Sinds we Henk helpen, durf ik bijna niet meer op te nemen als Kees belt

De telefoon van Kees herken ik inmiddels aan het geluid nog vóór ik op mijn scherm kijk. Niet omdat hij een ander beltoon heeft, maar omdat ik mijn schouders al optrek zodra hij belt.

Dat vind ik verschrikkelijk om op te schrijven. Henk en Kees zijn al sinds 1983 onze beste vrienden. We leerden elkaar kennen op de camping in Limburg, toen onze kinderen nog klein waren en wij zelf nog dachten dat een weekend in een vouwwagen ontspanning was. Daarna kwamen de verjaardagen, de kerstbrunches, de vakanties naar Frankrijk, de vaste zaterdagavond waarop we bij elkaar aten. Henk was degene die mij hielp verhuizen toen we naar Amersfoort gingen. Hij stond ook naast me bij de crematie van mijn vader, zonder veel te zeggen. Hij was er gewoon.

Henk is nu 67. Vorig jaar begon het met kleine dingen. Hij vergat dat we hadden afgesproken. Hij raakte in de supermarkt zijn pinpas kwijt, die later gewoon in zijn jaszak bleek te zitten. Een keer zette hij zijn auto voor een onbekend huis in onze straat en zei hij tegen Marjan dat hij niet wist waar hij woonde.

Kees lachte het eerst weg. “Hij heeft altijd al een hoofd als een vergiet gehad.” Dat zei hij dan met zo’n halve grijns, maar ik zag dat hij daarna stil werd.

De huisarts verwees Henk uiteindelijk naar de geheugenpoli. De uitslag kwam niet als een totale verrassing, maar toch was het alsof iemand een zware pan op tafel zette waar niemand aan durfde te komen. Beginnende dementie, waarschijnlijk Alzheimer. Kees vertelde het bij ons aan de keukentafel. Marjan had koffie gezet en er stond een appeltaart van de supermarkt op tafel, nog in het plastic omdat ze vergeten was hem op een bord te leggen.

Kees zei: “We redden ons wel. We gaan niet meteen overal hulp bij halen.”

Ik zei dat dat logisch klonk. Achteraf denk ik dat ik toen al iets had moeten vragen. Wat betekent ‘we redden ons wel’ eigenlijk als één van de twee langzaam minder kan?

In het begin hielpen we graag. Ik ging een keer mee naar de bank omdat Henk zijn inloggegevens kwijt was en Kees niet begreep waarom de automatische incasso van de energieleverancier twee keer was afgeschreven. Marjan nam Henk mee voor een wandeling als Kees naar de tandarts moest. We brachten een ovenschotel langs toen Kees belde dat Henk de aardappels op het vuur was vergeten.

Dat soort dingen. Daar doe je niet moeilijk over.

Maar het werd elke week meer. Kees wilde niet dat Henk alleen thuisbleef, dus vroeg hij of Marjan op dinsdagmiddag bij hem kon zitten. Dat werd al snel dinsdag en donderdag. Ik hielp met de administratie, omdat Henk in paniek raakte van enveloppen en Kees zei dat hij zelf “geen papierenmens” was. Er kwamen herinneringen van de zorgverzekering, een rekening van de garage, iets met DigiD dat opnieuw aangevraagd moest worden. Ik ben een paar jaar geleden met pensioen gegaan uit de technische dienst van een school. Ik kan een stopcontact vervangen, maar als mensen met wachtwoorden en beveiligingscodes beginnen, word ik al onrustig.

Toch deed ik het. Want Henk keek dan naar me alsof ik de enige was die nog wist hoe de wereld werkte.

Marjan zei op een avond, toen we net thuis waren van weer een middag bij hen: “We hebben deze week geen enkele dag iets voor onszelf gedaan.”

Ik reageerde te kort. Ik zei dat zij niet zo moest rekenen. Alsof Henk een lastpost was die je in uren bijhield. Meteen daarna had ik spijt, want dat bedoelde ze niet. Ze zat met haar jas nog aan op de bank en keek naar de afwas die we thuis ook nog hadden laten staan.

We hadden eigenlijk naar mijn zus in Zwolle willen gaan. Daarna wilde Marjan een nachtje naar een hotel in Deventer, gewoon even eruit. Alles was al gereserveerd. Kees belde die vrijdagmiddag omdat Henk zijn portemonnee niet kon vinden en ervan overtuigd was dat iemand hem had bestolen. Kees was zo moe dat zijn stem brak.

We zijn niet gegaan.

De portemonnee lag onder een stapel oude folders in de keukenla. Henk wist later niet meer waarom iedereen zo gespannen was geweest. Kees zei wel bedankt, maar op een manier alsof het vanzelf sprak. Misschien deed hij dat niet eens bewust. Hij was gewoon op.

Een paar weken geleden vroeg ik voorzichtig of hij niet eens contact kon opnemen met de casemanager die via de geheugenpoli was genoemd. Of met het wijkteam. Misschien tijdelijke dagbesteding voor Henk, al was het maar één dag.

Kees werd meteen hard.

“Dus jullie vinden dat ik hem moet wegbrengen?”

“Nee, zo bedoel ik het niet.”

“Hij is mijn man, Arie. Geen pakketje dat je ergens aflevert.”

Ik voelde me toen werkelijk een verrader. Henk zat aan de andere kant van de tafel en probeerde een suikerzakje open te maken. Hij hoorde maar half waar het over ging. Of misschien hoorde hij alles en kon hij er niets meer mee.

Vorige zondag kwam Kees bij ons langs zonder Henk. Dat gebeurde bijna nooit. Hij zag er slecht uit, niet alleen moe maar kleiner, alsof zijn kleren te groot waren geworden. Hij zei dat hij niet meer doorsliep omdat Henk soms ’s nachts door het huis liep. Hij vertelde dat Henk vorige week de voordeur open had laten staan.

Toen kwam het.

“Zouden jullie één weekend per maand kunnen overnemen?” vroeg hij. “Gewoon van vrijdagavond tot zondagmiddag. Dan kan ik even slapen. Misschien naar mijn broer. Ik weet het niet. Even niet opletten.”

Marjan zei niets. Ik keek naar haar en zag dat haar ogen meteen volschoten. Niet omdat ze niet wilde helpen, denk ik, maar omdat Kees zo wanhopig klonk.

Ik vroeg hoe hij dat voor zich zag.

“Bij jullie, of jullie bij ons. Henk kent jullie. Dat is beter dan vreemden.”

Ik dacht aan ons huis. Aan Henk die vorige maand de kraan in onze wc een halfuur liet lopen omdat hij dacht dat hij hem nog moest repareren. Aan Marjan, die slecht slaapt als er iemand anders in huis is. Aan onze kleindochter Noor die soms op zaterdag komt logeren. Aan hoe ik inmiddels mijn telefoon op stil zet als we samen eten, en hem vijf minuten later toch weer check.

Maar ik dacht ook aan Kees die daar alleen zat, met een man van wie hij nog houdt maar die hem soms niet meer herkent als ze ruzie hebben.

Ik heb gezegd dat we erover zouden nadenken. Dat was laf misschien, maar ik kon niet ter plekke ja zeggen en ik kon al helemaal geen nee zeggen.

Later, thuis, zei Marjan: “Als we dit doen, wordt het nooit bij één weekend per maand.”

Ik zei dat Kees anders instort.

“En wij dan?”

Daar had ik geen eerlijk antwoord op.

Morgen gaan we met z’n vieren praten. Ik heb Kees voorgesteld dat we ook iemand van het wijkteam of de casemanager erbij betrekken. Hij antwoordde alleen met: ‘We zien wel.’ Dat is geen goed teken bij hem.

Ik wil Henk niet in de steek laten. Ik wil Kees ook niet laten vallen op het moment dat zijn leven kleiner en zwaarder wordt. Maar ik merk dat ik de vriendschap van vroeger soms bijna niet meer durf op te halen, omdat ik dan meteen denk aan de volgende afspraak, de volgende rekening, de volgende paniektelefoon.

Vanavond heeft Marjan de reservering voor Deventer opnieuw bekeken. We kunnen nog kosteloos annuleren tot donderdag. Ze liet de laptop openstaan op de eettafel. Geen van ons beiden heeft iets gezegd.