Sinds Henk er niet meer is, lijkt het alsof onze vriendschap met Marjan ook ons hele huis heeft overgenomen

De eerste keer dat Marjan op een dinsdagmorgen om half negen bij ons voor de deur stond, had ze nog haar badjas onder haar jas aan. Niet omdat ze in paniek was, denk ik. Ze had gewoon niet nagedacht over de tijd.

Pieter en ik zaten net aan de tweede koffie. We waren allebei sinds een paar maanden met pensioen. Ik had die ochtend een lijstje gemaakt: naar de markt, de was opvouwen, misschien eindelijk de kamerplanten verpotten. Van die onbenullige dingen waar ik me vroeger op verheugde als ik op kantoor weer tussen telefoontjes en overleggen zat.

Marjan stond daar met een plastic mapje onder haar arm.

“Er ligt een brief van de bank en ik snap hem niet,” zei ze.

Henk was toen zes weken dood.

Henk en Pieter waren al vrienden sinds hun diensttijd, al hadden ze elkaar volgens mij pas echt leren kennen toen wij eind jaren tachtig naast elkaar op de camping in Frankrijk stonden. Marjan en ik klikten ook meteen. Daarna kwamen de zaterdagen met borrelhapjes, de vakanties naar Zeeland en later naar Italië, kerstdagen die we afwisselden. Onze kinderen werden ouder, gingen studeren, kregen relaties. Wij vier bleven over als vaste kern.

Toen Henk ziek werd, longkanker, ging alles snel. Te snel voor hem, voor Marjan en ook voor ons. Pieter reed hem naar het ziekenhuis als ik niet kon. Ik kookte geregeld voor Marjan. Dat deed ik zonder aarzeling. Henk was geen broer van me, maar soms voelde het wel zo.

Na de begrafenis zei Marjan steeds: “Ik weet niet hoe ik dit moet doen zonder hem.”

Ik zei dan dat ze niet alleen was. En dat meende ik.

Alleen had ik niet bedacht dat ‘niet alleen’ zou betekenen dat ze elke dag bij ons aan tafel zat.

Eerst kwam ze vooral ’s avonds. Ze vond haar huis te stil. Dat begrijp ik nog steeds. Het huis waar zij en Henk bijna veertig jaar hadden gewoond, klonk waarschijnlijk anders zonder zijn hoesten, zijn sport op tv, zijn rommel op de trap. Dus zei ik: kom maar eten. Pieter haalde haar op als het regende. Soms bleef ze tot elf uur zitten, zonder veel te zeggen.

Daarna kwamen de telefoontjes overdag. Niet alleen over verdriet, maar over alles. Of ze een nieuw energiecontract moest nemen. Of de buurvrouw raar had gekeken toen ze de kliko buitenzette. Of Pieter even naar haar thermostaat kon kijken. Of ik mee wilde naar de Hema, want alleen koffie drinken vond ze zo sneu.

Als ik eens niet meteen opnam, belde ze Pieter. Als hij niet opnam, stuurde ze een appje met alleen: ‘Is alles goed?’

Pieter vond dat ik er te zwaar aan tilde.

“Ze heeft net haar man verloren, Els. Ze heeft niemand meer echt.”

Dat laatste was niet helemaal waar. Ze had een zus in Deventer en een dochter, Sanne, die met haar gezin in Amersfoort woont. Maar haar zus heeft zelf reuma en Sanne werkt vier dagen, heeft twee pubers en, eerlijk is eerlijk, hield altijd al wat afstand. Marjan kon daar zichtbaar gekwetst over zijn.

“Ze zeggen altijd dat ik moet aangeven wat ik nodig heb,” zei ze een keer. “Maar als ik het dan doe, zijn ze druk.”

Ik voelde me daar dan meteen schuldig bij, alsof ik ook op het punt stond haar weg te duwen.

Toch begon ik dingen te verzwijgen. Als ik met mijn zus een dagje naar Haarlem ging, zei ik tegen Marjan dat ik een afspraak had. Toen Pieter en ik een weekend naar een huisje bij Dwingeloo wilden, stelde ik voor het pas de dag ervoor te vertellen. Ik schaamde me daar eigenlijk voor. Alsof we stiekem weg moesten uit ons eigen leven.

Pieter begreep dat niet.

“Je kunt haar toch gewoon vragen of ze iets nodig heeft voordat we gaan?”

Maar daar ging het mij niet om. Ik wilde niet eerst toestemming hoeven voelen om een weekend met mijn eigen man weg te kunnen.

Die aanbouw kwam ter sprake op een woensdagmiddag. Marjan had gebeld of ze langs kon komen. Ik wilde eigenlijk nee zeggen, omdat ik die avond met een oud-collega had afgesproken, maar Pieter zei vanuit de keuken: “Laat haar toch even komen.”

Ze had een map bij zich, groter dan die van de bank. Er zaten uitgeprinte Funda-pagina’s in en een notitieblok met bedragen.

“Ik heb zitten rekenen,” zei ze. “Mijn huis is veel te groot voor mij alleen. Ik kan het verkopen. En jullie hebben toch die ruimte naast de garage?”

Pieter keek meteen geïnteresseerd. Hij heeft altijd al plannen met die ruimte gehad. Een werkbank, een kleine badkamer, misschien ooit een logeerkamer voor de kleinkinderen die we nog niet eens hebben.

Marjan praatte door. Een aangepaste aanbouw, eigen ingang misschien, maar wel dichtbij. Zij zou geld inbrengen. Dan konden we kosten delen. Ze zou niet lastig zijn, zei ze haastig. “Jullie hoeven echt niet voor mij te zorgen. Alleen… dan ben ik niet steeds alleen.”

Ik weet nog dat ik naar haar handen keek. Ze had nagellak op één duim afgebladderd. Ik had medelijden met haar en tegelijk voelde ik mijn keel dichtgaan.

Pieter zei: “Dat is eigenlijk helemaal niet zo’n gek idee.”

Ik zei meteen: “Nee.”

Niet hard. Maar zo duidelijk dat het stil werd.

Marjan keek me aan alsof ik iets had omgestoten. Pieter zuchtte en zei mijn naam op die manier waarop hij doet als hij vindt dat ik onredelijk ben.

Ik hoorde mezelf daarna te veel praten. Dat ik privacy nodig had. Dat we pas met pensioen waren. Dat ik niet elke ochtend rekening wilde houden met wie er in de tuin zat of wie er aan de deur kon staan. Dat ik Marjan heel graag wilde helpen, maar niet in ons huis wilde wonen, zelfs niet ‘naast’ ons.

Marjan werd bleek. Ze stopte haar papieren terug in de map, heel netjes, alsof het daarover ging.

“Nou ja,” zei ze. “Ik wilde het alleen maar voorleggen.”

Ze ging na twintig minuten weg. Pieter bracht haar naar huis, hoewel het droog was en zij nog gewoon auto reed.

Die avond hadden we voor het eerst in maanden echt ruzie. Pieter zei dat ik wist hoe bang Marjan was. Ik zei dat hij haar angst steeds probeerde op te lossen door mij minder ruimte te geven. Dat was gemeen geformuleerd, maar het kwam er wel op neer.

Hij werd kwaad. “Dus ik mag een vriend van veertig jaar laten verzuipen omdat jij rustig je planten wilt verpotten?”

Daar heb ik van gehuild, vooral omdat ik wist dat mijn planten belachelijk klonken naast een dode man en een eenzame vrouw. Maar ik bedoelde niet de planten. Ik bedoelde dat ik niet alleen maar de vrouw van Pieter of de vriendin van Marjan wilde zijn. Ik wilde ook gewoon Els zijn, die op een dinsdagmorgen niets hoeft uit te leggen.

De dagen erna belde Marjan minder. Niet helemaal niet, maar minder. Pieter ging twee keer alleen bij haar eten. Daar was ik opgelucht over, en daarna voelde ik me daar weer rot over. Hij kwam thuis met verhalen over hoe stil het in haar huis was, hoe Henk zijn jas nog aan de kapstok hing.

Vorige week vertelde Pieter dat Marjan bij haar dochter gaat logeren. ‘Even kijken hoe dat gaat’, zei hij. Hij zei het voorzichtig, alsof ik daar invloed op had gehad.

Ik heb alleen gezegd dat dat misschien goed is.

De aanbouw is voorlopig van tafel. Pieter praat er niet meer over, maar ik merk dat hij het me nog steeds kwalijk neemt. Marjan stuurt nu vooral berichtjes in plaats van dat ze onverwacht aanbelt. Soms lees ik ze pas na een uur. Soms meteen.

Vanmorgen stond ik in de keuken en zag ik haar naam op mijn scherm. Ik heb eerst de waterkoker uitgezet, ben gaan zitten en heb toen pas opgenomen.