Mijn man wil met onze vriendengroep een huis in Frankrijk kopen, maar ik zie vooral wat er thuis nog moet gebeuren

Het begon eigenlijk met een Excel-bestand in onze groepsapp. Niet met ruzie, niet met een groot plan waar maanden over gepraat was. Gewoon een bestand van Kees, met bovenaan: ‘Mogelijke aankoop Mas du Pin’. Daaronder stonden bedragen, weken, onderhoudskosten en ieders vermoedelijke aandeel.

Ik zat op dat moment aan de keukentafel een afspraak te maken voor onze cv-ketel. Hij doet het nog wel, maar de monteur had vorig jaar al gezegd dat we niet te lang moesten wachten. Mijn man Henk kwam naast me zitten, met zo’n gezicht dat hij vroeger had als hij na zijn werk een tweedehands motorfiets op het oog had.

‘Kijk nou,’ zei hij. ‘Dit kan echt.’

Mas du Pin is het huis waar we al sinds 1986 bijna iedere zomer heen gaan. Eerst waren we met z’n achten, met kleine tentjes en een koelkast die het alleen deed als je de deur dichtduwde met je knie. Later kwamen de kinderen mee. Inmiddels gaan er soms kleinkinderen mee, al willen die na drie dagen liever naar een zwembad met glijbanen dan pétanque spelen onder een plataan.

Het huis is niet van ons. Het is altijd van een Frans echtpaar geweest, eerst van monsieur en madame Boulanger en na hun overlijden van hun dochter. Zij wil verkopen. Ze woont in Lyon, komt er nauwelijks nog en heeft geen zin om toeristen te blijven regelen. Kees, die sinds januari met pensioen is, had haar blijkbaar gesproken toen hij er in mei een weekje was met Marijke.

Het bedrag was hoog. Niet onmogelijk hoog, maar hoog genoeg om er wakker van te liggen. Het idee was dat zes stellen samen zouden kopen. Iedereen zou een gelijk aandeel krijgen. We zouden er vaste weken kunnen reserveren, en als je extra wilde, kon dat als er plek was. Kees had zelfs al een schema gemaakt voor schoonmaak, belastingen en een pot voor dakpannen, lekkages en dat soort dingen.

Henk was meteen om.

‘We hoeven dan nooit meer te zoeken,’ zei hij die avond. ‘Nooit meer afwachten of we terechtkunnen. Het is gewoon van ons. Van ons allemaal.’

Ik zei dat ik het mooi vond, maar dat ik niet wist of het verstandig was.

Dat was nog mild uitgedrukt. Ik voelde vooral paniek. Niet omdat ik niet van Frankrijk houd. Ik houd van die plek. Ik weet precies welke trede in de stenen trap los zit, waar je het beste brood haalt en dat je na zeven uur geen boodschap meer moet willen doen in dat ene dorpje. Maar een huis delen met vijf andere stellen is iets heel anders dan er ieder jaar twee weken gelukkig zijn.

Wij wonen in een rijtjeshuis in Amersfoort, waar we al 31 jaar zitten. De badkamer is boven. Onze slaapkamer ook. Henk heeft twee jaar geleden een nieuwe heup gekregen en loopt prima, maar niet altijd pijnvrij. Ik heb last van mijn handen en merk dat traplopen op slechte dagen gewoon vervelend is. Onze dochter Eva zegt al jaren dat we eens moeten nadenken over een slaapkamer beneden, of op z’n minst een badkamer die niet aanvoelt als een glijbaan zodra je er met natte voeten staat.

Ik wil geen luxe verbouwing. Ik wil gewoon dat we hier kunnen blijven als het allemaal wat minder soepel gaat.

Toen ik dat tegen Henk zei, keek hij alsof ik had voorgesteld om de vakantie af te schaffen.

‘Dus we moeten ons hele leven gaan inrichten op het moment dat we misschien ooit niet meer goed een trap op kunnen?’ vroeg hij.

Dat was niet eerlijk, en dat wist hij volgens mij ook wel. Maar ik snapte hem ergens. Hij is sinds zijn pensioen veel onrustiger dan hij had verwacht. Veertig jaar lang stond hij om half zeven op voor zijn werk bij de gemeente. Nu heeft hij tijd, maar hij weet soms niet goed waar hij die moet laten. Die vakanties met de groep geven hem houvast. Kaarten met Jan, samen koken met Kees, wijn drinken met de vrouwen op het terras terwijl de mannen nog zogenaamd het houtvuur proberen te regelen. Hij noemt het zijn ‘vaste kring’.

Alsof die verdwijnt wanneer we geen aandeel in een huis hebben.

De druk werd groter toen Kees belde. Hij zei dat de eigenaar nog een andere geïnteresseerde had en dat we binnen drie weken moesten weten waar we stonden. Hij klonk opgejaagd, wat niets voor hem is.

‘We kunnen natuurlijk niet blijven rekenen op mensen die misschien afhaken,’ zei hij.

Ik hoorde het wel. Misschien hadden Henk en ik nog niets definitief gezegd, maar ik voelde me toch aangesproken.

De zaterdag daarna zaten we met z’n allen bij Marijke en Kees in de tuin. Het was zo’n typische Nederlandse zomeravond: iedereen met een vestje aan, plastic bakjes salade op tafel en steeds iemand die vroeg of de parasol niet omlaag moest vanwege de wind.

Kees had de papieren geprint. Er werd gesproken over een Franse notaris, een vereniging of iets vergelijkbaars, wat er zou gebeuren als iemand overleed. Jan zei lachend dat hij tegen die tijd allang onder een olijfboom begraven wilde worden. Iedereen lachte, behalve ik. Niet omdat het ongepast was, maar omdat niemand leek te zien hoe ingewikkeld dit al klonk voordat er überhaupt iets getekend was.

Ik vroeg wat er gebeurde als iemand over vijf jaar zijn aandeel wilde verkopen.

Even werd het stil.

Marijke zei: ‘Dan kopen de anderen dat toch over?’

‘En als niemand dat kan betalen?’ vroeg ik.

Ze haalde haar schouders op. ‘Dan zoeken we daar wel een oplossing voor.’

Dat zinnetje bleef bij me hangen. We zoeken wel een oplossing. Zo zijn wij ook veertig jaar met elkaar bevriend gebleven: niet alles kapotanalyseren, gewoon regelen, een beetje inschikken. Maar juist daarom ben ik bang. Omdat niemand nu degene wil zijn die zegt dat het misschien niet regelbaar is.

Op de terugweg zei Henk bijna niets. Thuis zette hij de vaatwasser aan, veel harder dan nodig, en vroeg toen of ik überhaupt nog wel mee wilde naar Frankrijk.

Ik werd daar boos van. Ik zei dat hij deed alsof ik onze vrienden afwees, terwijl ik alleen niet ons spaargeld wilde vastzetten in een constructie die ons misschien juist uit elkaar trekt. Dat ik niet op mijn 75ste met een bevriend stel wil onderhandelen over wie een lekkend dak moet betalen terwijl iemand net weduwe is geworden of zijn pensioen tegenvalt.

Hij zei: ‘Jij ziet altijd eerst wat er mis kan gaan.’

Dat deed pijn, omdat er iets van waarheid in zit. Ik ben degene die verzekeringen uitzoekt, die weet wanneer de hypotheekrente afloopt, die de enveloppen van de gemeente openmaakt. Henk noemt dat nuchterheid als het hem uitkomt en angst als het zijn plan in de weg zit.

Maar ik zei ook iets wat niet netjes was. Ik zei dat hij vooral bang was om zonder zijn werk niet meer te weten wie hij was, en dat hij daarom een huis in Frankrijk nodig had om zich ergens aan vast te houden. Hij keek me heel lang aan en zei toen alleen: ‘Dat is laag.’

Sindsdien praten we er wel over, maar voorzichtig. Alsof het huis tussen ons in aan tafel zit.

Gisteren hebben we een aannemer laten komen voor een offerte voor een badkamer beneden. Die viel hoger uit dan ik verwachtte. Henk zei meteen dat we dan misschien toch niet allebei konden. Ik zei dat ik dat nooit had beweerd; ik wilde alleen eerst weten waar we aan toe waren.

Kees wil uiterlijk vrijdag antwoord. Henk heeft de groepsapp op stil gezet, maar ik zie hem soms toch kijken. Vanmiddag stuurde Jan een foto van de lange tafel onder de bomen, van afgelopen zomer. Er stond alleen bij: ‘Zou toch zonde zijn als dit verdwijnt.’

Ik heb er niet op gereageerd. Henk ook niet.

De offerte voor de badkamer ligt nu op het aanrecht, onder een folder van een Franse makelaar die Kees had meegenomen. Vanavond moeten we eigenlijk bellen. Ik weet alleen nog niet of ik hoop dat Henk mij begrijpt, of dat ik zelf eindelijk iets minder bang word.