Sinds de scheiding van onze beste vriend is mijn eigen huis geen plek meer waar ik kan uitrusten
Ik heb de afgelopen maanden geleerd dat je iemand kunt missen terwijl hij nog elke week aan je tafel zit.
Het gaat om Rob. Hij en mijn man Henk kennen elkaar sinds de militaire dienst, geloof ik. Ik ken Rob en zijn ex-vrouw Marjan al bijna veertig jaar. We vierden verjaardagen samen, gingen vroeger met de kinderen naar een huisje op de Veluwe en zaten met oud en nieuw standaard bij elkaar, ook toen we daar eigenlijk te moe voor waren. Het was zo’n vriendschap die nooit veel uitleg nodig had.
Toen Rob en Marjan vorig jaar uit elkaar gingen, kwam het voor ons allemaal als een dreun. Niet omdat hun huwelijk van buitenaf zo perfect leek, maar omdat ze altijd een vast stel waren geweest. Rob trok in een klein huurappartement in Zwolle-Zuid. Marjan bleef in hun huis. De eerste weken zei hij vooral dat het wel ging. Hij maakte grapjes over zijn airfryer en de buren die hij niet kende.
Daarna werd het stiller.
Henk belde hem eens op een dinsdagavond en kreeg hem pas na drie pogingen te pakken. Rob zei dat hij de hele dag nog niet buiten was geweest. Hij klonk vlak, niet eens echt verdrietig. Meer alsof hij onder een deken lag waar hij niet onderuit kon komen.
Vanaf dat moment ging Henk er vol in. Hij bracht boodschappen, hielp een kast in elkaar zetten die Rob via Marktplaats had gekocht, nam hem mee om te wandelen langs de IJssel. Ik vond dat eerst alleen maar goed. Rob was altijd degene geweest die voor anderen klaarstond. Toen onze zoon zijn been brak, stond hij er met krukken die hij ergens had geregeld. Toen mijn moeder naar het verpleeghuis moest, bracht hij zonder gedoe een aanhanger om haar spullen op te halen. Natuurlijk help je hem dan terug.
Alleen werd ‘helpen’ bij ons steeds minder iets afgebakends.
Eerst kwam Rob op zondag eten. Toen ook op woensdag, omdat hij anders alleen een boterham met kaas zou nemen, volgens Henk. Daarna bleef hij soms na het eten nog tot half elf zitten. Als ik mijn pyjama al aanhad en naar boven wilde, hoorde ik beneden nog Henk en Rob praten. Of eigenlijk: Rob praten, Henk af en toe zeggen dat hij het begreep.
Het ging steeds over Marjan. Over wie welke vrienden had gehouden. Over een foto op Facebook waar Marjan op stond met hun dochter en de kleinkinderen. Over geld, een gezamenlijke spaarrekening, een oude caravan die nog verkocht moest worden. Soms zat Rob met zijn handen om zijn koffiekopje en zei hij tien minuten niets.
Ik wist nooit wat ik dan moest doen. Vragen of hij nog koffie wilde voelde al verkeerd. Maar zwijgen voelde ook hard.
Ik merkte dat ik rare dingen begon te doen. Ik bleef langer bij de Albert Heijn hangen dan nodig was. Ik nam op woensdag expres een late afspraak bij de kapper. Een keer heb ik in de auto op de oprit gezeten omdat ik door het raam zag dat Rob er al was. Ik had geen energie voor nog een avond waarin alles zwaar zou voelen.
Daar schaamde ik me enorm voor. Rob zat thuis alleen, en ik zat in mijn auto te doen alsof ik niet naar binnen durfde.
Henk zag vooral dat Rob achteruitging. En eerlijk is eerlijk: dat deed hij ook. Rob was mager geworden. Hij vergat afspraken. Hij zei een keer dat het soms makkelijker leek als hij gewoon niet wakker werd. Henk heeft hem toen aangespoord om de huisarts te bellen. Rob heeft inmiddels gesprekken met de praktijkondersteuner ggz, voor zover ik weet. Maar Henk vertrouwt er niet op dat dat genoeg is.
‘Hij heeft ons nu nodig,’ zei hij als ik voorzichtig begon over hoe vaak Rob hier was.
Alsof ik dat niet wist.
Ik heb het uiteindelijk op een donderdag geprobeerd uit te leggen. Rob was net weg. Er stond nog een schaal met aangekoekte ovenschotel op het aanrecht en ik was bezig de vaatwasser in te ruimen. Henk zat met zijn telefoon op de bank, waarschijnlijk om Rob nog een bericht te sturen dat hij veilig thuis was.
Ik zei dat ik graag wilde dat we een vaste avond zouden afspreken. Bijvoorbeeld woensdag. En dat andere dingen natuurlijk konden als er echt iets was, maar niet meer vanzelf elke keer erbij.
Henk keek me aan alsof ik had voorgesteld Rob buiten te sluiten.
‘Dus als hij belt omdat hij alleen zit, moeten we zeggen: sorry Rob, het is geen woensdag?’
Dat had ik helemaal niet gezegd. Ik zei juist dat er verschil is tussen iemand in nood helpen en je hele leven om iemand heen bouwen. Maar hoe meer ik uitlegde, hoe kouder ik mezelf vond klinken. Henk zei dat hij niet snapte dat ik zo weinig geduld had nu een vriend door de moeilijkste periode van zijn leven ging.
Daarna hebben we drie dagen bijna alleen praktisch gepraat. Over de vuilnisbak. Over dat de verwarming lager kon. Over een rekening van Vitens.
Vorige week vrijdag kwam Henk thuis met een foldertje van een hotel in de Achterhoek. We waren dit voorjaar veertig jaar getrouwd en hadden gezegd dat we nog een paar dagen weg zouden gaan. Niet groot, gewoon wandelen, ergens goed eten, misschien een museum als het regende.
Henk zei dat hij iets had geregeld voor het eerste weekend van november.
Ik was oprecht blij, tot hij zei: ‘Rob gaat ook mee. Ik dacht, dan is hij er even uit. We hebben een familiekamerachtige suite, met een extra slaapkamer.’
Ik weet nog dat ik naar zijn gezicht keek en wachtte op het moment dat hij zou lachen. Dat kwam niet.
Ik zei: ‘Je hebt Rob uitgenodigd voor ons weekend?’
Hij zei dat het geen romantisch weekend hoefde te zijn, alsof ik daar moeilijk over deed. Rob had volgens hem eerst afgehouden, maar Henk had gezegd dat het goed voor hem zou zijn. Hij bleef bovendien de nacht ervoor bij ons slapen, omdat we vroeg weg moesten.
Ik werd zo boos dat ik dingen zei die ik niet netjes vind. Dat ik geen opvangadres was. Dat ik niet nog twee avonden wilde luisteren naar een man die alleen nog maar over zijn ex kon praten. Henk werd wit om zijn neus en zei dat ik Rob behandelde alsof hij een last was.
En daar had hij helaas voor een deel gelijk in. Zo voelde het soms ook. Niet omdat ik niet van Rob houd, maar omdat ik niets meer overhield nadat hij weg was. Dan moest ik nog opruimen, nog even doen alsof het gewoon een gezellige avond was geweest, en vervolgens lag ik wakker omdat ik dacht aan hoe verloren hij keek.
De volgende ochtend heb ik Rob zelf gebeld. Dat vond ik verschrikkelijk, maar ik kon Henk niet nog eens laten beslissen namens mij. Ik heb gezegd dat ik wist dat Henk hem had uitgenodigd, maar dat ik dat weekend liever met z’n tweeën wilde gaan. Ik heb er meteen bij gezegd dat het niet betekende dat ik hem niet meer wilde zien.
Rob was lang stil. Toen zei hij: ‘Nee joh, ik snap het wel. Ik had eigenlijk al gedacht dat het misschien een beetje veel was.’
Dat deed bijna nog meer pijn. Blijkbaar voelde hij het ook. Misschien had hij gehoopt dat Henk de beslissing voor hem zou nemen, zodat hij niet opnieuw degene hoefde te zijn die ergens buiten viel.
Henk was woedend toen hij thuiskwam en hoorde dat ik had gebeld. Niet schreeuwen, dat doet hij nooit, maar dat stille boze van hem. Hij zei dat ik Rob vernederd had. Ik zei dat hij mij had gepasseerd. We kwamen geen centimeter verder.
Rob komt woensdag nog eten. Dat hebben we zo afgesproken, al weet ik niet of ‘afgesproken’ het juiste woord is. Henk brengt hem soms nog eten en gaat geregeld bij hem langs. Daar bemoei ik me niet mee. Ik probeer op woensdag gewoon aanwezig te zijn, zonder op mijn tanden te bijten omdat ik vind dat het moet.
Het hotel heb ik niet afgezegd. We gaan nog steeds, met z’n tweeën. Henk heeft er sindsdien nauwelijks over gesproken.
Vanmiddag stuurde Rob een berichtje in onze gezamenlijke app. Een foto van een pan soep die hij zelf had gemaakt, met erbij: ‘Niet aangebrand. Vooruitgang.’ Henk reageerde meteen met een duimpje. Ik heb pas na een uur iets teruggestuurd. Niet omdat ik hem wilde straffen, maar omdat ik even niet wist hoe dichtbij ik nog kon zijn zonder mezelf kwijt te raken.