Toen mijn broer en schoonzus mijn thuis afpakten: Een verhaal over verlies, familie en vechten voor je plek

‘Iris, kun je misschien even je spullen uit de woonkamer halen? Daan en ik willen hier straks met wat vrienden zitten.’

De stem van Sanne, mijn schoonzus, klinkt vriendelijk, maar haar blik is onmiskenbaar dwingend. Ik kijk op van mijn studieboeken, die verspreid liggen over de salontafel. Mijn hart slaat een slag over. Het is pas drie weken geleden dat Daan en Sanne bij ons zijn ingetrokken, maar het voelt alsof ik al maanden op eieren loop in mijn eigen huis.

‘Ik ben bijna klaar met leren,’ probeer ik zachtjes. Mijn moeder, die net de kamer binnenkomt met een schaal vol bitterballen, kijkt me vluchtig aan. ‘Iris, het is toch niet zo’n moeite? Je kunt toch wel even op je kamer studeren?’

Mijn kamer. Het kleine hokje van negen vierkante meter waar ik sinds mijn twaalfde slaap. Sinds Daan en Sanne de logeerkamer hebben opgeëist, is het de enige plek waar ik nog een beetje privacy heb. Maar zelfs daar hoor ik hun stemmen door de dunne muren, hun gelach, hun ruzies. Mijn vader zegt dat het tijdelijk is, totdat ze hun nieuwe huis kunnen betrekken. Maar niemand weet wanneer dat zal zijn.

‘Je moet het begrijpen, Iris,’ zei mijn moeder laatst terwijl ze de was opvouwde. ‘Daan heeft het moeilijk gehad na zijn ontslag. En Sanne is zwanger. Ze hebben onze steun nodig.’

Ik knik altijd braaf, maar van binnen groeit de woede. Waarom moet ík altijd degene zijn die zich aanpast? Waarom ben ik altijd het kind dat achterblijft, het kind dat alles maar moet accepteren?

Die avond lig ik wakker in bed. Door de muur hoor ik Daan lachen om iets wat Sanne zegt. Vroeger was hij mijn held. We speelden samen in het park, hij leerde me fietsen, hij beschermde me tegen pestkoppen op school. Maar nu lijkt hij me nauwelijks te zien staan.

‘Je moet niet zo moeilijk doen,’ zei hij gisteren toen ik voorzichtig vroeg of ze misschien wat zachter konden zijn na elven. ‘We wonen hier allemaal samen, weet je nog?’

Maar het voelt niet als samenwonen. Het voelt alsof ik langzaam uit mijn eigen leven word geduwd.

Op een zaterdagmiddag komt het tot een uitbarsting. Ik kom thuis van mijn bijbaantje in de supermarkt en zie dat al mijn planten uit de vensterbank zijn gehaald. In plaats daarvan staan er babyspullen: een wiegje, een stapel hydrofiele doeken, een knuffelkonijn.

‘Wat is dit?’ vraag ik met trillende stem aan Sanne.

Ze haalt haar schouders op. ‘We hebben die ruimte nodig voor de baby straks. Je planten stonden toch alleen maar in de weg.’

‘Maar… dat is mijn plek! Mijn planten…’

Daan komt binnen en kijkt me geïrriteerd aan. ‘Iris, doe niet zo kinderachtig. Het is maar tijdelijk.’

Ik voel tranen branden achter mijn ogen, maar ik wil niet huilen waar zij bij zijn. Ik ren naar mijn kamer en gooi de deur dicht. Mijn moeder klopt even later zachtjes aan.

‘Lieverd… probeer het te begrijpen. Je broer heeft het zwaar.’

‘En ik dan?’ snik ik. ‘Heeft iemand door hoe zwaar ík het heb?’

Ze zucht diep en zegt niets meer.

De weken verstrijken en het wordt steeds benauwder in huis. Sanne’s buik groeit, net als haar eisen. Mijn vader trekt zich steeds vaker terug in zijn schuur beneden; mijn moeder loopt op haar tenen om conflicten te vermijden.

Op een avond hoor ik Daan en Sanne fluisteren in de keuken.

‘Ze moet gewoon uit huis,’ zegt Sanne scherp. ‘Ze is volwassen genoeg om op zichzelf te wonen.’

‘Ze heeft geen geld,’ antwoordt Daan zachtjes.

‘Dan zoekt ze maar een kamer! Dit kan zo niet langer.’

Mijn hart bonkt in mijn keel. Ik voel me verraden door de mensen die me altijd zouden moeten steunen.

De volgende dag probeer ik met mijn moeder te praten.

‘Mam, ik kan dit niet meer. Ik voel me nergens meer welkom.’

Ze kijkt me aan met vermoeide ogen. ‘Iris… soms moet je offers brengen voor familie.’

‘Maar waarom altijd ik?’

Ze draait zich om en begint af te wassen.

Ik besluit te zoeken naar een kamer, ook al weet ik dat het bijna onmogelijk is met mijn salaris van de supermarkt en de huurprijzen in Utrecht die door het dak gaan. Elke avond scroll ik door Kamernet, stuur wanhopige berichtjes naar huisbazen en krijg keer op keer afwijzingen.

Op een dag krijg ik eindelijk een reactie: een kleine kamer in Lombok, gedeeld met twee andere meiden. Het is duur, het is krap, maar het is iets van mezelf.

Als ik het nieuws vertel aan mijn ouders, kijkt mijn moeder opgelucht. ‘Zie je wel? Het komt goed.’

Daan zegt niets; Sanne glimlacht tevreden.

Op de dag van de verhuizing help ik mezelf herinneren dat dit vrijheid betekent, ook al voelt het als verlies. Mijn vader tilt zwijgend dozen naar beneden; mijn moeder huilt stilletjes als ze me uitzwaait.

In mijn nieuwe kamer zit ik op bed tussen de dozen en voel me leeg. Alles wat vertrouwd was, is weg. Maar misschien begint hier iets nieuws.

’s Avonds stuur ik een berichtje naar mijn beste vriendin Noor: ‘Ik ben verhuisd… Het voelt raar. Alsof ik alles kwijt ben, maar ook alsof ik eindelijk adem kan halen.’

Ze stuurt terug: ‘Je hebt jezelf niet verloren, Iris. Je hebt jezelf gevonden.’

Soms vraag ik me af: wat betekent thuis eigenlijk? Is het een plek, of zijn het de mensen? En als je alles kwijtraakt wat je kende – wie ben je dan nog?

Wat zouden jullie doen als je eigen familie je uit je huis duwt? Is vrijheid het waard als het betekent dat je alles achterlaat wat ooit veilig voelde?