huis. In de auto begon de strijd die nu al dagen voortduurt.
Luister, Elena, zei Arthur toen we de oprit opreden. We kunnen niet ons hele leven on hold zetten voor elke crisis. Hugo heeft zorg. Hij heeft verpleegkundigen die weten wat ze doen. Wij zijn geen artsen. Wat voegen we toe door hier te blijven terwijl we onze droom van een leven lang opofferen?
Ik keek hem aan en voelde een plotselinge woede. Wat voegen we toe? Arthur, hij is doodsbang. Hij voelt zich geïsoleerd. Is een vakantie echt belangrijker dan de menselijkheid naar een vriend die misschien wel zijn laatste maanden ingaat?
De sfeer in huis werd grimmig. Het conflict verspreidde zich snel naar onze kinderen, die we dat weekend hadden uitgenodigd voor een etentje. Mijn dochter, Clara, was onverbiddelijk.
Mam, je bent echt naïef als je denkt dat dit de juiste keuze is, zei ze terwijl ze haar glas wijn neerzette. Je kunt iemand niet redden van de dood door naast zijn bed te zitten. Je offert je eigen geluk op voor een gevoel van schuld. Dat is geen vriendschap, dat is martelaarschap. Ga naar Nieuw-Zeeland. Als je nu blijft, zul je Hugo de rest van je leven kwalijk nemen dat je je droom hebt opgegeven.
Mijn zoon, Julian, was iets milder, maar kwam tot dezelfde conclusie. Hij wees erop dat Hugo zelf ook had gezegd dat ze rationeel gezien wel konden gaan. Maar ik wist wat Hugo bedoelde met rationeel. Rationeel is voor mensen die niet bang zijn om alleen te sterven.
De dagen die volgden waren een torment. Elke keer als ik de brochures van de Milford Sound zag, voelde ik een steek van schuld. En elke keer als ik Hugo belde en zijn trillende stem hoorde, voelde ik een steek van woede naar Arthur en de kinderen.
Gisteren ging het echt mis. Arthur zat in de woonkamer de laatste details van de vluchten te controleren. Ik liep naar hem toe en vroeg hem simpelweg of hij echt kon leven met het idee dat we Hugo in deze staat hadden achtergelaten.
Ik ben klaar met dit drama, Elena! schreeuwde hij plotseling. We hebben veertig jaar gewacht! Veertig jaar! Denk je dat ik nu, op mijn zestigste, nog de energie heb om een zorgrol op me te nemen die niet de mijne is? Ik hou van Hugo, maar ik hou ook van mijn eigen leven. We gaan, en dat is dat.
Ik trok me terug in de slaapkamer. Ik keek naar mijn koffer en vroeg me af wie ik was geworden. Was ik de loyale vriendin die er was voor de mensen die ze liefhad, of was ik iemand die zichzelf verloor in de behoeften van anderen? De grens tussen opoffering en zelfvernietiging is flinterdun. Als we gaan, genieten we dan wel? Of zullen we elke prachtige zonsondergang in Nieuw-Zeeland zien door een sluier van spijt, wetende dat onze vriend in een kille kamer in Nederland wacht op een bezoek dat niet komt?
Aan de andere kant, als we blijven, is de reis dan definitief voorbij? Zijn we dan niet gewoon twee mensen die hun droom hebben begraven uit een plichtsgevoel dat uiteindelijk niets verandert aan de uitkomst van Hugos ziekte?
Ik zit nu weer aan die tafel. De tickets liggen daar, glanzend en belovend. Maar in mijn hoofd hoor ik alleen nog maar de hese stem van Hugo die smeekt om niet alleen te zijn.
Is het egoïstisch om je eigen droom te volgen als dat betekent dat je een ander in zijn diepste wanhoop alleen laat? Of is het juist egoïstisch om te blijven, wetende dat je innerlijke wrok de vriendschap uiteindelijk toch zal vergiftigen?