‘Waarom wil niemand mij thuis hebben?’ – Mijn strijd na het ziekenhuis

‘Nee mam, ik kan het gewoon niet. Ik heb mijn eigen leven, je weet toch dat ik net promotie heb gekregen?’

De stem van mijn dochter, Sanne, trilt aan de andere kant van de lijn. Ik hoor haar haastige ademhaling, de lichte irritatie die ze probeert te verbergen. Mijn hand trilt als ik de telefoon steviger vastpak. De geur van ontsmettingsmiddel hangt nog in mijn neusgaten, een herinnering aan de ziekenhuisgangen waar ik de afgelopen weken heb doorgebracht.

‘Sanne, ik vraag je niet om voor altijd voor me te zorgen. Het is maar tijdelijk, tot ik weer op de been ben. De arts zegt dat ik niet alleen mag wonen na de operatie. Ik… ik weet niet waar ik anders heen moet.’

Er valt een stilte. Ik hoor op de achtergrond het zachte gezoem van haar vaatwasser. Mijn hart bonkt in mijn borstkas, elke seconde die verstrijkt voelt als een afwijzing.

‘Misschien kun je het aan Bas vragen?’ zegt ze uiteindelijk. ‘Hij heeft toch een groot huis.’

Bas. Mijn zoon. We hebben elkaar nauwelijks gesproken sinds de ruzie over de erfenis van zijn vader, nu alweer drie jaar geleden. Ik weet niet eens of hij opneemt als ik bel. Maar wat moet ik anders?

Ik hang op, mijn ogen prikken van de tranen die ik probeer binnen te houden. De verpleegkundige komt binnen met een glimlach die te groot is voor dit kleine, kille kamertje.

‘Goed nieuws, mevrouw De Vries! U mag morgen naar huis.’

Ik knik zwakjes. Naar huis. Maar welk huis? Mijn appartement op driehoog zonder lift is onbegaanbaar met mijn rollator. En zonder hulp mag ik daar niet eens heen.

Die nacht slaap ik nauwelijks. Mijn gedachten razen. Ik denk aan vroeger, aan de tijd dat mijn kinderen nog klein waren en ik alles voor ze deed. Hoe vaak heb ik niet nachtenlang aan hun bed gezeten als ze ziek waren? Hoe vaak heb ik niet hun tranen gedroogd, hun ruzies gesust? En nu, nu ik hen nodig heb, lijkt niemand tijd of ruimte voor mij te hebben.

De volgende ochtend bel ik Bas. Mijn vingers trillen zo erg dat ik bijna het verkeerde nummer intoets.

‘Met Bas.’ Zijn stem klinkt afstandelijk.

‘Hoi Bas… met mama.’

Een korte stilte.

‘Wat is er?’

Ik slik. ‘Ik… ik word vandaag ontslagen uit het ziekenhuis. De dokter zegt dat ik niet alleen mag wonen. Zou ik misschien een tijdje bij jou kunnen logeren?’

Hij zucht hoorbaar. ‘Mam, je weet dat het met Marloes en de kinderen niet zo lekker loopt. We hebben net rust in huis. En bovendien werk ik veel thuis nu, dat wordt lastig.’

‘Maar Bas…’

‘Misschien kun je bij Sanne terecht? Of anders bij tante Els?’

Ik voel me als een bal die van het ene familielid naar het andere wordt geschopt. Niemand wil mij hebben. Niemand wil zich branden aan mijn kwetsbaarheid.

Die middag zit ik in de ziekenhuiskamer met mijn koffer naast me. De verpleegkundige kijkt me vragend aan.

‘Is er iemand die u komt ophalen?’

Ik schud mijn hoofd. ‘Nee…’

Ze fronst haar wenkbrauwen en verdwijnt even later om met een maatschappelijk werker terug te komen. Mevrouw Jansen, een vrouw met een zachte stem en begripvolle ogen.

‘Mevrouw De Vries, we kunnen u niet zomaar naar huis sturen als u daar niet veilig bent. Heeft u echt niemand die u kan opvangen?’

Ik schud mijn hoofd opnieuw, de tranen stromen nu vrij over mijn wangen.

‘Mijn kinderen willen me niet,’ fluister ik.

Ze knikt begrijpend en legt haar hand op mijn arm. ‘U bent niet de enige, hoor. Dit gebeurt vaker dan u denkt.’

We bespreken de opties: tijdelijk naar een zorghotel, thuiszorg aanvragen, misschien zelfs een plekje in een verzorgingshuis. Maar alles voelt als falen. Alsof ik niet meer meetel in het leven van mijn eigen familie.

Die avond lig ik in het zorghotel, omringd door vreemden en het geluid van piepende infuuspompen en schuifelende voeten op linoleumvloeren. Mijn gedachten dwalen af naar Sanne en Bas. Heb ik gefaald als moeder? Ben ik te veeleisend geweest? Of zijn zij gewoon te druk met hun eigen leven?

De dagen verstrijken traag. De verzorgenden zijn vriendelijk, maar het blijft afstandelijk. Elke dag hoop ik op een telefoontje van mijn kinderen, maar het blijft stil. Ik probeer mezelf wijs te maken dat ze het druk hebben, dat ze zich schuldig voelen en daarom niet bellen.

Op een dag besluit ik Sanne toch weer te bellen.

‘Mam, ik weet echt niet hoe ik dit moet combineren met mijn werk en de kinderen,’ zegt ze vermoeid.

‘Misschien kun je een paar dagen komen logeren? Of gewoon even op bezoek?’ probeer ik voorzichtig.

‘Ik zal kijken wanneer het uitkomt,’ zegt ze kortaf.

Het bezoek blijft uit.

Op een middag zit ik in de gemeenschappelijke ruimte van het zorghotel als er een oudere vrouw naast me komt zitten. Ze stelt zich voor als Corrie en begint meteen haar levensverhaal te vertellen: hoe haar zoon naar Canada is geëmigreerd en haar dochter nooit belt.

‘Weet je,’ zegt Corrie terwijl ze haar hand op de mijne legt, ‘vroeger dacht ik altijd dat familie vanzelfsprekend was. Maar tegenwoordig lijkt iedereen vooral met zichzelf bezig.’

Haar woorden raken me dieper dan ik wil toegeven. Is dit wat ouder worden betekent? Onzichtbaar worden voor je eigen kinderen?

De weken gaan voorbij en langzaam leer ik de routine van het zorghotel kennen: ontbijten om acht uur, fysiotherapie om tien uur, kaarten met Corrie om drie uur. Maar elke avond als ik in bed lig, voel ik de leegte naast me groeien.

Op een dag krijg ik onverwacht bezoek: Bas staat ineens in de deuropening van mijn kamer.

‘Hoi mam,’ zegt hij ongemakkelijk.

Mijn hart maakt een sprongetje van hoop, maar zijn blik is afwezig.

‘Ik kwam even kijken hoe het met je gaat,’ zegt hij terwijl hij zijn jas aanhoudt.

We praten wat over koetjes en kalfjes, maar het gesprek blijft oppervlakkig. Als hij na tien minuten weer vertrekt, voel ik me leger dan daarvoor.

Die avond schrijf ik een brief aan Sanne en Bas:

‘Lieve kinderen,
Ik snap dat jullie druk zijn met jullie eigen leven en dat het lastig is om voor mij te zorgen nu ik kwetsbaar ben. Maar soms voelt het alsof jullie mij vergeten zijn. Ik mis jullie, meer dan jullie ooit zullen weten.’

Ik weet niet of ik hem ooit zal versturen.

Op een dag komt mevrouw Jansen weer langs met nieuws: er is plek vrijgekomen in een verzorgingshuis in de buurt van mijn oude wijk.

‘Het is misschien niet wat u gehoopt had,’ zegt ze voorzichtig, ‘maar u bent daar veilig en er is altijd iemand in de buurt.’

Ik knik gelaten. Wat moet ik anders?

De verhuizing is snel geregeld. Mijn appartement wordt leeggehaald door een verhuisbedrijf; Sanne komt even langs om wat spullen uit te zoeken die ze wil hebben – vooral de sieraden van oma en wat antiek servies.

Als ze weggaat, kijk ik haar na vanuit het raam van mijn nieuwe kamer in het verzorgingshuis. Ze zwaait kort, haar telefoon alweer aan haar oor.

De eerste weken in het huis zijn zwaar. Ik voel me verloren tussen mensen die allemaal hun eigen verdriet en verhalen hebben. Maar langzaam begin ik te wennen aan het ritme: samen eten, samen wandelen in de tuin, samen klagen over het eten.

Soms denk ik terug aan vroeger – aan verjaardagen vol gelach, aan kerstdiners waar we met z’n allen rond de tafel zaten. Waar is die warmte gebleven? Wanneer zijn we elkaar kwijtgeraakt?

Op een avond zit ik alleen op mijn kamer en kijk naar een oude foto van Sanne en Bas als kleine kinderen op het strand van Scheveningen. Hun gezichten stralen geluk uit; ze rennen naar mij toe met open armen.

Tranen prikken achter mijn ogen terwijl ik fluister: ‘Waarom wil niemand mij thuis hebben? Ben ik zo’n last geworden?’

Misschien zijn er meer mensen zoals ik – mensen die zich afvragen waar familie eigenlijk voor bedoeld is als je elkaar nodig hebt… Wat denken jullie: hoort familie er altijd voor je te zijn? Of is dat slechts een illusie uit vervlogen tijden?