Als Niemand Meer Op Je Wacht: Mijn Thuiskomst in de Leegte
‘Jeroen, je mag naar huis vandaag. Heeft iemand je al laten weten hoe laat ze je komen halen?’
De stem van zuster Marijke klinkt vriendelijk, maar haar ogen dwalen even weg als ze mijn lege blik opmerkt. Ik voel mijn keel dichtknijpen. ‘Nee,’ zeg ik zacht. ‘Er komt niemand.’
Ze knikt, probeert haar medelijden te verbergen achter een professionele glimlach. ‘We kunnen een taxi voor je regelen, als je wilt.’
Ik knik, want wat moet ik anders? Mijn handen trillen lichtjes als ik mijn tas pak. De kamer ruikt naar ontsmettingsmiddel en oude bloemen. Drie weken geleden lag ik hier nog, half verlamd, niet wetend of ik ooit weer zou kunnen lopen. Nu sta ik op eigen benen, maar het voelt alsof de grond onder me vandaan is geslagen.
Buiten is het koud. De lucht boven Utrecht is grijs en zwaar. De taxichauffeur kijkt me nauwelijks aan als hij mijn adres hoort: een flat in Kanaleneiland. Onderweg staar ik naar de regen die tegen het raam slaat. Mijn telefoon blijft stil in mijn jaszak. Geen appje van mijn moeder, geen belletje van mijn broer Bas of zus Marleen. Zelfs geen berichtje van mijn dochter Lotte, die sinds de scheiding bij haar moeder woont.
Thuis is het stil. De planten zijn dood, de koelkast leeg. Ik laat me op de bank vallen en staar naar het plafond. Mijn hoofd bonkt nog na van de inspanning. Ik denk aan vroeger, aan zondagmiddagen met appeltaart bij oma in Amersfoort, aan het gelach van Bas en Marleen, aan de warme hand van mijn moeder op mijn schouder. Waar is dat allemaal gebleven?
De eerste dagen na mijn thuiskomst zijn een waas van vermoeidheid en pijn. Ik probeer te revalideren met oefeningen die ik uit het ziekenhuis heb meegekregen. Soms lukt het me om een blokje om te lopen, maar meestal eindig ik hijgend op de bank. De buren groeten me beleefd in de lift, maar niemand vraagt hoe het echt met me gaat.
Op een avond, als de regen tegen de ramen tikt en de televisie zachtjes ruisend op de achtergrond staat, besluit ik Bas te bellen. Mijn vingers trillen als ik zijn nummer intoets.
‘Met Bas.’
‘Hoi, met mij… Jeroen.’
Het blijft even stil aan de andere kant. ‘Oh… hé.’
‘Ik ben thuis,’ zeg ik. ‘Uit het ziekenhuis.’
‘Ja, dat hoorde ik van mam.’
‘Ik…’ Mijn stem breekt. ‘Ik had gehoopt dat iemand me misschien zou ophalen.’
Bas zucht hoorbaar. ‘Jeroen, je weet hoe het zit. Na alles wat er is gebeurd…’
‘Dat was jaren geleden,’ fluister ik.
‘Sommige dingen vergeet je niet zomaar.’
Ik wil schreeuwen dat het niet eerlijk is, dat ik spijt heb, dat ik ziek ben geweest en nu alleen ben. Maar er komt niets uit. Bas zegt nog iets over drukte op zijn werk en hangt dan op.
De stilte in huis wordt zwaarder met elke dag die voorbijgaat. Soms denk ik dat ik gek word van het alleen zijn. Ik probeer Marleen te bellen, maar zij neemt niet op. Mijn moeder stuurt af en toe een kort berichtje: ‘Sterkte.’ Meer niet.
Op een ochtend vind ik een kaartje in de brievenbus. Het handschrift herken ik meteen: Lotte.
‘Hoi papa,
Ik hoorde dat je ziek bent geweest. Ik hoop dat je snel beter wordt.
Groetjes,
Lotte’
Mijn hart breekt opnieuw. Ik weet dat haar moeder haar heeft verboden contact met mij te zoeken sinds die ruzie twee jaar geleden, toen ik haar verwijten maakte over haar nieuwe vriend en Lotte’s opvoeding. Sindsdien is alles kapot.
De dagen worden weken. Ik ga naar fysiotherapie in het revalidatiecentrum aan de Vechtsebanen. Daar ontmoet ik mensen die net als ik hun leven opnieuw moeten opbouwen: een vrachtwagenchauffeur die zijn spraak kwijt is, een jonge vrouw die haar rechterarm niet meer kan bewegen na een ongeluk op de A2. We praten weinig, maar kijken elkaar soms aan met een blik die alles zegt: waarom wij?
Op een dag na de therapie besluit ik langs het huis van mijn moeder te fietsen in Overvecht. Haar gordijnen zijn dicht. Ik bel aan, hoor haar schuifelen achter de deur.
‘Mam? Het is Jeroen.’
Ze opent voorzichtig een kier. Haar gezicht is ouder geworden dan ik me herinnerde.
‘Wat doe je hier?’ vraagt ze zacht.
‘Ik wilde je zien.’
Ze kijkt weg. ‘Het is niet makkelijk voor mij, Jeroen.’
‘Ik weet het,’ zeg ik schor. ‘Maar ik ben ziek geweest… Ik ben alleen.’
Ze zucht diep en opent de deur iets verder. ‘Kom binnen dan.’
Binnen ruikt het naar koffie en oude boeken. We zitten zwijgend tegenover elkaar aan tafel.
‘Waarom heb je nooit gebeld?’ vraag ik uiteindelijk.
Ze kijkt me aan met vochtige ogen. ‘Na wat je met Bas hebt gedaan… Je hebt hem zo gekwetst.’
Ik knik langzaam. De ruzie met Bas was uit de hand gelopen na de dood van papa; geldkwesties, oude jaloezieën, verwijten over wie er voor mam moest zorgen. Ik had dingen gezegd die niet meer terug te nemen waren.
‘Ik heb spijt,’ fluister ik.
Ze legt haar hand op de mijne, aarzelend maar warm. ‘Soms duurt het lang voordat wonden helen.’
Als ik weer buiten sta, voel ik me lichter en zwaarder tegelijk. Er is iets opengebroken, maar ook iets verloren gegaan wat nooit meer terugkomt.
De maanden verstrijken. Ik leer mezelf opnieuw kennen: kwetsbaar, afhankelijk van anderen, maar ook sterker dan ik dacht. Op een dag belt Lotte onverwachts aan.
‘Hoi papa,’ zegt ze verlegen.
Ik kan alleen maar huilen als ik haar omhels.
We praten urenlang over vroeger, over school, over haar dromen om verpleegkundige te worden – net als ik ooit was.
‘Ben je boos op me?’ vraag ik voorzichtig.
Ze schudt haar hoofd. ‘Nee papa… Maar soms snap ik niet waarom alles zo moeilijk moest zijn.’
Ik weet het ook niet.
Langzaam komt er beweging in mijn familie; Marleen stuurt een kaartje voor mijn verjaardag, Bas stuurt een appje met een foto van zijn kinderen in het park.
Vergeving komt niet in één keer – het is een langzaam proces van kleine gebaren en aarzelende woorden.
Soms vraag ik me af of we ooit weer echt samen zullen zijn zoals vroeger, of sommige dingen voorgoed kapot zijn gegaan.
Maar misschien is dat ook niet nodig om verder te kunnen leven.
Hebben jullie ooit geprobeerd iemand te vergeven die jullie diep heeft gekwetst? Of is vergeten soms makkelijker dan vergeven?