Veertig jaar waren we met z’n vieren. Nu onze vriendin weduwe is, durf ik bijna niet meer te zeggen dat ik ook tijd voor mezelf wil
Ik had de camping in Frankrijk al drie keer op mijn scherm gehad voordat ik besefte dat ik niet naar de prijs keek, maar naar de dagen. Als we op maandag vertrokken en de vrijdag erna terugkwamen, misten we twee donderdagen bij Marian.
Daar zat ik dus over na te denken. Niet over de afstand of over de vraag of onze oude auto het nog aankon. Over twee etentjes.
Ik ben zesenzestig. Sinds vorig jaar ben ik met pensioen, na bijna dertig jaar achter de balie van een apotheek. Mijn man Kees is achtenzestig. We hebben geen grootse plannen. Een paar weken weg buiten de schoolvakanties, fietsen, ergens koffie drinken zonder steeds op de klok te kijken. Dat was het ongeveer.
Marian en Ton kennen we vanaf onze eerste koopwoning. Zij woonden twee deuren verder. We hadden allemaal weinig geld en op zaterdag schoven we tuinmeubels over de schutting omdat niemand genoeg stoelen had.
Later gingen we samen op vakantie. Onze dochter noemt hen nog steeds oom Ton en tante Marian, hoewel ze inmiddels zelf vierendertig is. Toen mijn moeder doodging, heeft Marian mijn koelkast schoongemaakt. Ik weet nog dat ik dat eerst een rare bezigheid vond. Daarna zag ik dat ze ook boodschappen had gedaan.
We hebben nooit gezegd dat we elkaar overal doorheen zouden slepen. We deden het gewoon.
Ton is ruim drie jaar geleden overleden. Hij was een paar maanden ziek. De eerste weken daarna waren Kees en ik bijna dagelijks bij Marian. Er stond steeds bezoek, maar tegen de avond ging iedereen weg. Wij bleven vaak nog even.
Op donderdag kookte ik bij haar, omdat zij vroeger op donderdag altijd met Ton uitgebreid at. Later ging ze zelf weer koken en werden wij uitgenodigd. Dat was fijn. Ze maakte weer grapjes, mopperde over de prijs van vis en schonk Kees te veel wijn in.
Alleen bleef het niet bij donderdag.
Op zondag wilde ze wandelen. Op dinsdag belde ze vaak tegen etenstijd. Met Pasen, haar verjaardag, zijn verjaardag en hun trouwdag waren we er vanzelfsprekend. En er waren ook gewone middagen waarop ze vroeg of we even kwamen, want het huis was zo stil.
Ik ging bijna altijd. Soms met tegenzin, maar zodra ik haar zag staan, was ik blij dat ik gekomen was.
Dat maakt dit ook zo lastig uit te leggen. Ik houd van haar. Ik vind haar niet vervelend. We kunnen nog steeds samen zo lachen dat er nauwelijks geluid uitkomt.
Maar ik begon dingen te verzwijgen.
Dat ik op woensdag met een oud-collega had geluncht, vertelde ik niet als ik donderdag bij haar zat. Dan kwam er misschien: ‘O, gezellig. Ik heb gisteren niemand gesproken.’ Dat zei ze niet boos. Ze kon er zelfs bij glimlachen. Toch zat ik daarna mijn middag te verdedigen.
Ik merkte ook dat ik hoopte dat ze niet opnam als ik terugbelde. Daar schrok ik behoorlijk van.
Kees heeft daar minder last van. Hij gaat graag. Ze kijken samen naar wielrennen en praten over mensen uit de buurt die ik niet eens ken. Als Marian begint over Ton, kan hij rustig een uur blijven zitten.
‘Dan ga jij toch een keer alleen?’ zei ik.
‘Dat kan.’
Maar op donderdagmiddag vroeg hij vervolgens: ‘Ga je echt niet mee? Ze heeft voor ons gekookt.’
En dan trok ik toch iets anders aan.
Over die camping kregen we voor het eerst echt ruzie. Kees zei dat mei voor Marian een moeilijke maand was. Ton was in mei overleden.
‘Vorig jaar kon het ook niet in mei,’ zei ik.
‘Dat zeg ik toch niet?’
‘Je zegt het wel zodra ik iets wil boeken.’
Hij klapte de laptop dicht. Niet hard, maar ik werd er razend van. Het was mijn laptop ook nog.
Een week later stelde ik bij Marian voor om voortaan om de week op donderdag te komen. We hadden de afwas gedaan. Ik wilde het rustig zeggen, zonder dat het klonk alsof ik haar eten zat was.
‘Dan houden we wat meer ruimte over,’ zei ik. ‘We willen ook weleens een paar dagen weg. Of gewoon thuisblijven.’
Ze legde de theedoek over de kraan.
‘Jullie mogen toch weg?’
‘Ja, maar ik merk dat ik me steeds bezwaard voel.’
Dat had ik anders moeten zeggen. Ik zag haar gezicht veranderen.
‘Door mij bedoel je.’
Kees zei dat niemand dat bedoelde. Terwijl ik dat ergens natuurlijk wel bedoelde.
Marian ging zitten en vroeg of het al lang als een verplichting voelde. Ik zei dat het niet zo eenvoudig was. Daarna begon ik te veel uit te leggen, over mijn pensioen en rust en dat ik soms een hele dag niemand wilde zien.
‘Maar jij hebt dan nog altijd Kees,’ zei ze.
Daar had ik geen antwoord op.
In de auto zei Kees dat ik haar overvallen had. Dat was waar. Ik had hem verteld dat ik het wilde bespreken, maar niet dat ik het die avond zou doen.
‘We zijn haar enige mensen,’ zei hij.
‘Dan ga jij iedere week.’
‘Het gaat toch niet om een rooster?’
Ik zei dat het daar voor mij inmiddels wel op leek. Dat vond hij hard. Ik trouwens ook, toen ik het hoorde.
Sindsdien is het niet beter geworden. Ook niet verschrikkelijk, maar stroef. Marian appt vooral Kees. Als ik iets stuur, antwoordt ze vriendelijk en kort. Vorige donderdag had ze voor hem gekookt. Ik was thuisgebleven en at brood met een gebakken ei.
Ik had uitgekeken naar die avond alleen. Toch keek ik steeds op mijn telefoon.
Later vertelde Kees dat ze samen oude vakantiefoto’s hadden bekeken. Hij zei het voorzichtig, alsof ik daar toestemming voor moest geven. Dat wil ik helemaal niet tussen ons hebben.
Ik heb Marian gisteren gebeld. We praatten over haar lekkende schuur en over een buurvrouw die gevallen is. Ik heb niet gevraagd of ze boos op me is. Zij heeft niet gevraagd wanneer ik weer kom.
Kees gaat donderdag weer. Ik weet nog niet of ik meega. De camping staat nog open in een tabblad. Er is inmiddels alleen nog een plek beschikbaar zonder schaduw.