Na dertig jaar wilde ik één keer gewoon aanschuiven bij onze vrienden. Nu valt onze vaste vrijdagavond langzaam uit elkaar

Ik had het adres van het restaurant al in de groepsapp geplakt. Alleen nog op verzenden drukken. Toen heb ik het hele bericht weer weggehaald.

Bert zat tegenover me een mandarijn te pellen.

‘Je mag best iets sturen, hoor. Daar gaat niemand dood aan.’

Dat wist ik ook wel. Toch legde ik mijn telefoon in de la met de onderzetters. Een beetje kinderachtig misschien, maar anders bleef ik kijken.

Ik ben tweeënzestig. Onze vriendengroep bestaat uit vier stellen, allemaal ergens tussen de zestig en vijfenzestig. We kennen elkaar van de tijd dat onze kinderen nog naar dezelfde basisschool gingen. De kinderen hebben allang geen contact meer. Wij zien elkaar al bijna dertig jaar op vrijdagavond.

Niet iedere vrijdag met z’n achten, natuurlijk. Er zijn vakanties, kleinkinderen, een griepje. Maar meestal kwamen we ergens samen. Soms eten buiten de deur, vaker koffie en daarna een wijntje bij iemand thuis. Een bak borrelnoten, stukjes kaas, niks bijzonders.

Ik dacht altijd dat dat vanzelf was ontstaan.

Pas toen ik ermee ophield, merkte ik hoeveel ik eigenlijk deed.

Op dinsdag vroeg ik wie er vrijdag kon. Als Anja niet kon, keek ik of donderdag mogelijk was. Marijke rijdt niet graag in het donker, dus overlegde ik wie haar ophaalde als haar man moest werken. Els had een tijd weinig geld; dan stelde ik iets voor waarbij niemand hoefde uit te leggen dat uit eten niet uitkwam.

Allemaal kleine dingen. Ik vond het ook vaak leuk. Dat wil ik er wel bij zeggen.

Maar de laatste tijd voelde ik op dinsdag al iets zakken als ik onze groepsapp opende. Vooral die blauwe vinkjes zonder antwoord. Vier mensen hadden gelezen dat ik vroeg wie er kwam eten, maar donderdagmiddag wist ik nog steeds niet voor hoeveel mensen ik boodschappen moest doen.

Dan stuurde ik een lachend gezichtje met: ‘Nou jongens, ik moet toch iets in huis halen!’

Dat uitroepteken maakte het gezellig. Ik was meestal helemaal niet gezellig op dat moment.

Bert kreeg daar thuis het meeste van mee. Dat is ook niet eerlijk. Hij vroeg weleens of hij iets moest doen, maar dan zei ik dat ik het al geregeld had. Ik kon slecht uitleggen dat ik niet alleen hulp wilde nadat ik erom vroeg.

Het werd me op een vrijdag in november ineens te veel. We zaten bij Els en Henk. Ik had gereserveerd voor een gezamenlijk etentje in december en vroeg of iedereen het menu wilde doorgeven.

‘Wat moeten wij toch zonder jou,’ zei Marijke.

Ze meende het aardig. Dat zag ik aan haar gezicht.

Ik zei: ‘Nou, daar zullen jullie binnenkort achter komen, want ik stop ermee.’

Er werd gelachen. Ik lachte zelf ook, uit gewoonte.

Daarna zei ik dat ik het serieus meende. Dat ik vanaf nu niets meer ging plannen, niemand ging herinneren en geen antwoorden meer ging verzamelen. Ik wilde gewoon eens horen waar ik verwacht werd en dan komen.

Els zette haar glas neer.

‘Maar dit vind jij toch juist leuk?’

‘Niet meer.’

‘Had dat dan eerder gezegd.’

Daar had ze een punt. Ik had wel gemopperd, maar meestal tegen Bert. In de groep had ik hooguit eens gezegd dat iemand anders ook weleens iets mocht regelen. Vervolgens kwam ik drie dagen later zelf met een voorstel.

De avond ging daarna gewoon verder. Henk vertelde over gedoe met zijn camper. Iemand zette koffie. Ik voelde me opgelucht en tegelijk alsof ik iets onaardigs had gedaan waar niemand op terug wilde komen.

De eerste vrijdag erna gebeurde er niets.

Om halfzeven vroeg Anja in de app: ‘Is er vanavond nog wat?’

Ik antwoordde dat wij thuis waren, maar niets hadden afgesproken.

‘Wij ook,’ schreef Marijke.

Daar bleef het bij.

Bert vond dat ik had kunnen zeggen dat iedereen welkom was.

‘Dan had jij toch ook kunnen sturen?’ vroeg ik.

Hij keek op van zijn krant. ‘Ja. Dat had gekund.’

Hij deed het niet meer. Ik ook niet.

Twee weken later regelde Els een avond bij haar thuis. Ze had toastjes en soep gemaakt. Iedereen was er, behalve Anja en haar man. Die hadden het bericht gemist tussen de foto’s van een verbouwing.

Toen Els daarover mopperde, zei ik: ‘Ja, daarom stuurde ik dus altijd nog een apart bericht.’

Dat klonk veel triomfantelijker dan ik bedoelde.

‘Moeten we nu een soort examen doen?’ vroeg ze.

Ik heb die avond bijna niets meer gezegd.

Sindsdien bellen de vriendinnen me nog wel, maar anders. Voorzichtiger. Marijke vroeg tijdens een wandeling of ik soms ergens anders mee zat. Met mijn gezondheid, of met Bert.

Toen ik zei dat het echt om dat geregel ging, zuchtte ze.

‘Ik vind het nogal wat, hoor. Wij waarderen je juist omdat je daar zo goed in bent. En nu lijkt het of wij je jarenlang gebruikt hebben.’

Ik zei dat ik dat niet had gezegd.

‘Maar zo voelt het wel. Het wordt zo’n drama om iets wat altijd prima ging.’

Voor haar ging het prima. Dat heb ik niet gezegd. We liepen verder en hadden het over haar zus, die op een wachtlijst staat voor een heupoperatie.

Het lastige is dat het geen slechte vriendinnen zijn. Toen mijn moeder overleed, stond Els twee avonden met eten voor de deur. Anja heeft me naar het ziekenhuis gereden toen Bert voor zijn werk in Duitsland zat. Dat vergeet ik niet omdat ze geen datumprikker invullen.

En ik ben zelf ook niet altijd makkelijk. Als iemand een restaurant voorstelde, wist ik vaak iets beters. Dichterbij, goedkoper, minder lawaai. Misschien hebben ze daardoor ook afgeleerd om iets te verzinnen. Alleen kan ik dat niet meer terugdraaien door nóg een vrijdagavond te regelen.

Vorige week zei Bert dat hij zijn vrienden miste.

‘Ik ook,’ zei ik.

‘Dan kunnen we toch een beetje soepel zijn?’

Daar kregen we ruzie over. Niet eens hard. Hij ging vroeg naar boven en ik bleef beneden met de televisie aan zonder te kijken.

Vandaag heeft Henk gevraagd of we vrijdag bij hen komen. Gewoon koffie, schreef hij, hij had geen zin om moeilijk te doen over eten.

Ik heb meteen ja gezegd. Bert ook.

Daarna vroeg Marijke wie haar kon ophalen. Ik had mijn antwoord al bijna getypt, maar Bert pakte zijn telefoon.

‘Ik rijd wel,’ zei hij.

Nu ligt er nog een vraag van Els over de week daarna. Ze wil weten of we weer eens ergens zullen eten. Er hebben drie mensen een duimpje gezet.

Ik weet een leuk adres. Ik ben er laatst met mijn zus geweest. Het zit vlak bij een parkeerplaats en ze hebben er ook iets wat Henk lust.

Ik heb het nog niet doorgestuurd.