Stilte in mij: Hoe ik kanker en het verraad van mijn familie overleefde

‘We kunnen je niet helpen, Marloes. Iedereen heeft zijn eigen leven.’

De woorden van mijn zus Anouk galmden nog na in mijn hoofd terwijl ik naar het witte plafond van het ziekenhuis staarde. Mijn handen trilden om het plastic bekertje water. Ik voelde me leeg, alsof er een gat in mijn borst was geslagen. Kanker. En nu dit. Mijn familie, mijn anker, liet me los.

‘Dus… dat is het dan?’ vroeg ik zacht, bijna fluisterend. Mijn stem klonk vreemd, alsof ik naar iemand anders luisterde.

Anouk keek weg, haar blik gefixeerd op haar telefoon. ‘Het spijt me, Marloes. Maar ik heb ook kinderen, een baan… Ik kan er gewoon niet voor je zijn zoals jij misschien wilt.’

Mijn moeder, altijd zo zorgzaam geweest, zat naast haar en knikte zwijgend. Haar ogen waren rood van het huilen, maar haar mond bleef gesloten. Mijn vader was er niet eens bij. Hij had gezegd dat hij ‘het allemaal niet aankon’ en was naar zijn volkstuin gegaan.

Ik voelde de tranen branden achter mijn ogen, maar ik weigerde ze te laten zien. Niet nu. Niet voor hen.

‘Jullie hoeven niet alles voor mij te doen,’ zei ik schor. ‘Ik wil alleen niet alleen zijn.’

Anouk zuchtte diep. ‘Marloes, je bent altijd zo dramatisch geweest. Je moet sterk zijn nu.’

Sterk zijn. Alsof ik dat niet al jaren probeerde. Sinds papa zijn baan verloor en mama steeds vaker in zichzelf gekeerd raakte. Sinds Anouk met haar vriend naar Utrecht verhuisde en ik achterbleef in ons ouderlijk huis in Amersfoort om voor mama te zorgen. Altijd was ik degene die alles opving. En nu, nu ik zelf hulp nodig had, was er niemand.

De arts kwam binnen met een map vol papieren. ‘Mevrouw Van Dijk, we moeten snel beginnen met de behandeling. Chemotherapie, daarna mogelijk een operatie.’

Ik knikte zwijgend. Anouk stond op en gaf me een vluchtige kus op mijn wang. ‘Laat maar weten als je iets nodig hebt,’ zei ze terwijl ze haar jas aantrok.

‘Ik heb jullie nodig,’ fluisterde ik, maar ze hoorde het niet meer.

De dagen daarna vervaagden in een waas van ziekenhuisbezoeken, prikken en gesprekken met verpleegkundigen die vriendelijk glimlachten maar altijd haast leken te hebben. Mijn telefoon bleef stil. Geen appjes van Anouk, geen telefoontje van mama. Alleen mijn buurvrouw Els kwam soms langs met een pannetje soep en een warme glimlach.

Op een avond zat ik in de woonkamer, het licht van de straatlantaarn viel door de halfopen gordijnen op de foto’s aan de muur. Ik pakte een oude foto van ons gezin: papa met zijn brede lach, mama met haar armen om mij en Anouk heen geslagen. Waar was die warmte gebleven?

Mijn gedachten werden onderbroken door een berichtje op mijn telefoon. Het was van Anouk: ‘Sorry dat ik zo afstandelijk ben geweest. Het is gewoon allemaal zo moeilijk.’

Ik wilde boos worden, schreeuwen dat het voor mij nog veel moeilijker was, maar ik kon het niet. In plaats daarvan typte ik: ‘Ik snap het.’

De volgende dag zat ik weer in het ziekenhuis voor de eerste chemokuur. De verpleegkundige stelde zich voor als Sanne en probeerde me gerust te stellen.

‘Heb je iemand bij je?’ vroeg ze.

Ik schudde mijn hoofd.

‘Wil je dat ik even blijf zitten?’

Ik knikte dankbaar en voelde hoe de tranen eindelijk kwamen. Sanne pakte mijn hand vast en kneep er zachtjes in.

‘Je hoeft dit niet alleen te doen,’ zei ze zacht.

Maar dat moest ik wel. Want zelfs toen ik na de eerste kuur misselijk en zwak thuiskwam, was er niemand die op me wachtte. De stilte in huis was oorverdovend.

Op een dag stond Els weer voor de deur, deze keer met haar dochtertje Noor aan de hand.

‘Kom binnen,’ zei ik met een glimlach die meer op een grimas leek.

Els keek me onderzoekend aan. ‘Je hoeft niet altijd sterk te zijn, Marloes.’

Ik barstte in huilen uit. Noor kroop op schoot en gaf me haar knuffelkonijn.

‘Mama zegt dat je ziek bent,’ fluisterde ze.

Ik knikte en streek door haar blonde haren.

‘Word je weer beter?’

‘Ik hoop het,’ zei ik eerlijk.

Die avond belde mama onverwacht op.

‘Marloes… hoe gaat het met je?’ Haar stem klonk breekbaar.

‘Niet zo goed, mam.’

Er viel een lange stilte aan de andere kant van de lijn.

‘Ik weet niet hoe ik hiermee om moet gaan,’ zei ze uiteindelijk zachtjes.

‘Ik ook niet,’ antwoordde ik eerlijk.

We huilden samen aan de telefoon, zonder woorden, alleen tranen.

De weken gingen voorbij en de behandelingen werden zwaarder. Mijn haar viel uit in plukken; elke ochtend vond ik meer haren op mijn kussen. Ik keek in de spiegel en herkende mezelf niet meer.

Op een dag stond Anouk ineens voor de deur.

‘Mag ik binnenkomen?’ vroeg ze aarzelend.

Ik knikte en deed de deur open.

Ze keek me aan met betraande ogen. ‘Het spijt me zo, Marloes. Ik ben bang geweest… bang om je te verliezen.’

Ik voelde hoe mijn boosheid langzaam plaatsmaakte voor verdriet en opluchting tegelijk.

‘Ik ben er nog,’ zei ik zacht.

Ze sloeg haar armen om me heen en we huilden samen in de gang.

Langzaam keerde er iets van verbinding terug tussen mij en mijn familie. Mama kwam vaker langs; soms bracht ze bloemen mee uit haar tuin of bakte ze appeltaart zoals vroeger. Papa bleef afstandelijk, maar stuurde af en toe een kaartje met een grapje erop – zijn manier om te laten zien dat hij aan me dacht.

Toch bleef er iets knagen vanbinnen: waarom moest het zover komen voordat ze er voor me waren? Waarom moest ik eerst alles verliezen voordat ze zagen hoeveel pijn ik had?

Op een avond zat ik met Anouk aan tafel; we dronken thee terwijl buiten de regen tegen het raam tikte.

‘Weet je nog vroeger,’ begon ze aarzelend, ‘hoe we samen hutten bouwden in de tuin?’

Ik glimlachte flauwtjes. ‘En hoe jij altijd alles wilde bepalen.’

Ze lachte door haar tranen heen. ‘Misschien ben ik daarom nu ook zo slecht in loslaten.’

We zwegen even; de stilte was deze keer niet pijnlijk maar vol herinneringen.

Na maanden van behandelingen kwam eindelijk het verlossende woord: remissie. De kanker was weg – voorlopig tenminste. Mijn lichaam voelde uitgeput maar mijn geest was sterker dan ooit.

Toch bleef er een leegte achter die niet zomaar gevuld werd door bloemen of bezoekjes. Iets in mij was voorgoed veranderd; een deel van mijn vertrouwen was weggenomen door degenen die mij het dierbaarst waren geweest.

Soms vraag ik me af: als zelfs je eigen familie je laat vallen op het moment dat je hen het hardst nodig hebt – wie ben je dan nog? En hoe vind je opnieuw vertrouwen, als stilte alles is wat overblijft?