Mijn dochter zei dat ik liever voor vreemden zorg dan voor mijn eigen kleinkinderen
Vorige week stond ik om half zes ’s ochtends mijn steunkousen aan te trekken en moest ik ineens huilen. Niet eens hard. Gewoon van die stomme tranen die blijven komen terwijl je je schoenen zoekt en weet dat je over twintig minuten in de auto moet zitten.
Mijn man Kees lag nog in bed. Hij hoorde het blijkbaar, want hij kwam de gang op in zijn onderbroek, met zijn haar alle kanten op. Hij zei niets, pakte alleen mijn tas van de grond en zette hem op het bankje bij de deur.
“Je hoeft niet te gaan,” zei hij.
Maar zo werkt het natuurlijk niet. Op een afdeling kun je niet om kwart voor zes bellen dat je vandaag even niet komt omdat je leven te veel is. We hadden al twee zieken. Het was een vroege dienst op interne geneeskunde, dus ik wist precies hoe het zou gaan: mensen die uit bed moeten, medicijnen, familie die belt, een opname erbij, iemand die onrustig wordt omdat hij naar huis wil terwijl hij nog aan de zuurstof zit.
Ik werk al sinds mijn negentiende in het ziekenhuis. Eerst als leerling, toen op chirurgie, later interne. Ik heb nachtdiensten gedraaid toen onze dochter Marije klein was. Ik heb kerstmissen gemist, schoolvoorstellingen van achterin de zaal gezien omdat ik rechtstreeks uit een avonddienst kwam. Ik heb daar nooit heel heroïsch over gedacht. Het was gewoon mijn werk. Soms mooi, soms afschuwelijk, meestal allebei op één dag.
Maar ik ben nu 58. Mijn linkerschouder zeurt al maanden en na een nachtdienst ben ik niet meer twee dagen moe, maar drie. Of vier. Soms zit ik thuis op de rand van het bed en denk ik: als ik nu opsta, lukt het misschien. En dan blijf ik nog tien minuten zitten.
Kees wordt volgend voorjaar 63. Hij heeft jarenlang bij een installatiebedrijf gewerkt en kan via een regeling wat eerder stoppen. Hij praat al twee jaar over een camperbusje. Niet eens een enorme luxe camper, gewoon zo’n tweedehands ding waarmee we naar de Moezel kunnen, of een paar weken naar Denemarken. Hij heeft mapjes op zijn tablet met campings. Ik plaag hem ermee, maar stiekem vond ik het ook fijn om iets te hebben om naar uit te kijken.
Toen kwam Marije met haar vraag.
Ze is 32, alleenstaand sinds haar ex, Daan, vorig jaar naar Utrecht verhuisde voor een nieuwe relatie. Hij betaalt wel alimentatie, maar daar red je geen hypotheek mee. Marije heeft een rijtjeshuis in een nieuwbouwwijk buiten de stad, gekocht toen ze nog met z’n tweeën waren. Ze werkt bij een makelaarskantoor, vier dagen, en wilde naar vijf dagen omdat de rentevaste periode volgend jaar afloopt en alles duurder is geworden. Noor is zes en Mees net vier. Lieve kinderen, echt. Druk, maar lief.
Ze vroeg of ik vanaf september elke woensdag en vrijdag kon oppassen. Na school, maar op vrijdag ook overdag omdat Mees dan vrij is. “Alleen totdat ik weer een beetje lucht heb, mam,” zei ze.
Ik zei niet meteen nee. Dat is misschien mijn fout geweest. Ik zei: “Ik moet even kijken naar mijn rooster.” Alsof een rooster het probleem was.
De eerste weken probeerde ik het. Ik ruilde diensten, nam een paar keer een verlofdag op en ging na een nachtdienst toch naar Marije. Dan lag Mees al om zes uur ’s ochtends naast me op de bank met Paw Patrol aan, terwijl ik het gevoel had dat mijn ogen los in mijn hoofd lagen. Noor wilde dat ik haar haar invlocht zoals mama dat deed. Ik deed mijn best, maar ik trok te hard aan een pluk en ze zei heel zachtjes: “Je doet het anders.” Daar schaamde ik me nog om ook.
Kees vond het onverantwoord. Hij zei het niet gemeen. Hij maakte koffie, haalde boodschappen en nam de kinderen soms mee naar de speeltuin. Maar op een zondagavond zei hij: “Ans, jij rijdt na een nachtdienst met twee kinderen achterin naar huis. Dit gaat een keer mis.”
Ik werd boos op hem. Veel bozer dan terecht was.
“Dus ik moet haar maar laten stikken?” riep ik.
Hij keek me aan en zei: “Nee. Maar jij stikt nu ook langzaam.”
Daar had ik op dat moment geen behoefte aan.
Ik heb met mijn teamleider gepraat over minder nachtdiensten. Ze was begripvol, maar er zijn grenzen. We hebben personeelstekort en ik ben juist iemand die veel kan. Dat klinkt misschien arrogant, maar het is ook waarom ze mij vaak bellen als er gaten vallen. Minder uren werken kan, alleen betekent dat minder pensioenopbouw en minder geld nu. Vervroegd stoppen kan ook, maar dan moeten we echt anders gaan leven. De hypotheek is nog niet helemaal af. Kees zegt dat we best minder kunnen, maar hij rekent altijd vanuit oplossingen. Ik reken vanuit wat er mis kan gaan.
Marije werd ondertussen steeds wanhopiger. Ze had BSO geprobeerd, maar voor Mees was niet overal plek en de kosten liepen ook op. Daan zei dat hij door zijn werk niet structureel een extra dag kon pakken. Misschien is dat waar. Ik weet het niet. Ik heb hem nooit een slechte vader gevonden, maar sinds de scheiding is alles ingewikkeld geworden en ik wil me er niet te veel mee bemoeien.
De echte ruzie kwam bij mij thuis, aan de keukentafel. Kees had appeltaart gehaald omdat Noor had gezwommen voor diploma A. De kinderen waren boven aan het spelen. Marije zat met haar jas nog aan en haar telefoon in haar hand.
Ik vertelde dat ik vanaf oktober niet twee vaste dagen kon blijven oppassen. Eén middag zou misschien lukken, afhankelijk van mijn rooster. Meer niet.
Ze werd eerst heel stil. Dat vond ik erger dan wanneer ze meteen was gaan schreeuwen.
Toen zei ze: “Je kunt wel voor allemaal onbekende oude mensen zorgen, maar niet voor je eigen kleinkinderen.”
Ik zei dat dat niet eerlijk was.
“Het voelt wel zo,” zei ze. “Ik vraag niet om een vakantiehuis of geld. Ik vraag om hulp omdat ik anders mijn huis misschien kwijt raak.”
Kees mengde zich erin. Te snel misschien. Hij zei dat het niet aan mij alleen was om Marijes probleem op te lossen. Marije draaide zich naar hem toe en zei: “Natuurlijk vind jij dat. Jij wilt gewoon met haar op reis.”
Dat was het moment waarop ik haar vroeg weg te gaan. Niet omdat ik haar niet begreep, maar omdat ik voelde dat ik anders iets zou zeggen waar we allebei lang last van zouden houden.
Ze nam de kinderen mee zonder de appeltaart aan te raken. Noor riep nog naar me dat ze volgende keer haar diploma wilde laten zien. Ik zei: “Ja schat, natuurlijk,” maar ik wist niet wanneer die volgende keer zou zijn.
Nu zijn we ruim twee weken verder. Marije appt alleen praktische dingen. Of ik donderdagmiddag kan, bijvoorbeeld. Ik heb één keer ja gezegd, omdat ze een bezichtiging had en echt niemand anders. De week erna heb ik nee gezegd, omdat ik zelf een late dienst had en de dag ervoor uit een nacht kwam. Daarna stuurde ze alleen: “Oké.”
Dat ene woord kan blijkbaar de hele dag in je hoofd blijven zitten.
Ik heb mijn contract niet opgezegd. Wel heb ik een gesprek aangevraagd over 28 uur en zo min mogelijk nachten. Of dat financieel haalbaar is, moeten Kees en ik nog goed uitzoeken. Misschien gaat de camper er voorlopig niet komen. Misschien gaan we met de auto en een tentje, als mijn rug dat nog trekt. Ik weet het echt niet.
Wat ik wel weet, is dat ik niet meer wil doen alsof ik onbeperkt beschikbaar ben, terwijl ik thuis mijn handen onder de warme kraan houd omdat ik anders de pijn niet wegkrijg.
Vanmiddag appte Marije een foto van Mees. Hij had met stift een ziekenhuisbed getekend, met mij erin. Er stond met kromme letters bij: OMA BETER.
Ik heb de foto opgeslagen. Daarna heb ik mijn telefoon omgedraaid en ben ik aardappels gaan schillen, terwijl Kees aan de keukentafel zat te doen alsof hij de krant las.