Na 36 jaar vriendschap boekten we een vakantie zonder onze beste vrienden — voor hen voelde dat als verraad

Ik heb op mijn zevenenzestigste voor het eerst op mijn eigen oprit gewacht tot iemand weg was. Mijn fiets stond nog tegen het tuinhek. Ik hoorde Ria achterom roepen en bleef naast de kliko staan, met een zak tuinaarde in mijn armen.

Binnen zat mijn vrouw Anja. Die deed ook niet open.

Toen Ria weer wegfietste, schaamde ik me zo dat ik eerst kwaad werd op Anja. Waarom had zij niet gewoon gezegd dat het niet uitkwam? Ze keek me aan en zei dat ik zelf ook een mond had.

Dat was ongeveer drie maanden voordat de vakantie alles op scherp zette.

We kennen Henk en Ria al zesendertig jaar. Onze dochters zaten bij elkaar op school. Eerst waren het verjaardagen, later weekenden weg, samen kamperen in Frankrijk, op zondag soep bij de een of de ander. Henk heeft me geholpen toen mijn vader overleed. Niet met grote woorden. Hij reed naar de kringloop, haalde broodjes en bleef tot de flat leeg was.

Toen Anja haar baan kwijtraakte, stond Ria elke woensdag op de stoep. Daar was Anja toen blij mee. Ik ook.

Daarom vind ik het moeilijk om dit op te schrijven zonder ondankbaar te klinken.

Er is niemand ziek. Ze hebben geen geldzorgen, voor zover wij weten. Henk is twee jaar geleden gestopt bij het installatiebedrijf. Ria werkte al een tijdje niet meer. Hun zoon woont in Groningen en hun dochter heeft een druk gezin. Er zijn kennissen verdwenen, een kaartclub is uit elkaar gevallen. Langzaam bleven wij over.

Dat klinkt zieliger dan het in het begin voelde. We hadden juist zin in die vrije tijd samen.

Alleen werd samen steeds meer vanzelfsprekend.

Op maandag appte Ria wat we die week gingen doen. Niet óf we iets gingen doen. Op dinsdag belde Henk over een fietsroute. Donderdag was meestal markt en lunch. In het weekend wilden ze ook iets afspreken, want anders duurde dat zo lang.

Ik ging op woensdag biljarten. Daar kwam eerst af en toe iets tussen. Daarna vroeg Henk waarom ik niet bij hen kon biljarten, ze hadden in het café om de hoek ook een tafel.

‘Met die mannen heb je toch verder niks?’ zei hij.

Dat was niet eens gemeen bedoeld. Volgens mij begreep hij echt niet dat juist dat prettig kon zijn.

Anja had zich opgegeven voor een cursus keramiek. Ria wilde mee, vond het na twee keer niks en stelde voor om op die middag samen te gaan wandelen. Anja bleef naar de cursus gaan, maar kreeg daarna steeds de vraag of het nog wel leuk was. Of ze niet liever iets met ons vieren deed.

We zeiden te vaak ja. Dat hoort er ook bij. Soms stelde ik zelf iets voor omdat ik geen zin had in het gesprek dat op een nee volgde. Dan zat ik met mijn koffie alweer een afspraak te maken waar ik later over mopperde.

En er waren genoeg leuke middagen. Henk kan me nog altijd harder laten lachen dan de meeste mensen. Ria onthoudt alles. Als ik ergens tegenop zie, vraagt zij naderhand hoe het ging. Dat doet bijna niemand.

Maar ze belde soms drie keer op een dag. Over gedoe met haar dochter, over een onaardige buurvrouw, over een avond waarop ze zich verveelden. Als Anja niet opnam, ging mijn telefoon.

Op een donderdag hebben we het geprobeerd te bespreken. Gewoon aan de keukentafel, na de lunch.

Anja zei dat we wat vaker losse plannen wilden maken. Ik zei erbij dat twee of drie afspraken per week ons te veel werden.

Ria keek naar Henk.

‘Nou, dan weten we dat ook weer.’

‘Wat weet je dan?’ vroeg ik.

‘Dat wij jullie kennelijk te veel zijn.’

Daarna ging het eigenlijk alleen nog daarover. Niet over de hoeveelheid afspraken, maar over wie wij waren geworden. We hadden toch altijd alles samen gedaan? Waarom moest dat nu ineens anders?

Henk zei weinig, tot hij zijn jas aantrok.

‘Je kunt vriendschap ook kapot regelen, hoor.’

Een week lang was het stil. Ik vond die stilte heerlijk. Dat durfde ik niet tegen Anja te zeggen, maar zij zei het wel tegen mij.

Daarna begon het opnieuw, voorzichtiger. Eerst één berichtje. Toen een lunch. Voor we het wisten, stonden er weer vier dingen in de agenda.

De vakantie naar de Achterhoek hadden we toen al geboekt. Tien dagen in een huisje, eind september. Fietsen mee, boeken mee. Verder niks bijzonders. We hadden daar vaker over gepraat, maar telkens kwam er iets gezamenlijks voor in de plaats.

Ik wilde het pas vertellen als de aanbetaling gedaan was. Anja vond dat laf. Ze liet me toch mijn gang gaan.

Uiteindelijk hoorde Ria het van onze dochter, die tijdens een verjaardag vroeg of we hun fietsendrager wilden lenen.

Ik zag Ria haar gezicht veranderen. Ze vroeg waar we heen gingen en daarna wie er meegingen.

‘Niemand,’ zei Anja. ‘Alleen wij.’

Ria ging eerder naar huis. Henk bleef nog even staan bij de deur.

‘Zesendertig jaar,’ zei hij. ‘En dan moeten we het zo horen.’

Daar had hij gelijk in. Dat heb ik hem de volgende ochtend ook gezegd. Ik heb mijn excuses aangeboden voor de manier waarop. Niet voor de vakantie.

Hij vond dat onderscheid onzin.

Later stuurde Ria een lang bericht. Ze schreef dat ze ons juist nu nodig hadden, nu de dagen soms zo leeg waren. Dat wij blijkbaar genoeg andere mensen hadden. Dat zij zich stom voelde omdat ze dacht dat wij familie voor elkaar waren.

Ik heb het bericht wel tien keer gelezen. Bij dat woord familie moest ik slikken. Wij staan op hun lijstje voor noodgevallen. Zij op het onze.

We zijn inmiddels terug van die vakantie. Het was fijn. Soms ook ongemakkelijk stil. Op de tweede avond pakte Anja haar telefoon om Ria een foto van het huisje te sturen. Ze legde hem weer neer zonder iets te versturen.

Henk heeft op mijn laatste bericht alleen geantwoord dat ze tijd nodig hebben. Ria heeft Anja uit hun wandelgroepje op WhatsApp gehaald. Daar zaten verder maar twee vrouwen in.

Volgende maand zijn ze veertig jaar getrouwd. De uitnodiging ligt nog in de fruitschaal. We hadden al toegezegd, lang voor dit gedoe.

Gisteren vroeg Anja of ik wilde bellen om te horen of we nog welkom zijn. Ik zei dat ik dat vandaag zou doen. Het is nu bijna halfacht. Ik heb zijn nummer al twee keer geopend.