Sinds Kees ziek werd, lijkt onze vriendschap alleen nog in hun woonkamer te mogen bestaan

Vorige maand zette Ingrid de radio uit toen ik nog maar net binnen was.

Het was zaterdagmiddag, we hadden een appeltaart van de Hema meegenomen en Marjan had een bos tulpen op tafel gelegd, omdat ze dat altijd deed als we bij hen gingen eten. Kees zat in zijn vaste stoel bij het raam. Hij zag er verzorgd uit, net overhemd, baard geschoren, maar hij keek alsof hij op bezoek was in zijn eigen huis.

De radio stond zacht op NPO Radio 2. Een oud nummer van Doe Maar, volgens mij. Kees tikte met zijn vingers op de leuning mee. Ingrid liep erheen, drukte hem uit en zei: „Dat maakt hem onrustig. Te veel prikkels.”

Ze zei het niet onaardig. Dat maakt het juist lastig. Er zit de laatste tijd bijna nooit iets onaardigs in haar toon. Eerder iets vermoeids, iets wat geen tegenspraak meer kan gebruiken.

Wij kennen Kees en Ingrid sinds 1988. Toen woonden we allebei nog in Amersfoort, in van die nieuwbouwwijken waar iedereen tegelijk jonge kinderen kreeg en elkaar eerst kende van de stoep. De kinderen zijn allang de deur uit, wij wonen nu in Deventer en zij iets buiten Zutphen, maar we zijn elkaar blijven opzoeken.

Met z’n vieren wandelen, fietsen, kamperen in Frankrijk. Niet van die zware bergtochten, gewoon met broodjes in een fietstas en te laat bij een klein restaurant aankomen. Kees maakte altijd flauwe grappen. Ingrid kon daar dan ostentatief om zuchten, maar ze lachte meestal als laatste het hardst.

De laatste jaren gingen we ook regelmatig naar concerten. Blues in een zaaltje, soms een coverband in het dorpshuis. Niet hoogdravend. Daarna nog een biertje, of twee, en dan bij ons blijven slapen omdat de laatste trein weer eens niet reed.

Toen Kees vorig voorjaar begon te vragen of ik nog werkte, terwijl ik al vijf jaar met pensioen ben, dachten we eerst: ja, dat gebeurt. Ik haal soms ook namen door elkaar. Maar het werd vaker. Hij vergat een afspraak, raakte de weg kwijt op een route die hij al twintig keer had gefietst. Uiteindelijk kwam de diagnose. Beginnende Alzheimer.

Ik weet nog dat Kees zelf zei: „Nou, dan word ik eindelijk interessant genoeg voor een patiëntenfolder.”

Dat was typisch Kees. Daarna werd hij stil en vroeg hij of ik nog koffie wilde.

In het begin veranderde er niet zo veel. We gingen langzamer fietsen. Ingrid checkte drie keer of de deur op slot zat. Als Kees midden in een verhaal de draad kwijt was, wachtte Marjan gewoon. Soms kwam hij terug bij zijn punt, soms niet. Het was ongemakkelijk, maar niet onmogelijk.

Pas na de zomer begon Ingrid afspraken af te zeggen. Eerst een etentje bij ons, omdat Kees thuis beter sliep. Daarna een verjaardag van Marjan, omdat er te veel mensen zouden zijn. Toen stelde ze voor dat we voortaan bij hen zouden komen. „Dat is voor Kees overzichtelijker.”

Dat snapten we. Dus gingen we naar hen.

Daarna kwam er steeds meer bij. Geen muziek. Geen bezoek van anderen erbij. Niet te veel vragen aan Kees, want dan voelde hij zich getest. Niet praten over reizen, want dat kon hem verdrietig maken. Geen alcohol, omdat hij daar volgens Ingrid verwarder van werd. Het raam dicht als de buurjongen buiten voetbalde. De tv alleen op een natuurprogramma, geluid laag.

We zaten vaak om half drie aan de koffie en gingen dan voor zeven uur weer weg. Ingrid maakte iets simpels: soep, quiche, stamppot. Ze deed enorm haar best. Dat zie ik echt wel. Maar ik begon vooraf al te denken: wat kunnen we vandaag eigenlijk nog zeggen?

Marjan vertelde een keer over onze dochter die misschien naar Denemarken zou verhuizen voor haar werk. Ingrid onderbrak haar vrijwel meteen. „Laten we het niet over het buitenland hebben. Kees heeft daar niks aan.”

Kees zat ernaast en zei: „Denemarken is toch waar ze van die kleine zeemeerminnen hebben?”

Marjan lachte voorzichtig en zei dat dat Kopenhagen was. Ingrid keek haar aan alsof ze iets kapot had gemaakt.

Op de terugweg in de auto zei Marjan niets. Pas bij de IJsselbrug zei ze: „Ik weet niet meer wie er aan tafel mocht zitten vandaag.”

Ik vond dat een gemene opmerking. Ik zei ook dat ze niet zo moest doen. Ingrid draagt alles alleen, Kees kan er niets aan doen, wij kunnen toch wel een paar uur rekening houden met hen.

Maar thuis zette ik de vaatwasser aan en merkte ik dat ik opgelucht was. Daar schrok ik van.

In januari stelde ik voor om een keer naar de dagbesteding te gaan waar Kees sinds kort op dinsdag terechtkan. Niet om hem daarheen te brengen en meteen weer te vertrekken. Ik dacht juist: misschien kunnen we met z’n vieren lunchen in het restaurantje naast het wijkcentrum. Kees kent de plek dan al, en wij zijn even ergens anders dan die woonkamer. Misschien een klein stukje wandelen erna, als het weer meezit.

Ingrid werd heel stil aan de telefoon.

„Dus je vindt dat wij naar de dagbesteding moeten voor jullie gezelligheid?” vroeg ze.

Ik zei dat ik dat helemaal niet bedoelde. Dat we wilden aansluiten bij iets wat voor Kees vertrouwd was.

„Hij is geen uitje, Hans.”

Dat kwam hard aan, juist omdat ik meteen voelde dat er iets in zat. Ik had inderdaad gedacht aan onszelf. Aan koffie buiten de deur, aan een normale middag. Niet alleen aan Kees.

Maar ik zei ook: „Nee, hij is geen uitje. Hij is mijn vriend.”

Ze antwoordde: „Dan gedraag je je niet alsof het lastig is dat hij ziek is.”

Sinds dat gesprek is het stroef. We hebben nog twee keer afgesproken. De eerste keer deed Ingrid alsof er niets gebeurd was. De tweede keer begon ze er zelf over. Ze zei dat mensen langzaam verdwijnen zodra dementie in beeld komt. Familie die minder vaak belt. Kennissen die opeens druk zijn. Stellen die zeggen dat ze heus willen helpen, maar vervolgens alleen iets willen doen als het leuk blijft.

Daar kon ik weinig tegenin brengen. Want zo klinkt het wel, als ik eerlijk ben.

Tegelijkertijd wil ik niet doen alsof wij geen leven meer hebben dat ook van ons is. Marjan zingt sinds kort bij een koor. Ik speel op donderdagavond biljart met oud-collega’s. We passen soms op onze kleindochter. En ja, we willen af en toe naar een concert zonder daarna met schuldgevoel te denken dat we eigenlijk bij Kees in stilte op de bank hadden moeten zitten.

Kees zelf maakt het nog ingewikkelder. Toen Ingrid even boven was om medicijnen klaar te zetten, pakte hij mijn arm vast. Hij zei: „Hans, wanneer gaan we weer eens gewoon fietsen?”

Ik zei dat het voorjaar eraan kwam, dat we wel een rustig rondje konden doen.

Hij knikte. Even later vroeg hij of ik die nieuwe buurman al had ontmoet. Die buurman woont daar al twaalf jaar.

Toen we weggingen, stond Ingrid in de gang met onze jassen in haar handen. Marjan zei dat we misschien over twee weken konden langskomen. Ingrid zei: „Als jullie tenminste niet ergens leukers heen moeten.”

Marjan keek haar aan, duidelijk gekwetst. Ik voelde mijn irritatie al opkomen, maar ik kreeg mezelf niet zover om er iets van te zeggen. Kees riep vanuit de woonkamer dat we de tulpen niet moesten vergeten, terwijl die in een vaas op tafel stonden.

In de auto zei Marjan dat ze voorlopig niet meer iedere twee weken wil. Eén keer per maand, en dan moet het ook kunnen dat we zelf bepalen hoe lang we blijven. Ik zei dat ik haar begreep, maar ik hoorde mezelf meteen praten over Ingrid, over angst, over het feit dat zij Kees elke dag ziet achteruitgaan.

Marjan keek naar buiten en zei: „Ja. En wie ziet ons eigenlijk?”

We hebben nog niets besloten. Volgende week stuur ik Kees een kaartje voor zijn verjaardag, hoewel ik niet weet of hij hem zelf leest of dat Ingrid hem voorleest. Ik heb er geen grote woorden in gezet. Alleen dat ik aan hem denk en dat ik zin heb in een fietstocht zodra het weer een beetje meewerkt.

Marjan vindt dat misschien te optimistisch.

Misschien is het dat ook. Maar ik kan nog niet accepteren dat onze vriendschap alleen bestaat uit wat er niet meer kan.