Na veertig jaar vriendschap vroeg onze zieke vriend of we een halfjaar bij hen kwamen wonen — mijn vrouw vindt dat we geen nee kunnen zeggen

Ik ben vorige week expres een extra rondje door de supermarkt gelopen, omdat ik wist dat ik buiten mijn telefoon weer moest aanzetten. Dat vind ik misschien nog wel het ergste om toe te geven. Er lag niemand op dat moment op sterven. Er moest alleen worden afgestemd wie donderdag met Kees naar het ziekenhuis kon.

Ik ben 66, mijn vrouw Marijke is 64. Kees en Ria kennen we ruim veertig jaar. Onze kinderen zaten samen op de peuterspeelzaal. Inmiddels hebben die kinderen zelf kinderen en zitten wij nog steeds op elkaars verjaardagen, meestal naast dezelfde mensen.

Het waren geen vrienden die je alleen voor de gezelligheid had. Toen ik jaren geleden mijn baan verloor en daarna maanden weinig uit mijn handen kreeg, stond Kees iedere dinsdag voor de deur. Gingen we fietsen. Soms tot het volgende dorp, soms alleen naar de bakker. Hij vroeg niet steeds hoe het ging. Dat was juist fijn.

Ria heeft na de heupoperatie van Marijke onze was gedaan. Wij hebben hen geholpen verhuizen. Er werd nooit bijgehouden wie wat deed.

Daarom voelt het smerig dat ik nu in mijn hoofd wel zit te tellen.

Bij Kees werd vorig jaar uitgezaaide darmkanker vastgesteld. Hij krijgt behandelingen die de ziekte moeten afremmen. De ene week kan hij zelf koffiezetten en grapjes maken over mijn kale kruin, de andere week komt hij nauwelijks van de bank.

In het begin reden we om de beurt mee naar afspraken. Daarna kwamen de boodschappen erbij. Een recept ophalen. De tuin een beetje bijhouden. Ria vroeg alles nog voorzichtig, met veel ‘alleen als het uitkomt’.

Wanneer dat veranderde, weet ik niet precies. Op een gegeven moment stond er in de app: ‘Donderdag weer half negen, zoals vorige keer.’

Ik had die ochtend afgesproken met mijn broer. Niet belangrijk, vond ik zelf ook. We zouden ergens koffie drinken. Ik heb hem afgezegd.

Daarna nog een keer.

Mijn broer vraagt het inmiddels niet meer zo vaak.

Marijke vindt dat ik dat niet aan Kees en Ria mag ophangen. Daar heeft ze gelijk in. Ik had zelf kunnen zeggen dat ik niet kon. Alleen wordt ‘niet kunnen’ een ingewikkeld begrip als de ander naar de oncologie moet en jij een uitsmijter wilt eten in Amersfoort.

We hebben geen grote pensioenplannen. Geen camper, geen overwintering in Spanje. Ik wilde op dinsdagen gaan wandelen met een groepje en eindelijk de schuur opruimen. Misschien klinkt dat armoedig naast wat Kees doormaakt. Maar ik heb tot mijn vijfenzestigste in een distributiecentrum gewerkt. Ik keek uit naar dagen waarop niemand iets van me nodig had.

Nu kijk ik iedere avond eerst in de gezamenlijke agenda voordat ik ergens ja op zeg.

Marijke merkt de vermoeidheid ook. Ze valt na het eten op de bank in slaap. Toch gaat zij vaker dan ik. Ze neemt soep mee, verschoont het bed en blijft luisteren als Ria voor de vierde keer vertelt wat de arts precies zei.

‘Dat mens is doodsbang,’ zegt ze dan onderweg naar huis.

Dat weet ik. Ria belt soms omdat Kees slaapt en het huis zo stil is. Dan praat ze een kwartier over een fout op de energierekening. Ik begrijp heus dat het niet over die rekening gaat.

Drie weken geleden zaten we bij hen aan de keukentafel. Kees had zijn vest nog aan, hoewel de verwarming hoog stond. Ria zette een pak gevulde koeken neer dat niemand openmaakte.

Kees vroeg het zelf.

Of we bij hen wilden komen wonen. Voorlopig voor een halfjaar, zodat ze niet telkens hoefden te bellen. De logeerkamer was groot genoeg en mijn fiets kon in hun garage.

Hij zei het alsof de fiets misschien het praktische bezwaar was.

‘Ria trekt het niet meer alleen,’ zei hij. ‘En bij jullie hoef ik me niet groot te houden.’

Marijke pakte meteen zijn hand. Ik keek naar Ria, die begon te huilen zonder geluid te maken.

Ik heb iets gezegd als dat we het moesten bekijken. Meer weet ik eigenlijk niet. Wel dat Marijke in de auto zei dat onze slaapkamer thuis toch gewoon bleef staan.

Alsof ik bang was voor het bed.

Ik vroeg wie er dan ’s nachts uit moest als Kees hulp nodig had. Wie zou koken, wassen, opletten of hij genoeg dronk. Of wij nog weg konden als Ria even boodschappen deed.

‘Dat lossen we samen op,’ zei ze.

‘Maar ik wil daar niet wonen.’

Toen werd het stil.

Thuis zei ze dat veertig jaar vriendschap blijkbaar ophield zodra het echt lastig werd. Ik zei dat zij mijn hele pensioen weggaf omdat ze geen nee durfde te zeggen.

Dat was gemeen. Ze is niet laf. Ze vindt oprecht dat dit is wat vrienden doen.

Later die avond begon ze over de dinsdagen waarop Kees mij uit huis had gehaald. Ik wist dat ze daaraan dacht, maar het deed toch pijn toen ze het gebruikte.

‘Dat vergeet ik niet,’ zei ik.

‘Zo klinkt het anders wel.’

Er komt al een paar keer per week iemand van de wijkverpleging bij Kees. Er staat een gesprek gepland om te kijken welke hulp er verder nodig is. Ria zegt dat ze vooral iemand in huis wil hebben die hen kent. Geen lijst afspraken meer, geen verhaal opnieuw vertellen.

Hun dochter woont in Groningen en werkt vier dagen. Ze komt geregeld een weekend. Ik heb mezelf erop betrapt dat ik dacht: laat háár dan een halfjaar intrekken. Daar schaamde ik me meteen voor. Alsof je op afstand kunt bepalen wat een ander moet opgeven.

Kees heeft me sindsdien een keer alleen gebeld. Hij vroeg of het verzoek verkeerd was gevallen.

‘Het is nogal wat,’ zei ik.

Hij ademde een tijd hoorbaar door de telefoon.

‘Ja,’ zei hij toen. ‘Dat weet ik eigenlijk ook wel.’

Ik durfde niet verder te vragen. We hebben het daarna over voetbal gehad. Hij volgt nog steeds iedere wedstrijd.

Marijke wil nu voorlopig drie nachten per week bij hen slapen. Ze noemt het geen compromis, want ik blijf thuis en hoef volgens haar niets. Maar ze vroeg gisteren wel of ik op haar tweede dag de boodschappen kon brengen, omdat ze Ria dan liever niet alleen liet.

Ik heb ja gezegd. Ook omdat ik Kees graag wil zien. Dat raakt steeds ondergesneeuwd tussen de ritten en de lijstjes: ik mis mijn vriend terwijl ik voortdurend met hem bezig ben.

Over het halve jaar hebben we nog geen antwoord gegeven.

Vanmorgen heeft Marijke een tas klaargezet voor de eerste twee nachten. Haar oplader zat er niet in. Die heb ik van boven gehaald en in het zijvak gedaan. Daarna ben ik aan de keukentafel gaan zitten om het boodschappenlijstje van Ria over te schrijven.