De Portemonnee van Mijn Man, Mijn Gevangenis: Mijn Strijd voor Vrijheid in een IJskoud Huwelijk

‘Marloes, waar is mijn portemonnee?’ Jeroen’s stem snijdt door de stilte van onze keuken als een mes. Ik schrik op, mijn handen trillen lichtjes terwijl ik de vaatwasser uitruim. ‘Ik heb hem niet gezien,’ antwoord ik zacht, hopend dat hij het erbij laat. Maar zijn blik is scherp, wantrouwend, zoals altijd de laatste jaren.

‘Je hebt er toch niet weer geld uit gepakt?’ Hij fronst zijn wenkbrauwen, zijn ogen priemen in de mijne. Ik voel mijn wangen gloeien van schaamte en woede. ‘Nee, natuurlijk niet,’ zeg ik, maar mijn stem klinkt zwak. Hij gelooft me niet. Dat doet hij nooit meer.

Dertien jaar geleden was Jeroen anders. We ontmoetten elkaar op een feestje van vrienden in Utrecht. Hij lachte veel, maakte grapjes over mijn accent – ik kom uit Groningen – en hij danste met me tot diep in de nacht. Ik was smoorverliefd op zijn zelfverzekerdheid, zijn plannen voor de toekomst. We zouden samen een huis kopen, kinderen krijgen, reizen maken. Maar ergens onderweg veranderde alles.

Het begon klein. Jeroen wilde overzicht houden op onze uitgaven. ‘Gewoon praktisch,’ zei hij dan. ‘Ik ben beter met cijfers, Marloes.’ Eerst vond ik het niet erg. Maar na de geboorte van onze dochter Lotte werd het strakker. Mijn pinpas verdween uit mijn portemonnee; hij regelde de boodschappen, betaalde de rekeningen. ‘Jij zorgt voor Lotte, ik regel de rest.’

Ik voelde me steeds kleiner worden. Mijn wereld werd kleiner: van het huis naar het schoolplein, naar de supermarkt – altijd met een lijstje en precies genoeg geld voor wat er nodig was. Soms vroeg ik om wat extra’s voor een kop koffie met een vriendin, maar dan kreeg ik die blik weer. ‘Waarvoor dan? Je hebt toch alles wat je nodig hebt?’

Mijn moeder merkte het als eerste op. ‘Marloes, gaat het wel goed tussen jullie?’ vroeg ze voorzichtig tijdens een bezoek in Assen. Ik haalde mijn schouders op en lachte het weg. ‘Iedereen heeft wel eens wat.’ Maar ’s avonds in bed lag ik wakker naast Jeroen, luisterend naar zijn ademhaling, en voelde ik me opgesloten.

De ruzies werden frequenter. Kleine dingen – een vergeten boodschap, een rekening die te laat betaald was – konden hem doen ontploffen. ‘Kun je dan helemaal niks goed doen?’ riep hij eens terwijl Lotte huilend boven aan de trap stond. Ik slikte mijn tranen in en probeerde haar te troosten.

Op een dag vond ik in een oude doos op zolder mijn dagboek terug van vroeger. Ik las over mijn dromen: werken als docent Nederlands, reizen naar Scandinavië, schrijven. Ik voelde iets knappen in mij. Waar was dat meisje gebleven?

‘Jeroen,’ begon ik voorzichtig tijdens het avondeten, ‘ik wil misschien weer gaan werken. Gewoon een paar uurtjes per week.’

Hij keek me aan alsof ik gek was geworden. ‘En wie zorgt er dan voor Lotte? Wie doet het huishouden? Je weet toch dat we het zo goed geregeld hebben?’

‘Maar ik wil ook iets voor mezelf,’ fluisterde ik.

Hij sloeg met zijn hand op tafel. ‘Dit is weer zo’n idee van je moeder zeker? Altijd dat gezeur over onafhankelijkheid.’

Die nacht lag ik wakker en luisterde naar de regen die tegen het raam tikte. Ik dacht aan Lotte, aan haar kleine handje in de mijne toen ze vroeg: ‘Mama, waarom ben je zo vaak verdrietig?’

Op een ochtend stond ik op het schoolplein te wachten tot Lotte uit haar klas kwam. Naast me stond Anouk, een andere moeder die altijd vrolijk leek. Ze keek me aan en zei zacht: ‘Gaat het wel goed met je? Je ziet er zo moe uit.’

Ik brak. De tranen stroomden over mijn wangen en ik vertelde haar alles – over Jeroen, het geld, het gevoel gevangen te zitten.

Anouk luisterde zonder oordeel en pakte mijn hand vast. ‘Je hoeft dit niet alleen te doen,’ zei ze.

Vanaf dat moment begon er iets te veranderen. Ik zocht informatie op internet over financiële afhankelijkheid en emotionele controle. Ik las verhalen van andere vrouwen die hetzelfde hadden meegemaakt.

Toen Jeroen op een avond weer begon over geld – waarom de boodschappen duurder waren geworden, of ik niet stiekem iets voor mezelf had gekocht – voelde ik voor het eerst geen angst meer maar woede.

‘Weet je wat het kost om elke dag te leven zoals jij wilt?’ riep ik uit. ‘Weet je wat het kost om jezelf te verliezen?’

Hij keek me verbaasd aan, alsof hij me voor het eerst zag.

De weken daarna probeerde ik kleine stappen te zetten. Ik vroeg bij de bibliotheek of ze vrijwilligers zochten en mocht beginnen met één ochtend per week voorlezen aan kinderen. Het voelde als ademhalen na jaren onder water.

Jeroen werd steeds afstandelijker. Soms negeerde hij me dagenlang; soms probeerde hij me terug te winnen met cadeautjes of lieve woorden. Maar ik wist dat het niet genoeg was.

Op een avond zat ik met Lotte op de bank toen ze vroeg: ‘Mama, waarom lachen jij en papa nooit meer samen?’

Ik slikte en keek haar aan. ‘Soms houden mensen op een andere manier van elkaar dan vroeger,’ zei ik voorzichtig.

Ze knikte alsof ze alles begreep.

Mijn moeder belde vaker en vroeg of ik niet eens bij haar wilde logeren met Lotte. Jeroen vond dat onzin – ‘Wat moet je daar nou zoeken?’ – maar ik besloot het toch te doen.

In Assen voelde ik me vrijer dan ik in jaren had gedaan. Mijn moeder zette thee en luisterde naar mijn verhalen zonder oordeel of advies.

‘Je hoeft niet te blijven waar je ongelukkig bent,’ zei ze zacht.

Terug thuis voelde alles zwaarder dan ooit. Jeroen deed alsof er niets aan de hand was, maar zijn controle werd strakker: bonnetjes controleren, vragen waar ik was geweest, zelfs Lotte ondervragen over wat we hadden gedaan.

Op een avond zat ik alleen in de keuken toen Anouk appte: “Als je ooit weg wilt… Je kunt altijd bij mij terecht.”

Ik keek naar Jeroen die tv keek in de woonkamer, naar Lotte die boven haar huiswerk maakte, naar mijn handen die trilden boven een kop koude thee.

Hoe lang kon ik dit nog volhouden? Was vluchten laf of juist dapper? Wat zou er gebeuren met Lotte als ik bleef – of als ik ging?

Die nacht droomde ik dat ik door een veld liep vol bloemen, zonder muren om me heen.

De volgende ochtend pakte ik stiekem een tas in met wat kleren voor mij en Lotte. Mijn hart bonsde in mijn keel toen we naar school liepen; na het afscheid liep ik niet naar huis maar naar Anouk toe.

‘Je bent welkom,’ zei ze simpelweg toen ze de deur opendeed.

Die avond belde Jeroen woedend: ‘Waar ben je? Wat doe je me aan?’

Ik huilde niet meer. Ik voelde alleen opluchting – en angst voor wat komen ging.

Nu zit ik hier op Anouks bank, Lotte slaapt naast me in een vreemd bed. Alles is onzeker: geld, werk, toekomst. Maar voor het eerst in jaren voel ik ruimte om adem te halen.

Was dit de juiste keuze? Had ik eerder moeten gaan? Of is elke stap naar vrijheid er één die telt?

Wat zouden jullie doen als je gevangen zat in je eigen leven? Is vluchten zwak – of juist het begin van moed?