Toen ik ons jaarlijkse weekend niet boekte, bleek ineens hoeveel onze vriendschap op mij leunde

Ik heb dit jaar voor het eerst in vijfentwintig jaar geen huisje geboekt voor ons septemberweekend.

Dat klinkt misschien als niks. Vier mensen van in de zestig die een weekendje in Drenthe of aan de Zeeuwse kust overslaan, daar gaat de wereld niet van stuk. Maar sinds januari krijg ik er een knoop van in mijn maag zodra ik de reclame van Landal zie of iemand over een fietstochtje begint.

Wij zijn al ruim dertig jaar bevriend met Erik en Monique. Mijn man Hans kende Erik nog van zijn werk bij de gemeente. In het begin deden we gewoon van alles: etentjes, verjaardagen, met de kinderen naar de Efteling toen ze nog klein waren. Later, toen de kinderen uit huis gingen, bleven wij over als twee stellen die elkaar eigenlijk zonder veel moeite vonden.

Erik maakt makkelijk contact en kan prachtig vertellen. Monique is rustig, altijd verzorgd, nooit overdreven aanwezig. Hans en Erik drinken graag een speciaalbier en lossen met veel ernst de problemen van de wereld op. Monique en ik konden uren praten over onze ouders, werk, de kinderen. Zo voelde het tenminste lang.

Ik was degene die dingen vastlegde. Niet omdat iemand dat formeel had besloten. Het ging gewoon zo. Ik stuurde in april een appje: zullen we kijken naar een datum? Ik zocht een restaurant uit als we ergens wilden eten. Ik regelde kaartjes voor een museum, ik vroeg wie er reed, ik herinnerde iedereen eraan dat Monique geen geitenkaas lust. Voor ons jaarlijkse weekend weg zocht ik huisjes, vergeleek ik prijzen, belde ik soms omdat de website weer vastliep en schoot ik de aanbetaling voor.

Monique zei dan: “Jij bent daar ook gewoon zo goed in, Marjan.”

En ik vond dat fijn. Echt. Ik werk mijn hele leven in de planning bij een installatiebedrijf, eerst parttime toen de kinderen klein waren en later bijna fulltime. Dingen regelen zit in mij. Als iedereen het naar zijn zin heeft, heb ik ook een fijne avond.

Alleen ben ik vorig jaar met pensioen gegaan. Ik dacht eerlijk gezegd dat ik dan meer ruimte zou voelen. In plaats daarvan merkte ik hoe vaak ik degene was die ergens ruimte voor maakte.

Hans is sinds twee jaar met pensioen en kan zich uitstekend vermaken met zijn volkstuin en zijn racefiets. Onze dochter woont in Zwolle, onze zoon in Amersfoort. We passen geregeld op de kleinkinderen, maar niet elke week. Ik had me voorgesteld dat ik eindelijk wat spontaner met vriendinnen koffie zou drinken, misschien een cursus keramiek zou doen. Maar ik bleef ondertussen de agenda van iedereen bijhouden.

Erik en Monique kregen het juist drukker, zo leek het. Hun dochter heeft twee kinderen en woont twintig minuten bij hen vandaan. Begrijpelijk, natuurlijk. Erik ging daarnaast twee dagen per week als vrijwilliger bij een voetbalclub helpen. Monique heeft bridgen ontdekt. Bij elk voorstel van mij kwam er iets terug als: “O, die zaterdag hebben we waarschijnlijk de kleinkinderen,” of: “Even kijken, Monique heeft dan competitie.”

Maar nooit: zullen wij eens iets voorstellen?

Op een woensdagmiddag in februari zat ik met een kop lauwe thee achter mijn laptop. Ik had drie mogelijke weekenden in september gevonden, plus twee huisjes. Niet goedkoop, maar ook niet belachelijk. Ik keek naar het scherm en dacht ineens: waarom doe ik dit weer alleen?

Ik stuurde in onze groepsapp dat het me leuk leek als we het dit jaar eens zouden verdelen. “Misschien kunnen jullie de accommodatie uitzoeken en dan kijk ik naar eten of een activiteit? Of Hans en Erik regelen het samen, maakt mij niet uit.”

Het bleef bijna een dag stil. Dat gebeurt nooit, want Erik stuurt normaal gesproken zelfs foto’s van een scheve stoeptegel in zijn straat.

Monique reageerde uiteindelijk met een duimpje en: “Haha, jij bent toch onze reisleider?”

Daarna Erik: “Als jij een paar opties stuurt, kiezen wij wel. Jij weet wat leuk is.”

Ik weet nog dat ik letterlijk naar die woorden bleef kijken. Niet eens kwaad meteen. Vooral moe. Alsof ik een formulier had ingevuld dat ze zonder lezen terug op mijn bureau hadden gelegd.

Die vrijdag kwamen ze eten. Ik had ertegen Hans over gezegd dat ik het wilde bespreken. Hij trok een gezicht alsof ik had aangekondigd dat ik onze hypotheek wilde oversluiten.

“Maak er niet zo’n ding van,” zei hij. “Ze bedoelen het goed. En jij vindt dat organiseren ook leuk.”

Dat was misschien nog wel het pijnlijkste. Hij had gelijk, gedeeltelijk. Ik vind het leuk, maar ik vind het niet leuk als het vanzelfsprekend wordt. Alleen kreeg ik dat niet helder uitgelegd zonder zeurderig te klinken, zelfs in mijn eigen oren.

Aan tafel begon ik er toch over. Heel onhandig. We hadden net de schaal met aardappeltjes neergezet.

Ik zei dat ik het jammer vond dat alles steeds bij mij terechtkwam. Dat ik best wilde organiseren, maar niet altijd. Dat ik graag het gevoel wilde hebben dat zij ook zin hadden om moeite voor ons te doen.

Monique legde haar vork neer en keek oprecht verbaasd.

“Maar we zien jullie toch vaak?” zei ze. “We zeggen toch niet af omdat we geen zin in jullie hebben?”

“Nee,” zei ik. “Dat zeg ik ook niet.”

Erik lachte een beetje, zo’n lach waarmee hij spanning normaal wegpoetst. “Marjan, wij zijn gewoon niet van die planners. Jij bent de gangmaker. Dat is juist jouw kracht.”

Ik voelde mijn gezicht warm worden. “Maar ik ben niet aangenomen als gangmaker.”

Daar viel een stilte van misschien tien seconden. Hans schoof met zijn glas. Monique zei toen dat ze het vervelend vond dat ik het zo zag, maar dat vriendschap toch geen rooster hoefde te zijn.

Dat vond ik een slimme opmerking en ik had er niks goeds op terug. Want nee, ik wilde geen rooster. Ik wilde geen Excelbestand met wie hoeveel keer had gebeld of betaald. Ik wilde alleen niet de enige zijn die eraan dacht dat we bestonden.

Daarna werd het ongemakkelijker dan nodig was. Erik zei dat zij ook vaak hadden aangeboden om bij hen te barbecueën. Dat is waar, al was dat meestal nadat ik had gevraagd of we nog eens iets zouden doen. Ik zei dat ik daar niet op uit was. Monique werd stiller. Hans zei op een gegeven moment: “Nou ja, zullen we gewoon nog koffie nemen?” Wat een zin, maar hij redde de avond ermee.

In juni vroeg Erik in de groepsapp of ik al iets moois had gevonden voor september. Hij schreef er een smiley bij.

Ik heb een kwartier getypt en gewist. Uiteindelijk stuurde ik: “Nee, ik organiseer het dit jaar niet. Misschien willen jullie iets voorstellen?”

Erik belde me die avond. Hij klonk gekwetst, niet boos. Hij zei dat hij het raar vond dat ik alles zo op de spits dreef. Dat die weekenden voor hen ook belangrijk waren. Dat het voelde alsof ik hen wilde straffen.

Dat laatste deed pijn, omdat ik ineens dacht: misschien straf ik ze inderdaad een beetje. Niet bewust, maar ik wilde dat ze zouden merken wat er wegviel als ik niks deed.

Ik zei dat ik niemand strafte. Dat ik gewoon niet meer automatisch wilde trekken. Hij zei: “Maar als iedereen wacht tot iemand anders begint, gebeurt er dus niks.”

“Precies,” zei ik.

Hij zuchtte. “Wat verwacht je dan van ons?”

Ik wist het niet goed. Dat was het hele probleem. Ik wilde geen opdracht geven voor een vriendschap die vanzelf had moeten voelen.

September is nu voorbij. Er is geen weekend geweest. Hans en ik zijn uiteindelijk twee nachten naar een klein hotel in Deventer gegaan. Het was prettig, maar ook vreemd rustig. Op zaterdagavond zaten we in een bruin café en Hans zei dat Erik een foto in de groepsapp had gezet van zijn kleindochter op het voetbalveld. Ik heb alleen een hartje gestuurd.

Vorige week stelde Monique voor om in november bij hen te komen eten. Zonder aanleiding, zonder dat ik eerst iets hoefde te regelen. Ik was daar bijna ontroerd van, en tegelijk schaamde ik me dat zo’n gewoon appje voor mij zo zwaar was geworden.

We hebben ja gezegd. Ik neem geen dessert mee, heb ik met mezelf afgesproken. Alleen een bos bloemen, want helemaal niks meenemen voelt ook weer alsof ik iemand anders ben geworden.

Of zij het weekend volgend jaar gaan organiseren, weet ik niet. Misschien zeg ik er niets meer over. Misschien vraag ik het juist wel. Ik ben er nog niet uit. Maar ik heb voor het eerst gemerkt dat een vriendschap ook stil kan vallen als ik mijn handen van het stuur haal, en dat is geen fijne ontdekking.