Ik dacht dat ik mijn vriendin hielp, maar op een dag merkte ik dat ons hele leven om haar heen was gaan draaien
Toen we zes jaar geleden naar Langenboom verhuisden, zei mijn man Henk dat we eindelijk eens nergens lid van hoefden te worden. Geen commissies, geen buurtapps waar iedereen zich mee bemoeide, geen verplicht gedoe. We waren allebei net met pensioen. Hij uit de technische dienst van een school, ik uit de administratie van een fysiopraktijk in Uden. We hadden ons rijtjeshuis verkocht, een vrijstaand huisje gekocht aan de rand van het dorp en waren vooral van plan veel te fietsen.
Dat voornemen hield ongeveer drie maanden stand.
Via de jeu-de-boulesvereniging leerden we Marijke kennen. Zij was toen al weduwe, een jaar of zeventig, klein en altijd netjes gekapt. Haar man Theo was lang geleden overleden en kinderen hadden ze niet gekregen. Ze had wel een nicht in Groningen, vertelde ze eens, maar daar had ze amper contact mee. Marijke was zo iemand die nooit zomaar binnenkwam zonder iets mee te nemen. Een bosje tulpen van de markt, een pot zelfgemaakte soep, een stapel tijdschriften waarvan ze dacht dat ik ze leuk zou vinden.
Langzaam ontstond er een vaste club. Op woensdag koffie bij De Kersenboom, in de zomer samen naar de Maas, verjaardagen bij elkaar thuis. Niet heel uitbundig, maar juist prettig. Iedereen kende ieders kleine eigenaardigheden. Henk zette overal te harde koffie. Ria wilde altijd om half negen naar huis. Marijke vertelde hetzelfde verhaal over haar eerste auto minstens vier keer per jaar, en toch luisterden we ernaar.
Twee jaar geleden viel Marijke in haar keuken. Niets gebroken, gelukkig, maar daarna ging het zichtbaar minder. Eerst liep ze met een stok, later met een rollator. Ze kreeg last van haar handen en haar evenwicht werd slecht. Op een dinsdag belde ze mij omdat ze haar DigiD-code kwijt was en een brief van de gemeente niet begreep. Het ging over huishoudelijke hulp, geloof ik. Ik zei dat ik na de koffie wel even langskwam.
Die middag zat ik bijna drie uur bij haar aan tafel.
Ze had post die al weken ongeopend lag. Een rekening van de apotheek, iets van de bank, een afspraak in het ziekenhuis in Boxmeer. Marijke keek ernaar alsof die enveloppen haar persoonlijk hadden beledigd. Ik heb gebeld, dingen op een lijstje gezet en een map gekocht bij de HEMA om alles in te doen. Toen ik wegging, pakte ze mijn hand vast.
‘Wat moet ik zonder jou, Lies?’ zei ze.
Ik weet nog dat ik daar een beetje ongemakkelijk van werd. Niet omdat ik haar niet wilde helpen, maar omdat het meteen zo groot klonk. Ik zei dat ze niet zo moest doen en dat we er samen wel uitkwamen.
Henk vond het aanvankelijk prima. Hij reed haar een paar keer naar de huisarts en heeft een beugel in haar badkamer opgehangen. Hij is handig en kan moeilijk nee zeggen als iemand met een praktisch probleem komt. Maar er kwam steeds iets bij. Marijke wilde niet meer alleen naar de supermarkt, dus gingen we samen. Ze durfde haar medicijnen niet zelf klaar te zetten. Als haar televisie een melding gaf, belde ze Henk. Soms belde ze mij om zeven uur ’s ochtends, omdat ze dacht dat ze een afspraak had, terwijl die afspraak pas de week erna was.
Ik begon op maandag en donderdag standaard bij haar langs te gaan. Daarna ook op vrijdag, omdat ze dan zo’n dipdag had. De administratie werd mijn taak. Ik zat aan haar eettafel met mijn eigen leesbril op mijn hoofd en de laptop open, terwijl zij vertelde dat ze zich zo schaamde dat ze dit niet meer kon.
Wij zijn wel bij het Wmo-loket van de gemeente geweest. Ik had dat geregeld, samen met Marijke. De mevrouw van het gesprek was vriendelijk en legde rustig uit welke ondersteuning mogelijk was. Huishoudelijke hulp, personenalarmering, misschien thuiszorg voor bepaalde momenten. Marijke knikte overal bij, maar toen het concreet werd, trok ze haar mond strak.
‘Er komen hier geen vreemde mensen in mijn huis,’ zei ze.
De mevrouw probeerde nog uit te leggen dat zij zelf invloed kon hebben op de invulling. Marijke bleef beleefd, maar ik kende haar inmiddels goed genoeg. Ze had haar besluit al genomen.
In de auto terug zei ze: ‘Als ik thuiszorg neem, ben ik echt zo’n oud mens geworden.’
Ik zei dat ze gewoon hulp nodig had, net als iedereen soms hulp nodig heeft. Dat klonk ferm, maar ik hoorde meteen hoe hard het was. Ze keek uit het raam en zei niets meer.
Thuis zat Henk aan de keukentafel. Hij had die ochtend al twee keer gebeld omdat Marijke haar magnetron niet aan kreeg. Hij keek naar mij en vroeg hoe het gesprek was gegaan. Ik vertelde het.
Hij zei alleen: ‘Dus wij zijn weer de oplossing.’
Daar kregen we voor het eerst echt ruzie over. Niet schreeuwen, zo zijn wij niet, maar dat stille nare soort ruzie waarin je allebei doorgaat met iets doen. Henk ruimde de vaatwasser in en ik vouwde een theedoek op die al opgevouwen was.
Hij zei dat hij niet tegen Marijke was. Dat zei hij meerdere keren. Maar hij vond dat wij niet haar zorgplan konden zijn. We hadden een camper gehuurd voor drie weken in september, naar de Elzas. Marijke had meteen gevraagd wie er dan haar boodschappen deed. Ik had gezegd dat we daar nog wel naar zouden kijken. Henk was daar woest om.
‘Je zegt niet eens meer dat we weggaan,’ zei hij. ‘Je vraagt toestemming zonder het te merken.’
Dat vond ik gemeen. Of misschien vooral pijnlijk omdat er iets van waar was.
De weken daarna werd ik steeds sneller geïrriteerd. Niet alleen op Marijke, ook op Henk. Als hij zei dat hij een rondje wilde fietsen, dacht ik meteen aan alles wat nog bij haar moest gebeuren. Als Marijke belde tijdens het eten, nam ik op voordat ik erover nadacht. Een keer liet ik haar voicemail inspreken. Ze had alleen willen weten of ik nog eieren voor haar mee kon nemen. Ik heb daarna een kwartier naar dat bericht geluisterd zonder terug te bellen, en ik voelde me een afschuwelijk mens.
Het ergste was dat onze vriendengroep lang niet alles zag. Op woensdag zagen ze Marijke met haar lippenstift op en haar nette vest aan. Ze zei dan: ‘Lies helpt me af en toe met de computer.’ Alsof ik een paar instellingen op haar telefoon veranderde. Ik heb zelf ook niet verteld hoe het echt was. Misschien omdat ik bang was dat iemand dan zou zeggen dat ik ermee moest stoppen. Dan zou ik moeten toegeven dat ik dat zelf niet kon.
Vorige maand kwam Henk met een papier van een zorgorganisatie uit de buurt. Hij had gebeld, zonder het eerst aan mij te vragen. Er was een mogelijkheid voor tijdelijke ondersteuning en later eventueel een gesprek over een woonzorgcentrum, als zelfstandig thuis wonen niet meer veilig was.
‘We moeten dit abrupt stoppen,’ zei hij. ‘Anders gebeurt er niks.’
Ik schrok van dat woord, abrupt. Alsof we Marijke bij het grofvuil zouden zetten. We hadden een verschrikkelijke avond. Henk zei uiteindelijk dat hij niet meer mee wilde naar haar toe, behalve als er echt iets technisch kapot was. Ik zei dat hij koud werd. Hij zei dat ik al maanden niet meer echt thuis was.
De dag erna ben ik naar Marijke gegaan met het formulier in mijn tas. Ik had me voorgenomen rustig te blijven. Geen verwijten, geen toneel. Maar toen ik binnenkwam, lag ze nog in haar ochtendjas op de bank. Ze had die nacht slecht geslapen en haar linkerbeen deed pijn. Op het aanrecht stond een pan met aangekoekte pap. Ineens zag ik niet mijn koppige vriendin, maar iemand die bang was dat haar wereld kleiner werd dan haar eigen woonkamer.
Ik heb niet meteen over het woonzorgcentrum begonnen. Daar schaam ik me een beetje voor, want Henk had gelijk dat ik het uitstelde. Wel heb ik gezegd dat ik niet meer elke dag kon komen. Mijn stem trilde er zelfs van.
Marijke keek heel lang naar haar handen. Daarna zei ze: ‘Dus jij bent het ook zat.’
Ik zei dat ik haar niet zat was. Dat ik moe was, en dat Henk en ik ook nog een leven hadden dat we niet steeds konden verplaatsen. Ze begon niet te huilen. Dat had het misschien makkelijker gemaakt. Ze knikte alleen en vroeg of ik dan in elk geval bij het eerste gesprek met de thuiszorg wilde zijn.
Dat heb ik beloofd.
We gaan volgende week alsnog met de camper weg, maar geen drie weken. Tien dagen. Henk vond dat eerst onzin, want volgens hem geven we alweer toe. Misschien heeft hij gelijk. Marijke krijgt in die periode twee keer per dag hulp en Ria uit onze groep doet haar boodschappen. Ria reageerde trouwens heel normaal toen ik het eindelijk vertelde. ‘Waarom heb je dat niet eerder gezegd?’ vroeg ze. Ik had daar geen goed antwoord op.
Vanmorgen belde Marijke om te vragen waar ze haar afvalpas ook alweer moest laten. Ik voelde die bekende spanning in mijn buik. Toen zei ik dat ik het niet wist, maar dat ik vanmiddag wel even in haar map kon kijken. Ze zei: ‘O ja. Dat is goed.’
Daarna was het stil. Niet boos. Gewoon stil.
Henk zat buiten de caravanlijst door te nemen en vroeg of ik koffie wilde. Ik heb mijn telefoon op tafel gelegd, met het geluid aan, maar niet in mijn hand.