Na veertig jaar werden onze vrijdagavonden ineens een soort toets
Ik heb vorige week de wijnflessen die nog in de kelder stonden maar naar boven gehaald. Niet omdat we ineens veel bezoek krijgen. Eerder het tegenovergestelde. Ze stonden daar al maanden, drie dozen rood die ik vorig voorjaar in Frankrijk had meegenomen, toen we met z’n vieren in de Elzas waren.
Vroeger was het zo simpel. Elke vrijdag, bijna zonder uitzondering, aten Marijke en ik met Henk en Ria. Soms bij ons in Amersfoort, soms bij hen in Soest. We wandelden eerst, meestal een rondje door de polder of bij de Lange Duinen. Daarna uitgebreid koken. Henk was altijd degene die ergens een te grote pan bouillabaisse van maakte of om zes uur al riep dat hij “even de wijn moest testen”. Ria en Marijke zetten dan de tafel mooi, terwijl Henk en ik deden alsof wij het zware werk hadden verricht.
We kennen elkaar sinds 1983. Onze kinderen zijn ongeveer tegelijk geboren, we hebben samen gekampeerd in Frankrijk toen iedereen nog in zo’n veel te kleine tunneltent lag, elkaars ouders begraven, banen verloren en weer andere gevonden. Henk hielp mij ooit drie weekenden met de verbouwing van onze keuken. Niet omdat hij handig was, want dat was hij bepaald niet, maar omdat hij vond dat je er gewoon moest zijn als het nodig was.
Toen hij vorig jaar stopte bij zijn adviesbureau, gunde ik hem dat echt. Hij had lang genoeg gewerkt. Alleen begon hij vrijwel direct anders te praten. Eerst over een retraite in Drenthe. Daarna over ademwerk, koud douchen en een cursus bij een man die volgens Henk “niet zweverig, maar juist heel aards” was. Dat laatste zei hij zo vaak dat ik vanzelf dacht: nou, dan zal het wel behoorlijk zweverig zijn.
Hij stopte met vlees, toen met vis, toen met alcohol. Allemaal prima. Ik drink zelf ook minder dan vroeger en als iemand geen karbonade wil, maak ik iets anders. Zo moeilijk is dat niet.
Maar Henk stopte niet bij zijn eigen bord.
De eerste keer dat het echt mis voelde, hadden we bij hen gegeten. Ria had een heerlijke linzenschotel gemaakt. Marijke had voor zichzelf een glas wijn ingeschonken en ik ook. Henk keek ernaar alsof we iets op tafel hadden gezet dat stonk.
“Grappig,” zei hij, “dat mensen ontspanning nog steeds uit een fles halen.”
Ik maakte een grapje terug, iets over mijn ontspanning die vooral uit de vaatwasser kwam. Ria lachte te hard. Dat weet ik nog, omdat ik toen al dacht: o jee.
Daarna kwam het steeds vaker. Onze nieuwe auto was ‘statusgedreven’. De vakantie van onze dochter naar Curaçao was ‘problematisch qua ecologische voetafdruk’. Toen Marijke vertelde dat ze een paar dagen per week oppaste op onze kleinzoon, zei Henk dat kinderen ook recht hadden op ouders die niet voortdurend werk en consumptie boven aanwezigheid stelden. Onze dochter werkt vier dagen in de week als verpleegkundige. Marijke zei niks meer. Ze zat alleen met haar servet te vouwen.
Het rare is dat Henk niet schreeuwde of scheldwoorden gebruikte. Hij bracht het rustig, bijna vriendelijk. Juist daardoor voelde het alsof je in een gesprek terechtkwam waar je niet om had gevraagd en waar je alleen verkeerde antwoorden kon geven.
Ria probeerde vaak nog te redden wat er te redden viel.
“Henks nieuwe fase is wel heel intens,” zei ze een keer zacht tegen Marijke in de keuken. “Hij bedoelt het niet naar.”
Marijke antwoordde: “Maar het komt wel naar binnen, Ria.”
Ik hoorde het omdat ik in de gang stond te zoeken naar de kurkentrekker. Die lag gewoon op het aanrecht, trouwens. Ik stond daar met dat ding in mijn hand en wist niet of ik terug moest lopen of juist niet.
Ria is niet iemand die zwak is. Ze heeft jarenlang in het onderwijs gewerkt en kon vroeger heel duidelijk zijn. Maar sinds Henk met pensioen is, lijkt zij steeds meer rekening te moeten houden met zijn nieuwe ritme. Hij mediteert ’s ochtends vroeg, eet op vaste tijden, gaat een paar middagen per week naar een groep in Utrecht. Als zij iets wil doen wat daar niet in past, zegt hij niet dat het niet mag. Hij zegt dat hij “zijn energie wil bewaken”. Daar kun je moeilijk tegenin zonder meteen de boeman te zijn.
In november hebben Marijke en ik besloten het uit te spreken. We hadden hen bij ons uitgenodigd en ik had bewust vegetarisch gekookt: pompoenrisotto, salade, goed brood. Er stond bruiswater op tafel en ook wijn, voor wie dat wilde. Ik vond dat al behoorlijk redelijk van mezelf, al klinkt dat misschien kinderachtig.
Na het eten begon Henk over Black Friday. Hij had gezien dat ik een nieuwe telefoon had.
“Heb je die echt nodig, Rob?” vroeg hij.
Ik zei dat mijn oude kapot was en dat ik hem ook voor mijn werk als vrijwilliger bij de sportclub gebruik. Hij knikte alsof ik precies bevestigde wat hij bedoelde.
Toen zei Marijke: “Henk, kunnen we hier even mee ophouden?”
Hij keek haar verbaasd aan.
“Waarmee?”
“Met dat alles wat wij doen een bewijs is dat we verkeerd leven.”
Er viel zo’n stilte waarin je ineens de koelkast hoort aanslaan. Ria keek naar haar bord. Henk zette zijn handen plat op tafel.
“Ik zeg niet dat jullie verkeerd leven. Ik deel wat ik heb ontdekt.”
“Maar je deelt het niet,” zei ik. “Je legt het over ons heen.”
Hij werd rood, wat ik bij hem nauwelijks kende. “Dus ik moet doen alsof ik niet veranderd ben omdat jullie gezellig willen blijven eten en drinken?”
Dat woord, gezellig, zei hij op een manier alsof het iets kleinzieligs was. Alsof veertig jaar vrijdagavonden, ziekenbezoek, hulp met verhuizingen en eindeloos luisteren naar elkaars zorgen alleen maar draaiden om een stukje vlees en een fles wijn.
Ik zei dat hij welkom was zoals hij was, maar dat we niet elke keer een morele beoordeling van ons leven wilden. Dat hij geen wijn hoefde te drinken, geen vlees hoefde te eten en van mij desnoods zijn eigen havermelk meenam. Maar dat hij zijn preken bij de voordeur moest laten.
Ria begon te huilen. Niet hard. Ze veegde gewoon steeds onder haar ogen en zei: “Dit was niet de bedoeling van zijn pensioen.”
Henk stond op, pakte zijn jas en zei dat authenticiteit blijkbaar alleen mocht zolang die niemand ongemakkelijk maakte. Ria bleef nog geen vijf minuten langer. Ze verontschuldigde zich drie keer, terwijl wij juist tegen háár wilden zeggen dat ze zich nergens voor hoefde te verontschuldigen.
Sindsdien wandelen we niet meer op vrijdag. Ria stuurt Marijke soms appjes, foto’s van haar kleinkind of een berichtje dat ze langs de bloesemroute is gefietst. Henk reageert nergens op. Met kerst kregen we een kaart van hen allebei, met alleen: ‘Licht en rust voor 2026.’ Geen persoonlijke zin, geen grapje van Henk over mijn te gare rollade zoals vroeger.
Marijke vindt dat we niet moeten toegeven. “Als we nu bellen en doen alsof er niets is, begint het gewoon opnieuw,” zegt ze. Daar heeft ze waarschijnlijk gelijk in.
Maar ik mis hem soms op de meest stomme momenten. Als ik een verkeerd schroefje uit een bouwpakket vis. Als er voetbal op staat en iemand een veel te serieuze analyse geeft. Of als ik langs het wijnrek loop en denk: deze had Henk vroeger lekker gevonden.
Vanmiddag heb ik Ria een bericht gestuurd. Alleen: ‘Zullen we binnenkort eens koffie drinken? Jij en ik, of met Marijke erbij. Zonder ingewikkeld gedoe.’
Ze heeft het gezien. Er staan twee blauwe vinkjes.
Verder nog niets.